Art. 22 RvArt. 236 lid 1 RvArt. 6:119 BWArt. 6 EVRMArt. 6:96 lid 2 onder b en c BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid reconventionele vorderingen wegens eerdere beslissing in Jumbo-procedure
In deze civiele procedure tussen Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling Speciale Projecten B.V. (BNB) en Unibail-Rodamco Nederland Winkels B.V. en URW Nederland Winkels 2 B.V. (gezamenlijk URW) staat de ontvankelijkheid van reconventionele vorderingen centraal. BNB voerde aan dat URW niet-ontvankelijk is omdat dezelfde vorderingen reeds in een eerdere procedure (de Jumbo-procedure) aan de rechtbank waren voorgelegd en daarover een beslissing was genomen, waartegen hoger beroep is ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het indienen van dezelfde vorderingen in een nieuwe procedure in strijd is met de goede procesorde en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. URW heeft de mogelijkheid om via hoger beroep twee instanties over haar vorderingen te laten oordelen. Het beroep op de redelijke termijn van artikel 6 EVRMPro faalt, aangezien de behandeling binnen de Jumbo-procedure moet worden afgewacht.
De rechtbank beveelt partijen in conventie bepaalde stukken in het geding te brengen en houdt verdere beslissingen aan. In reconventie verklaart de rechtbank URW niet-ontvankelijk in haar vorderingen en veroordeelt URW hoofdelijk in de proceskosten van BNB. De procedure wordt aangehouden totdat de oudere procedure bij het hof is afgerond.
Uitkomst: URW is niet-ontvankelijk verklaard in haar reconventionele vorderingen en veroordeeld in de proceskosten van BNB.
eisende partij in conventie, gedaagde in reconventie,
hierna te noemen: BNB
advocaat: mr. J.W.A. Meesters,
tegen
1.UNIBAIL-RODAMCO NEDERLAND WINKELS B.V.,
2. URW NEDERLAND WINKELS 2 B.V.,
beide te Haarlemmermeer,
gedaagde partijen in conventie, eisers in reconventie,
hierna afzonderlijk te noemen URW1 en URW2 en samen te noemen: URW,
advocaat: mr. M.B. Klijn.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 10 juli 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, en de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 12, 13 en 14 januari 2026, waarvan verkort proces-verbaal is opgemaakt, met de daarin genoemde stukken.
2.Overzicht van dit vonnis
2.1.
In dit vonnis beveelt de rechtbank partijen in conventie bepaalde stukken in het geding te brengen die voor de beoordeling in conventie van belang zijn en wordt verder ieder beslissing aangehouden.
De rechtbank oordeelt dat URW in haar vorderingen in reconventie niet ontvankelijk is.
3.De feiten voor zover voor dit vonnis van belang
3.1.
BNB heeft in opdracht van URW en op basis van een in 2017 tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst werkzaamheden verricht voor het project Mall of the Netherlands. Dat project omvatte de renovatie en bouw van een groot winkelcentrum in Leidschendam. BNB was als één van de nevenaannemers onder meer verantwoordelijk voor de ruwbouw.
3.2.
In de aanneemovereenkomst is het project verdeeld in vier bouwdelen, te weten Fresh, Jumbo, Central Plaza en Kinepolis/Werk, die achtereenvolgens zouden worden opgeleverd. Tijdens de uitvoering van het project is vertraging ontstaan. De contractuele datum voor de eindoplevering van het hele project was 1 oktober 2019. De eindoplevering heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 29 oktober 2020.
3.3.
In 2020 is BNB een procedure tegen URW begonnen over (de financiële afwikkeling van de werkzaamheden in) het bouwdeel Fresh. Die procedure heeft geleid tot een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2021, een arrest van het hof Amsterdam van 16 januari 2024 en een arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2025.
3.4.
In 2021 is BNB ook een procedure tegen URW begonnen over (de financiële afwikkeling van de werkzaamheden in) het bouwdeel Jumbo. URW heeft in die zaak vorderingen in reconventie ingesteld. De rechtbank heeft in de Jumbo-procedure uitspraak gedaan op 6 juli 2022, waarna partijen hoger beroep hebben ingesteld.
