Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2665

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11855898 \ CV EXPL 25-11781
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:162 BWArt. 7:218 lid 1 BWArt. 7:218 lid 2 BWArt. 7:218 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid huurder voor verergerde motorschade aan gehuurde camper

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen eiser en gedaagde waarbij gedaagde een camper huurde. Tijdens de huurperiode ontstonden motorproblemen die uiteindelijk leidden tot het volledig uitvallen van de motor. Eiser verving de motor en vordert van gedaagde vergoeding van de kosten.

De kantonrechter stelt vast dat de motor bij aanvang van de huur al beschadigd was, maar dat gedaagde door doorrijden de schade heeft verergerd. Gedaagde mocht niet vertrouwen op het advies van een lokale garage om door te rijden naar een andere garage, en had de hulpdienst opnieuw kunnen inschakelen of een sleepbedrijf kunnen bellen.

De vervangingskosten worden vastgesteld op € 10.181,39 inclusief btw, waarvan 40% voor rekening van gedaagde komt. Na verrekening van de borgsom moet gedaagde € 3.070,- betalen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedaagde is aansprakelijk voor verergering van motorschade en moet € 3.070,- aan eiser betalen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11855898 \ CV EXPL 25-11781
Vonnis van 26 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 augustus 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 21 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen, waarna daarvoor een dag is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn partner. Ook [gedaagde] is in persoon verschenen, vergezeld door haar partner. Partijen hebben hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan zittingsaantekeningen gemaakt, die in het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
[gedaagde] heeft van [eiser] een camper gehuurd. Tijdens de huurperiode ontstonden motorproblemen, waarna de motor uiteindelijk volledig uitviel. [eiser] heeft de motor vervangen en stelt [gedaagde] aansprakelijk voor de kosten daarvan. De kantonrechter oordeelt dat de motor al beschadigd was, maar dat [gedaagde] de schade heeft verergerd. [gedaagde] moet daarom een gedeelte van de vervangingskosten aan [eiser] betalen. Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling

Geen Ambtshalve toetsing
3.1.
[gedaagde] heeft via een verhuurplatform (Goboony) de Ford Transit camper (hierna: de camper) van [eiser] gehuurd voor de periode van 25 juni 2023 tot 2 juli 2023. Voor de huur is een huurovereenkomst gesloten, waarop algemene voorwaarden van toepassing zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter is de overeenkomst gesloten tussen twee consumenten. Uit de stukken blijkt namelijk dat [eiser] zijn camper maximaal drie keer per jaar voor een slechts korte periode verhuurt, de camper ook zelf gebruikt en dat hij door de (onderhouds)kosten van de camper haast niets overhoudt van de verhuur. Daarom wordt hij niet als handelaar maar als consument aangemerkt. Om die reden is ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen), niet nodig. De kantonrechter ziet daarnaast geen aanleiding om de Richtlijn “analoog” toe te passen.
De vordering
3.2.
Op 27 juni 2023, tijdens de huurperiode, zijn er problemen ontstaan met de motor van de camper. [gedaagde] reed op dat moment samen met haar partner op de snelweg in Frankrijk en heeft de camper langs de snelweg gezet. De camper is door een bergingsbedrijf weggesleept en langs een provinciale weg geplaatst. Omdat de hulpdienst van de verzekeraar van [eiser] (hierna: de hulpdienst) de camper alleen wilde ophalen op een bekend adres (een vereiste waaraan de locatie langs de provinciale weg niet voldeed), is [gedaagde] naar een autogarage 950 meter verderop gereden. Bij die garage kon [gedaagde] niet geholpen worden. Zij is daarom naar een Ford-garage gereden, op 14 kilometer afstand van de eerste garage. Ongeveer 500 meter voor de Ford-garage hield de motor er definitief mee op. De camper is vervolgens naar Nederland gebracht, waar bleek dat de motor niet meer gemaakt kon worden. [eiser] heeft de motor daarom laten vervangen.
3.3.
