ECLI:NL:RBAMS:2026:26

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
C/13/779863 / HA RK 25-433
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in insolventieprocedure

Verzoeker, betrokken als gerekestreerde in een insolventieprocedure tegen hem, heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die zijn zaak behandelde. Hij stelde dat de rechter het recht op hoor en wederhoor had geschonden, stukken niet had geïnventariseerd, en de zitting chaotisch had geleid, waardoor een redelijke vrees voor partijdigheid was ontstaan.

De rechter heeft in haar reactie gesteld dat partijen voldoende gelegenheid hadden gekregen om hun standpunten toe te lichten en dat de verwijten te algemeen waren om adequaat te reageren. De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en geoordeeld dat het verzoek onvoldoende concrete feiten bevatte en dat de aangevoerde procesbeslissingen geen grond voor wraking vormen.

De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden objectief een vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Dit was niet het geval. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de insolventieprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen en de insolventieprocedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer
Rekestnummer HA RK 25/433
Zaaknummer C/13/779863
Uitspraak: 6 januari 2026
Beslissing op het wrakingsverzoek van:
[verzoeker]uit [woonplaats]
verzoeker,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.B. Oreel, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank (wrakingskamer) heeft kennisgenomen van:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de rechter op het verzoek;
- het proces-verbaal van de zitting van 2 december 2025 met bijlagen;
- de pleitnota van verzoeker met bijlagen.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
De rechter heeft op 19 november 2025 schriftelijk meegedeeld verhinderd te zijn om op de zitting te verschijnen. Daarop heeft verzoeker verzocht de behandeling van het wrakingsverzoek aan te houden. De wrakingskamer heeft dat verzoek op
22 december 2025 afgewezen.
1.4.
Het wrakingsverzoek is vervolgens door de wrakingskamer behandeld op de openbare terechtzitting van 22 december 2025 alwaar verzoeker is gehoord.
1.5.
De uitspraak is bepaald op uiterlijk 9 januari 2026.

De feiten

2.1
Verzoeker is als gerekestreerde betrokken in een procedure bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, team Insolventie. De wederpartij in die procedure, Bidfood B.V., heeft verzocht om faillietverklaring van verzoeker. De procedure is ingeschreven onder zaaknummer C/13/777865 / FT RK 25/1030.
2.2.
De rechter heeft de zaak behandeld op 2 december 2025. Op 4 december 2025 heeft verzoeker verzocht om wraking van de rechter en is de behandeling van de zaak geschorst.

Het verzoek en de gronden daarvan

3. Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de volgende gronden. De rechter heeft tijdens de behandeling herhaaldelijk het recht op hoor en wederhoor geschonden. De rechter heeft de ingebrachte stukken niet geïnventariseerd en gecommuniceerd, waardoor de zitting chaotisch is geregisseerd. Zij heeft evidente zaken uit de pleitnotitie niet behandeld. Ook heeft zij de vooraf ingebrachte brief van 25 november 2025 niet behandeld. Zo speelde er een kwestie over de bevoegdheid. Verder heeft zij verzoeker verhinderd om tegenspraak en toelichtingen te geven. Het was onduidelijk voor verzoeker waartegen hij zich moest verdedigen. Er was sprake van onzekerheden en dwalingen met kwalijke gevolgen, tijdens een extreem korte zitting. Er is door de rechter ten onrechte uitgegaan van de aanwezigheid van een steunvordering. Verzoeker vindt dat door al deze omstandigheden tezamen de redelijke vrees voor partijdigheid is ontstaan.
Op de zitting heeft verzoeker zijn pleitnota voorgedragen, waarin hij een nadere toelichting heeft gegeven op de wrakingsgronden.

Het standpunt van de rechter

4. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie naar voren gebracht dat zij tijdens de zitting partijen de gelegenheid heeft gegeven om hun standpunten naar voren te brengen. Ook heeft zij vragen gesteld en tot slot partijen in de gelegenheid gesteld om op elkaars standpunten te reageren. Het kan zijn dat zij omwille van de tijd partijen op bepaalde momenten niet heeft toegestaan standpunten te herhalen. Indien zij geen nadere toelichting heeft gevraagd, waren de standpunten haar duidelijk. De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van het wrakingsverzoek noemt, zijn voor de rechter voor het overige te algemeen om adequaat op te kunnen reageren. De manier waarop zij de zaak heeft behandeld is in ieder geval niet ingegeven door vooringenomenheid. Evenmin is daardoor in objectieve zin de schijn van partijdigheid ontstaan.

De beoordeling van het verzoek

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van een verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.
5.3.
Verzoeker heeft in het wrakingsverzoek onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht. Voor zover deze bij de mondelinge behandeling op 22 december 2025 wel zijn aangevoerd is dat te laat, nu deze alle tegelijk en wel zodra deze aan verzoeker bekend zijn geworden (en dus in het wrakingsverzoek) hadden moeten worden voorgedragen (artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)). De verwijten van verzoeker hebben bovendien betrekking op (proces)beslissingen van de rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er tegen dat (de motivering van) een rechterlijke beslissing grond kan vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter [1] . Daarvan is geen sprake. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank (wrakingskamer):
- wijst het wrakingsverzoek af;
- bepaalt dat de zaak met zaaknummer C/13/777865 / FT RK 25/1030 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond.
Aldus gegeven door mr. K.A. Brunner, voorzitter, mrs. N.C.H. Blankevoort en
W.M.C. van den Berg, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 in tegenwoordigheid van mr. P. Tanis, griffier.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv, geen voorziening open.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413.