3.5.
In 2023 heeft BNB de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. De vorderingen van BNB in deze zaak hebben, kort gezegd, betrekking op de bouwdelen Central Plaza en Kinepolis/Werk.
3.6.
In de Jumbo-procedure heeft het hof Amsterdam op 18 maart 2025 een tussenarrest gewezen. Over de reconventionele vorderingen van URW in die zaak heeft het hof overwogen (overweging 5.101):
“Ter terechtzitting heeft het hof met partijen de behandeling in hoger beroep van de reconventionele vorderingen van URW besproken. In dat verband is ook de procedure bij de rechtbank Amsterdam[de onderhavige procedure met zaaknummer: C/13/732538 / HA ZA 23-376, toevoeging rechtbank] aan de orde gekomen (…). In die procedure spelen onder meer kwesties die ook in dit hoger beroep aan de orde zijn. Het hof verzoek[t] partijen zich bij de in 5.85 genoemde akte tevens uit te laten over hoe moet worden verder gegaan met de behandeling in hoger beroep op dit punt. Mocht de uitkomst zijn dat de vorderingen door het hof behandeld moeten worden wenst het hof kort en zakelijk voorgelicht te worden over wat in eerste aanleg feitelijk aan de orde is gesteld en of dit overlap vertoont met wat in hoger beroep nu nog aan de orde is, alsmede over het tijdpad van de zaak bij de rechtbank. Dit omdat het hof het vooralsnog raadzaam acht de behandeling op dit punt niet voort te zetten voordat de rechtbank vonnis heeft gewezen. (…)”
3.7.
BNB en URW hebben op 6 mei 2025 aktes bij het hof genomen in de Jumbo-procedure.
3.8.
Op 13 januari 2026 heeft het hof opnieuw een tussenarrest gewezen in de Jumbo-procedure.
4.Het geschil
In conventie
4.1.
De vordering in conventie wordt in het later te wijzen vonnis weergegeven.
In reconventie
4.2.
URW vordert in reconventie, samengevat, betaling van een bedrag wegens korting op de aanneemsom en vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden door te late oplevering van het werk. De letterlijke tekst van de vorderingen in reconventie staat in de bijlage bij dit vonnis.
4.3.
BNB vordert dat de rechtbank URW in al haar reconventionele vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze vorderingen af zal wijzen, althans aan een eventuele toewijzing van de vorderingen geen uitvoerbaarheid bij voorraad zal verbinden. BNB vordert ook dat URW wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en die proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
5.De beoordeling in conventie
5.1.
De rechtbank beveelt partijen op grond van artikel 22 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de volgende stukken in het geding te brengen.
BNB
- BNB heeft op de zitting naar voren gebracht dat toen zij op enig moment indicaties van vertragingskosten ging opnemen in haar prijsaanbiedingen URW daar niet van gediend was en URW aan BNB heeft verzocht die indicaties uit de aanbiedingen te verwijderen. Een en ander zou blijken uit berichten van [naam 1] aan [naam 2] . De rechtbank beveelt BNB genoemde berichten in het geding te brengen.
URW
- URW stelt in haar conclusie van antwoord dat de door haar CAR-verzekeraar (Allianz) aangewezen schade-expert Naudet onderzoek heeft gedaan naar de ontstane schade aan het tramspoor en het handelen van BNB, waarna Allianz heeft besloten om de zaak te sluiten en niet uit te keren aan URW. De rechtbank heeft op de zitting gevraagd naar de achterliggende reden van Allianz om niet uit te keren en naar de beschikbaarheid van een onderzoeksrapport. Op de zitting heeft URW toegelicht dat zij een dergelijk rapport, ondanks verzoeken daartoe vanuit zowel URW als BNB, nooit heeft ontvangen. URW heeft daarbij aangeboden het rapport (nogmaals) op te vragen. De rechtbank beveelt URW in het geding te brengen: - Het rapport dan wel de rapporten van schade-expert Naudet.
