Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2660

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/3363
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:89 AwbArt. 8:91 AwbArtikel 3.3 APVArtikel 3.11 APV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering exploitatievergunning terras achterzijde restaurant niet onrechtmatig

Eiseres exploiteert een horecabedrijf en vroeg om een exploitatievergunning voor een terras aan de achterzijde van haar restaurant. De burgemeester verleende aanvankelijk een vergunning zonder terras en weigerde later de aanvraag voor het terras aan de achterzijde. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat het besluit onrechtmatig was en dat zij daardoor schade had geleden.

De burgemeester erkende dat het overgangsrecht van het bestemmingsplan van toepassing was, maar stelde dat een terras aan de achterzijde vanwege het woon- en leefklimaat niet wenselijk was. Eiseres had een omgevingsvergunning en exploitatievergunning voor een terras aan de voorzijde verkregen, waarbij zij afstand deed van het terras aan de achterzijde.

De rechtbank oordeelde dat de burgemeester geen onrechtmatig besluit had genomen, mede omdat het niet zeker is dat eiseres de vergunning voor het terras aan de achterzijde zou hebben gekregen gezien de bezwaren van omwonenden en het toetsingskader van de APV. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het terras aan de achterzijde is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3363

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

HAUT Horeca BV, uit [plaats] , eiseres

en

de burgemeester van Amsterdam, de burgemeester

(gemachtigde: mr. M. Mulder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om eiseres een terras aan de achterzijde van haar restaurant te weigeren. Eiseres is het hier niet mee eens en stelt schade te hebben geleden. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit en het verzoek om schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester geen onrechtmatig besluit heeft genomen
.Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres exploiteert [horeca] aan de [adres] . Op
19 september 2022 heeft de burgemeester aan eiseres een exploitatievergunning verleend zonder een terras. De aanvraag van eiseres om een administratieve wijziging van deze exploitatievergunning, om zo een terras aan de achterzijde te mogen exploiteren, is door de burgemeester op 16 juni 2023 geweigerd (het primaire besluit).
2.1.
Eiseres heeft op 17 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en heeft daarnaast op 27 maart 2024 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat eiseres het terras mag exploiteren aan de achterzijde van het restaurant. De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek op 25 april 2024 geschorst in afwachting van de beslissing op bezwaar.
2.2.
Met het bestreden besluit van 29 mei 2024 heeft de burgemeester het bezwaarschrift van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een schadevergoeding. Eiseres heeft daarbij haar verzoek om een voorlopige voorziening aangepast. De voorzieningenrechter heeft op 27 juni 2025 het verzoek afgewezen omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang. [1]
2.4.
De burgemeester heeft op het beroep en het verzoek om schadevergoeding gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de heer [persoon] namens eiseres en de gemachtigde van de burgemeester.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiseres zo dat zij stelt dat de burgemeester een onrechtmatig besluit heeft genomen. De burgemeester heeft eiseres met het primaire besluit van 16 juni 2023 geweigerd een exploitatievergunning te verlenen voor een terras aan de achterzijde van het restaurant. Hierdoor heeft de burgemeester volgens eiseres onrechtmatig gehandeld, omdat dit besluit in strijd is met het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Het restaurant van eiseres verloor hierdoor een cruciale bron van inkomsten in de zomer van 2023. Volgens eiseres is er hierdoor sprake van schade en heeft zij recht op een vergoeding daarvan. De schade bedraag volgens eiseres momenteel
€ 384.535,48. Dit komt door inkomstenderving, verlies van klantenbinding, verlies van investeringsmogelijkheden en overige extra kosten. Volgens eiseres bestaat er een causaal verband tussen het omzetverlies en het ontbreken van het terras aan de achterzijde van het restaurant toen het mooi weer werd.
Bevoegdheid
4. De burgemeester stelt zich wat betreft de schadevergoeding op het standpunt dat een inhoudelijke beoordeling op drie punten niet mogelijk is. Allereerst is er geen verzoekschrift tot schadevergoeding conform artikel 8:91, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Daarnaast is gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag de bestuursrechter niet bevoegd om over de schadevergoeding te oordelen (artikel 8:89, tweede lid van de Awb). Tot slot is ook niet onderbouwd welk deel van het gevorderde bedrag wel aan het oordeel van de bestuursrechter zou zijn onderworpen, zodat de burgemeester daarop geen verweer kan voeren.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar beroepschrift benoemt dat zij schade heeft geleden door het bestreden besluit, wat de hoogte is van de geleden schade en waarom er volgens haar sprake is van een onrechtmatig besluit. Eiseres wil dat de rechtbank het bestreden besluit inhoudelijk vernietigt, zodat vastgesteld wordt dat er een onrechtmatig besluit is genomen. Daarmee kan eiseres een vordering tot schadevergoeding instellen. Dit betekent dat er in deze procedure twee zaken gelijktijdig lopen: een beroepschrift dat ziet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een verzoek om schadevergoeding. Gelet op artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kan een verzoek om schadevergoeding worden ingediend bij de bestuursrechter gedurende het beroep dat gaat over het schadeveroorzakende besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zij bevoegd is om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