[eiser] vordert dat [gedaagde] € 10.090,08 (€ 11.090,08 minus € 1.000,- borg) betaalt voor het vervangen van de motor. Volgens [eiser] moet [gedaagde] die kosten betalen omdat zij met de camper is doorgereden terwijl er een motorstoring was, waardoor de motor onbruikbaar is geworden. Dat is volgens [eiser] onrechtmatig. Als [gedaagde] niet was doorgereden had de motor gemakkelijk hersteld kunnen worden, zo stelt [eiser] . [gedaagde] betwist dat zij aansprakelijk is voor de vervangingskosten. De motor was volgens haar al defect en de hulpdienst was slecht bereikbaar en wilde haar niet helpen. Omdat een lokale monteur heeft geadviseerd om naar de dichtstbijzijnde Ford-garage te rijden, heeft zij dat gedaan. [gedaagde] mocht daarop vertrouwen en heeft dus zorgvuldig gehandeld, aldus [gedaagde] .
Het wettelijke kader
3.4.
Om te beoordelen of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade aan de motor moet beoordeeld worden of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, waardoor zij schade heeft veroorzaakt. Hoewel [eiser] de vordering baseert op onrechtmatigde daad (artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)), zal dus beoordeeld worden of sprake is van wanprestatie (artikel 6:74 BW Pro).
3.5.
In de wet staat dat een huurder aansprakelijk gesteld kan worden voor schade aan een gehuurde zaak (zoals in dit geval de camper) als de schade is ontstaan doordat hij zijn verplichting(en) uit de huurovereenkomst niet is nagekomen (artikel 7:218 lid 1 BW Pro). Om te bepalen of dat zo is, kent de wet een zogenaamd bewijsvermoeden. Dat betekent (in dit geval) dat als de schade
tijdensde huurperiode is ontstaan, vermoed wordt dat de schade is veroorzaakt door een tekortkoming van de huurder (artikel 7:218 lid 2 BW Pro). Er zal dus beoordeeld moeten worden of de schade tijdens de huur is ontstaan.
3.6.
Om dat te beoordelen moet eerst worden vastgesteld wat de staat van de camper was bij de start van de huur. Ook daarvoor kent de wet bewijsvermoedens. Zo bepaalt de wet dat de huurder vermoed wordt het gehuurde in onbeschadigde staat te hebben ontvangen (7:218 lid 3 BW), waarbij wel geldt dat indien er vooraf geen beschrijving van het gehuurde is gemaakt, wordt vermoed dat de staat van het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst hetzelfde is als bij het begin van de huurovereenkomst (artikel 7:224 lid 2 BW Pro). Tegen die vermoedens kan tegenbewijs geleverd worden.
Schade aan de motor bij uitval op de snelweg
3.7.
[gedaagde] heeft bij de start van de huur een formulier (Go-Form) over de staat van de camper ingevuld, dat door beide partijen is ondertekend. Er is dus een beschrijving gemaakt van de staat van de camper, maar partijen zijn het erover eens dat op het formulier niets is vermeld over de staat van de motor. Omdat vooraf geen beschrijving is gemaakt van de staat van de motor, wordt dus vermoed dat de staat van de motor toen [gedaagde] de camper ging huren gelijk is aan de staat van de motor toen zij deze heeft ingeleverd.
3.8.
Het is vervolgens aan [eiser] om te stellen dat de staat van de motor bij aanvang van de huur een andere was dan de staat bij inleveren van de camper. Daarin is [eiser] geslaagd. Het staat vast dat de motor aan het begin van de reis naar Frankrijk nog geen problemen vertoonde en dat daarmee nog honderden kilometers is gereden, terwijl bij inlevering van de camper verder rijden onmogelijk was. Om die reden kan [eiser] zich alsnog beroepen op het bewijsvermoeden dat de schade wordt vermoed te zijn ontstaan door een tekortkoming van de huurder.
3.9.