- De schriftelijke beslissing van de verzekeraar over de vraag of de CAR-verzekering voor dit evenement dekking biedt.
5.2.
Partijen mogen bij antwoordakte op de door de wederpartij in het geding gebrachte stukken reageren, maar daarbij niet opnieuw producties in het geding brengen.
5.3.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
6.De beoordeling in reconventie
Het voorlopig oordeel van de rechtbank voorafgaand aan de mondelinge behandeling
6.1.
De rechtbank heeft partijen op 8 december 2025 bevolen hun akte zoals genomen in de Jumbo-procedure bij het hof (zie 3.7) in het geding te brengen en zich uit te laten over de verhouding tussen de reconventionele vordering in die procedure en die in dit geding. Naar aanleiding van de ingekomen akten heeft de rechtbank partijen op 19 december 2025 per mail het volgende bericht gezonden:
“Er zijn met betrekking tot de bouw van The Mall of the Netherlands drie procedures aangespannen, de procedure Fresh, de procedure Jumbo en de onderhavige procedure.
In de Jumbo-zaak en in de onderhavige zaak heeft URW identieke vorderingen in reconventie ingesteld.
BNB beroept zich erop dat in de procedure Jumbo over de reconventionele vordering door de rechtbank reeds is beslist en beroept zich op gezag van gewijsde. Zij wenst dat in het hoger beroep in de Jumbo-zaak over de reconventionele vordering wordt beslist.
URW wenst dat in de onderhavige zaak over de reconventionele vordering wordt beslist, omdat de rechtbank in de Jumbo-zaak die vordering niet inhoudelijk heeft behandeld en deze ongemotiveerd is afgewezen.
Het hof heeft in de Jumbo-zaak overwogen dat het hof het vooralsnog raadzaam acht de behandeling van de reconventionele vordering niet voort te zetten totdat de rechtbank vonnis heeft gewezen, waarbij het hof kennelijk doelt op de beslissing van de rechtbank over de reconventionele vordering in deze procedure.
“Beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.”
Nu vast staat dat tegen het Jumbo-vonnis hoger beroep is ingesteld, is de in die zaak genomen beslissing over de reconventionele vordering van URW niet in kracht van gewijsde gegaan. Het beroep van BNB op het gezag van gewijsde faalt daarom.
Er zijn nu dus twee identieke reconventionele vorderingen aanhangig, die bij het hof in de Jumbo-procedure en die bij deze rechtbank in de onderhavige procedure.
De rechtbank is voorlopig van oordeel dat de goede procesorde zich ertegen verzet in dit geding een vordering in te dienen waarover de rechtbank in de Jumbo-procedure al heeft beslist, zodat de reconventionele vordering naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet ontvankelijk is. Partijen zullen de gelegenheid krijgen hierover op de zitting kort het woord te voeren, waarna de rechtbank hierover bij vonnis zal beslissen.
In ieder geval zal de reconventionele vordering op de mondelinge behandeling van 12 en 13 januari a.s. niet inhoudelijk behandeld worden.
Ook als de reconventionele vordering wel ontvankelijk wordt geacht, ligt in beginsel voor de hand dat de rechter in de procedure die het laatst aanhangig is gemaakt de zaak aanhoudt, totdat de oudere procedure is afgedaan (Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/145). De rechtbank is van oordeel dat dit in dit geval ook de juiste weg is, aangezien partijen niet eenstemmig verzoeken de reconventionele vordering (nogmaals) bij de rechtbank in het kader van dit geding te behandelen. Als de vordering wel ontvankelijk wordt geacht zal de behandeling daarvan worden aangehouden totdat het hof in de Jumbo-procedure over de reconventionele vordering heeft beslist, omdat gezien de daar aanhangige oudere procedure op dit moment een rechtmatig belang bij behandeling van de reconventionele vordering in het kader van dit geding ontbreekt.”
Het tussenarrest van het hof van 13 januari 2026
6.2.