4.2.
Eiseres heeft op de zitting haar vordering beperkt tot € 25.000,-. Gelet op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is de bestuursrechter bevoegd het verzoek van eiseres inhoudelijk te behandelen. [2]
Is er sprake van een onrechtmatig besluit?
5. De burgemeester heeft in het bestreden besluit van 29 mei 2024 geconcludeerd dat dat ten tijde van het primaire besluit van 16 juni 2023 sprake was van overgangsrecht. De bezwaargrond van eiseres dat bij de weigering ten onrechte is uitgegaan van het ontbreken van overgangsrecht slaagde. De exploitatievergunning is nadien echter op verzoek van eiseres gewijzigd in een vergunning met een terras aan de voorzijde van het restaurant. De reden hiervoor was dat eiseres een omgevingsvergunning had verkregen voor een terras aan de voorzijde, onder de voorwaarde dat zij afstand zou doen van het terras aan de achterzijde. In het bestreden besluit is overwogen dat een terras aan de achterzijde met het oog op het woon- en leefklimaat niet wenselijk is. Dit is ook door het dagelijks bestuur van stadsgebied Weesp verwoord en door eiseres zelf bevestigd. De overige bezwaren van eiseres behoeven volgens de burgemeester om die redenen geen bespreking en het primaire besluit van
16 juni 2023 kan in stand blijven, onder de vaststelling dat eiseres in beginsel aanspraak had op het terras aan de achterzijde op grond van het overgangsrecht en dat zij van dat recht afstand heeft gedaan ten behoeve van de verkrijging van een omgevingsvergunning en exploitatievergunning voor een terras aan de voorzijde.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de burgemeester in het bestreden besluit heeft geconcludeerd dat eiseres ten tijde van het primaire besluit van 16 juni 2023 toch een beroep kon doen op het overgangsrecht van het bestemmingsplan voor een terras aan de achterzijde van het restaurant. De burgemeester overweegt echter ook dat op verzoek van eiseres een omgevingsvergunning is verleend voor een terras aan de voorzijde onder de voorwaarde dat eiseres afstand doet van het terras aan de achterzijde. Uit het bestreden besluit en hetgeen op zitting is besproken volgt dat zowel eiseres als de burgemeester liever hebben dat eiseres een terras aan de voorzijde van het restaurant exploiteert, omdat een terras aan de achterzijde niet wenselijk is gelet op het woon- en leefklimaat van omwonenden. De burgemeester heeft het bezwaar van eiseres gegrond geacht voor zover het bezwaar betrekking had op het deel van het primaire besluit dat zag op het overgangsrecht. Voor het overige is het primaire besluit in stand gebleven. De burgemeester heeft in het bestreden besluit niet geoordeeld dat eiseres recht had op een exploitatievergunning voor een terras aan de achterzijde.
5.2.
De rechtbank overweegt dat het nog maar de vraag is of eiseres een exploitatievergunning voor een terras aan de achterzijde van het restaurant had gekregen als de burgemeester van meet af aan het overgangsrecht van het bestemmingsplan had toegepast. Het overgangsrecht dat van toepassing is voor het terras aan de achterzijde ziet allereerst op de verlening van een omgevingsvergunning. De APV [3] regelt de verlening van exploitatievergunningen. De APV kent hiervoor een eigen toetsingskader. Weliswaar is strijd met het bestemmingsplan ook een weigeringsgrond in de APV [4] , maar in artikel 3.11 van de APV zijn ook andere weigeringsgronden opgenomen. Eén daarvan heeft betrekking op het woon- en leefklimaat [5] . In het bestreden besluit heeft de burgemeester benoemd dat een terras aan de achterzijde niet wenselijk is gelet op het woon- en leefklimaat. Op de zitting is met partijen besproken dat meerdere omwonenden hun zorgen hadden geuit over een terras aan de achterzijde van het restaurant ten tijde van de aanvraag. Het horecabedrijf van eiseres werd inmiddels al geëxploiteerd en er waren klachten over hinder en geluidsoverlast. Indien het overgangsrecht op grond van het bestemmingsplan was erkend gedurende de behandeling van de aanvraag, dan is het niet op voorhand te zeggen of eiseres ook de exploitatievergunning had gekregen. Daarbij komt dat die beoordeling waarschijnlijk tot nader onderzoek zou hebben geleid ten aanzien van de invloed van het terras op het
woon- en leefklimaat van omwonenden. Dit vergt tijd. Het is dan ook de vraag of het primaire besluit, dat ziet op het terras aan de achterzijde, voor het einde van de zomer van 2023 was genomen, voordat eiseres een omgevingsvergunning en exploitatievergunning toegekend kreeg voor een terras aan de voorzijde van het restaurant.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit. Als gevolg daarvan is er op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen aan eiseres. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3861.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081.
3.Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam.
4.Artikel 3.3 van de APV.
5.Artikel 3.11, tweede lid, van de APV.