ECLI:NL:RBAMS:2026:2741
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en parkeerplaats zonder schending motiveringsbeginsel
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stelde de WOZ-waarde van een woning en een parkeerplaats vast voor het kalenderjaar 2023. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling, waarna de WOZ-waarde van de woning werd verlaagd van €2.121.000,- naar €2.057.000,- en de parkeerplaats van €56.000,- naar €47.000,-. Eiser stelde beroep in tegen deze gewijzigde waardes.
De rechtbank constateerde dat er geen bezwaar was tegen de WOZ-waarde van de parkeerplaats, die reeds was aangepast conform het voorstel van eiser. Het geschil betrof uitsluitend de WOZ-waarde van de woning. Eiser voerde aan dat de bestreden uitspraak onvoldoende was gemotiveerd en dat niet alle relevante stukken waren overgelegd. De rechtbank oordeelde dat de motivering voldoende was en dat de heffingsambtenaar niet verplicht was alle gevraagde stukken te overleggen.
Eiser bracht een eigen taxatierapport in met een lagere waarde, maar de rechtbank vond de vergelijkingsobjecten daarin minder geschikt vanwege verschillen in ligging, oppervlakte en het ontbreken van de wortelformule. De taxatierapporten van de heffingsambtenaar waren gebaseerd op vergelijkingsobjecten die voldoende vergelijkbaar waren en recent waren verkocht. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde van €2.057.000,- voldoende was onderbouwd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.