In het op 13 januari 2026 gewezen arrest in de procedure Jumbo heeft het hof over de behandeling in hoger beroep van de reconventionele vorderingen van URW het volgende overwogen (overweging 2.23):
“Het hof acht het raadzaam met de behandeling van de reconventionele vorderingen verder te gaan wanneer de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de aanverwante zaak. Die zaak betreft deels hetzelfde feitencomplex als waarover het bij genoemde vorderingen gaat. Op de uitkomst van de zaak bij de rechtbank kan niet, zoals BNB voorstelt, worden vooruitgelopen. Gelet op de feitelijke samenhang is het van belang dat het hof, alvorens met de behandeling in reconventie verder te gaan, kennis heeft van het oordeel van de rechtbank. Indien hoger beroep tegen het vonnis wordt ingesteld, is het tevens van belang dat de reconventie die hier aan de orde is samen met het hoger beroep in de andere zaak wordt behandeld. Onvoldoende gemotiveerd is dat de nadere behandeling een dergelijk uitstel niet kan lijden. Indien partijen of het hof dat te zijner tijd nodig vinden, zal opnieuw een mondelinge behandeling kunnen plaatsvinden.”
Standpunt URW
6.3.
URW wil dat haar vorderingen inhoudelijk in deze procedure worden behandeld. URW heeft aangevoerd dat de rechtbank in de Jumbo-procedure abusievelijk slechts op een deel van de reconventionele vorderingen heeft beslist. Feitelijk is URW dus voor de rest van die vorderingen een instantie ontnomen. URW heeft daarom haar reconventionele vorderingen opnieuw aan de rechtbank voorgelegd. Het voorlopig oordeel van de rechtbank is onjuist. Van niet-ontvankelijkheid is hier geen sprake omdat aan alle wettelijke eisen is voldaan. Juist de goede procesorde verzet zich tegen niet-ontvankelijkheid van de reconventionele vorderingen, gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie. URW heeft recht op een behandeling van haar vorderingen in twee feitelijke instanties en een rechterlijk oordeel daarover binnen een redelijke termijn. De Jumbo-procedure bij het hof zal naar verwachting nog in elk geval meer dan een jaar duren, terwijl URW al sinds oktober 2021 op een inhoudelijke behandeling van haar vorderingen wacht. Subsidiair verzoekt URW de reconventionele vorderingen voor bouwdeel Jumbo aan te houden en de overige reconventionele vorderingen alsnog in deze procedure te behandelen.
Standpunt BNB
6.4.
BNB sluit zich aan bij het voorlopig oordeel van de rechtbank over de reconventionele vorderingen. Zij wijst er samengevat op dat de vorderingen van URW bij de rechtbank in de Jumbo-procedure uitgebreid zijn besproken. BNB betwist dat de rechtbank daarop gedeeltelijk niet zou hebben beslist. De vorderingen liggen nu voor bij het hof in de Jumbo-procedure, zoals blijkt uit het arrest van het hof van 13 januari 2026. Van verlies van instantie is dus geen sprake. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich tegen het opnieuw bij de rechtbank aanbrengen van dezelfde vorderingen.
Beoordeling: URW is niet-ontvankelijk in haar vorderingen
6.5.