De huurder kan dit bewijsvermoeden wel ontzenuwen. [gedaagde] heeft verklaard dat de camper, tot het moment dat de motor op de snelweg uitviel, op een normale manier is gebruikt. Zo reed zij met de camper op de rechterbaan met een snelheid van 100 kilometer per uur. Van incidenten die een motorstoring hebben kunnen veroorzaken was volgens [gedaagde] geen sprake. Dat gebruik is door [eiser] niet weersproken en staat dus vast. Van een tekortkoming van [gedaagde] die heeft geleid tot de motorstoring op de snelweg is daarom niet gebleken.
3.10.
De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de motor al in zekere mate beschadigd was toen de camper door [gedaagde] werd opgehaald en dat daardoor de motor op de snelweg is uitgevallen. Volgens [eiser] klopt dat niet, omdat de camper één week voor de start van de huur een grote beurt heeft gehad en door de APK-keuring is gekomen. Maar bij zo’n keuring wordt alleen gekeken of de motor werkt en aan de vastgestelde eisen voldoet. De technische staat van de motor wordt daarbij niet gecontroleerd. [eiser] heeft verder een onderzoeksrapport overgelegd, maar ook daaruit blijkt onvoldoende wat de staat van de motor was bij aanvang van de huur. Het rapport beschrijft in algemene bewoordingen wat de staat van de motor was op het moment van onderzoek (dus na het einde van de huurovereenkomst) en wat de mogelijke oorzaken van de toen bestaande motorproblemen zijn. Wat precies de oorzaak is van het oorspronkelijke motorprobleem, blijkt uit het rapport onvoldoende.
3.11.
Daarom is komen vast te staan dat de motor beschadigd was toen [gedaagde] de motor ging huren. [gedaagde] kan dus niet aangesproken worden voor de schade aan de motor, zoals die bestond op het moment dat de motor uitviel toen zij op de snelweg reed. Dit betekent dat [eiser] in ieder geval een deel van de vervangingskosten moet betalen. Dat die kosten maximaal € 848,- zouden zijn, omdat de motorproblemen zoals die zich voordeden op de snelweg opgelost konden worden door een verstuiver te vervangen, wordt niet gevolgd. Dat is door [gedaagde] namelijk betwist en door [eiser] onvoldoende onderbouwd.
Doorrijden met de camper
3.12.
Hoewel de motor aan het begin van de huurperiode al beschadigd was, is de schade tijdens de huurperiode erger geworden. De motor deed het na de motorproblemen op de snelweg nog goed genoeg om er (stapvoets) ongeveer 950 meter mee naar de eerste garage te rijden, maar is er volledig mee opgehouden nadat [gedaagde] ongeveer veertien kilometer naar de tweede garage is gereden. De schade is dus verergerd tijdens de huurperiode. Daarom wordt vermoed dat de uiteindelijke schade deels is veroorzaakt doordat [gedaagde] de afspraken van de huurovereenkomst niet goed is nagekomen. Zij had als goed huurder namelijk de plicht om te voorkomen dat de schade erger zou worden (schadebeperkingsplicht).
3.13.
Tegen dat vermoeden heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende ingebracht. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd waarom zij mocht uitgaan van het kennelijke advies van de lokale garage om door te rijden naar een andere garage, temeer omdat [gedaagde] ook heeft verklaard dat de lokale garage feitelijk geen tijd had om haar te helpen. Daarnaast wordt haar stelling dat niet verwacht kon worden dat zij de hulpdienst nog een keer zou bellen, niet gevolgd. [gedaagde] stond namelijk op een bekend adres, wat een vereiste was van de hulpdienst om haar verder te helpen. Daarnaast heeft [gedaagde] niet weersproken dat de motorproblemen ontstonden rond 11:00 uur en dat zij rond 13:30 uur bij de eerste garage stond. Van onredelijk lange wachttijden en een volledig verloren vertrouwen is, anders dan [gedaagde] stelt, dan ook onvoldoende gebleken. Bovendien had [gedaagde] ook zelf een sleepbedrijf kunnen bellen. Dat heeft zij namelijk wel gedaan toen de camper volledig uit viel.
3.14.
Omdat de schade aan de motor door [gedaagde] is verergerd moet zij meebetalen aan de vervangingskosten. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn die kosten, anders dan [gedaagde] stelt, niet beperkt tot de hoogte van het eigen risico (€ 1.000,-). Artikel 7.2. van de algemene voorwaarden, waarin de beperking van de aansprakelijkheid is geregeld, bepaalt dat de aansprakelijkheidsbeperking niet geldt als de schade door opzet of bewuste roekeloosheid van de huurder is ontstaan. [gedaagde] heeft ondanks de motorproblemen toch met de camper doorgereden en dat is naar het oordeel van de kantonrechter bewust roekeloos. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat doorrijden met een beschadigde motor de motor verder en onherstelbaar kan beschadigden.
De kosten van de vervangende motor
3.15.
[eiser] heeft twee facturen overgelegd van het vervangen van de motor. Die facturen bedragen in totaal € 11.090,08. Volgens [gedaagde] staan er op de facturen ook kostenposten die niets met het vervangen van de motor te maken hebben. [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat op één van de twee facturen inderdaad andere kosten zijn vermeld. De kosten van de ruitenwisserzeem, het ruitenwisserblad, het breedtelicht, de accu en de motorsteun (samen € 525,19 inclusief btw) vallen volgens hem niet onder de vervangingskosten van de motor. De kosten van de APK, het werkplaatstarief en de btw moet volgens [eiser] wel door [gedaagde] worden betaald. De kantonrechter oordeelt dat de vervangingskosten € 10.181,39 inclusief btw bedragen. Dat wordt hierna toegelicht.
3.16.
Op de factuur met nummer [nummer 1] is een bedrag van € 1.854,98 inclusief btw vermeld. Voor € 525,19 bestaat dat bedrag uit de kosten die geen verband houden met de motorschade (zie hiervoor). Die kosten vallen niet onder de vervangingskosten. Ook de daarmee gemoeide werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het werkplaatstarief zal daarom worden verminderd met, naar begroot, € 80,00 inclusief btw. De kosten van de APK-keuring vallen naar het oordeel van de rechter wel onder de vervangingskosten. Een vervangende motor moet namelijk gekeurd worden voordat deze gebruikt kan worden. Die kosten hebben dus te maken met de vervanging. Dit betekent dat op deze factuur € 1.249,79 inclusief btw aan vervangingskosten zijn vermeld.
3.17.
Op de factuur met nummer [nummer 2] is een bedrag van € 9.235,10 inclusief btw vermeld. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan € 303,50 inclusief btw voor andere werkzaamheden dan het vervangen van de motor. Op de factuur staan namelijk ook € 253,50 inclusief btw aan kosten betreffende de airco vermeld. Een klein deel van het werkplaatstarief valt daarom evenmin onder de vervangingskosten en wordt begroot op € 50,00 inclusief btw. Dit betekent dat op deze factuur € 8.931,60 inclusief btw aan vervangingskosten is vermeld.
3.18.
De kantonrechter acht een verdeling van 60% van de kosten voor [eiser] tegenover 40% van de kosten voor [gedaagde] redelijk. Bij de verdeling van de kosten heeft de kantonrechter meegewogen welk aandeel partijen hebben gehad in de schade aan de motor, dat [eiser] de motor heeft laten vervangen door een tweedehandsmotor en dat die motor minder kilometers op de teller heeft dan de vorige motor. Dat betekent dat [gedaagde] (afgerond) € 4.070,- aan [eiser] moet betalen. Omdat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 1.000,- aan borg heeft betaald, zal zij veroordeeld worden om € 3.070,- aan [eiser] te betalen. [eiser] heeft de borg namelijk nog niet terugbetaald, waardoor [gedaagde] de borg met de vordering kan verrekenen.
De proceskosten
3.19.
[eiser] vordert verder dat [gedaagde] de proceskosten betaalt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd, omdat zij over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.070,-,
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling onder 4.1. uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 26 februari 2026.
64183