De rechtbank blijft bij haar voorlopig oordeel dat URW niet-ontvankelijk is in al haar reconventionele vorderingen. Ook haar subsidiaire standpunt wordt dus niet gevolgd. Niet in geschil is dat URW dezelfde reconventionele vorderingen al aan de rechtbank had voorgelegd in de Jumbo-procedure. Zij heeft daarop ook een beslissing gekregen. Dat zij het met die (afwijzende) beslissing en de motivering ervan niet eens is, betekent niet dat zij aan deze rechtbank kan vragen opnieuw naar dezelfde vorderingen te kijken. Daar is het hoger beroep voor bedoeld, wat zij ook heeft ingesteld. In zoverre heeft zij dus de mogelijkheid (gehad) om twee feitelijke instanties over haar vorderingen te laten oordelen. Als de rechtbank in de onderhavige procedure dezelfde vorderingen opnieuw zou beoordelen, krijgt URW er feitelijk een instantie bij. Ook van de beslissing van deze rechtbank staat dan vervolgens weer hoger beroep open. Die situatie acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Het beroep op de redelijke termijn van artikel 6 vanPro het EVRM [1] maakt dit niet anders. BNB heeft uitdrukkelijk naar voren gebracht dat de vorderingen van URW door de rechtbank in de Jumbo-procedure op de zitting zijn behandeld. URW heeft dit onvoldoende betwist. Haar vorderingen zijn dus door de rechtbank in de Jumbo-procedure inhoudelijk behandeld. Of in de Jumbo-procedure de behandeling van de vorderingen binnen een redelijke termijn wordt afgerond, zal verder in die procedure aan de orde moeten komen.
6.6.
URW is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van BNB in reconventie vergoeden. URW1 en URW2 zullen hoofdelijk in deze kosten worden veroordeeld. De proceskosten van BNB wordt begroot op:
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
_________
€ 8.892,00
7.De beslissing
De rechtbank
in conventie
7.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 februari 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder 5.1, daarna antwoordakte van beide partijen (zonder producties) op 25 februari 2026,
7.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
7.3.
verklaart URW niet ontvankelijk in haar vorderingen,
7.4.
veroordeelt URW1 en URW2 hoofdelijk in de proceskosten van € 8.892,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als URW niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.5.
veroordeelt URW1 en URW2 hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen in 7.4 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. J.T. Kruis en mr. J. Huber en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
Bijlage: vordering in reconventie URW (nummering zoals in haar Akte eiswijziging):
4. te verklaren voor recht dat URW ingevolge artikel 10.1 en 10.2 Aannemingsovereenkomst gerechtigd is tot het maximumbedrag aan kortingen op de aannemingssom dat URW ingevolge artikel 10.5 Aannemingsovereenkomst aan BNB kan opleggen wegens de door BNB veroorzaakte vertraging in de bouwdelen Fresh, Jumbo, Central Plaza en Kinepolis/Werk en het Project als zodanig;
5. BNB te veroordelen tot betaling van EUR 6.881.190, zijnde het maximumbedrag aan kortingen op de aannemingssom dat URW ingevolge artikel 10.5 Aannemingsovereenkomst aan BNB kan opleggen, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2020, althans vanaf de datum van oplevering van het Project, althans vanaf de datum van deze CvA Project, tot aan de dag der algehele voldoening;
6. te verklaren voor recht dat BNB ingevolge artikel 10.5 Aannemingsovereenkomst aansprakelijk is voor de door URW geleden schade als gevolg van de door BNB veroorzaakte vertraging in de bouwdelen Fresh, Jumbo, Central Plaza en Kinepolis/Werk en het Project als zodanig (bestaande uit door URW gederfde huurinkomsten en aan huurders toegekende schadevergoedingen en huurvrije perioden, alsmede overige schade), voor zover deze schade het totale kortingsbedrag dat door URW ingevolge artikel 10 Aannemingsovereenkomst aan BNB wordt opgelegd, overstijgt;
7. BNB te veroordelen tot betaling van de onder 6 bedoelde schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2020, althans vanaf de datum van oplevering van het Project, althans vanaf de datum van deze CvA Project, tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
8. te verklaren voor recht dat BNB aansprakelijk is voor de kosten die URW heeft gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte ex artikel 6:96 lid 2 onderPro b en c BW;
9. BNB te veroordelen tot betaling van de onder 8 bedoelde kosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van deze CvA Project tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
In conventie en reconventie
10. BNB te veroordelen tot betaling van primair de volledige kosten van dit geding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans subsidiair de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten vooraf (voorwaardelijk) te begroten op EUR 173,- zonder betekening, dan wel EUR 263,- in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis, dan wel, voor zover het gaat om de kosten van betekening van het vonnis, vanaf veertien dagen na die betekening,
een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.
Voetnoten
1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.