4.3.1.Feit 1 – handel in verdovende middelen:
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 23 april 2024, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft schuldig gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne en MDMA.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een kortere pleegperiode bewezen dan is tenlastegelegd, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte eerder dan 11 oktober 2023 heeft gehandeld in verdovende middelen. Uit de omstandigheid dat verdachte heeft betaald voor de oprichting van [bedrijf] B.V., hij beschikking heeft gehad over bankpassen van dat bedrijf en hij daarmee geldbedragen heeft opgenomen, volgt weliswaar dat verdachte ook daarvoor reeds betrokken was bij [bedrijf] B.V., maar hieruit volgt niet dat verdachte ook toen al betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Te meer nu uit het dossier aanwijzingen naar voor komen dat ook andere personen gebruik hebben gemaakt van [bedrijf] B.V. als dekmantelbedrijf. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de handel in verdovende middelen in de periode van 1 februari 2023 tot en met 10 oktober 2023.
4.3.2.Feit 2 – witwassen:
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier vast dat [bedrijf] B.V. geen daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid en uitsluitend is opgericht als dekmantelbedrijf. Op de bankrekeningen van het bedrijf zijn uit misdrijf verkregen inkomsten binnen gekomen. Ook stonden meerdere voertuigen op naam van [bedrijf] B.V. geregistreerd die niet voor de bedrijfsvoering werden gebruikt. Zo was het bedrijf geregistreerd als een taxibedrijf, maar stonden de voertuigen met kentekens [kenteken 2], [kenteken 3], [kenteken 4], [kenteken 5] en [kenteken 6], niet geregistreerd als taxi’s. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat deze voertuigen op naam van het bedrijf zijn gezet om te verhullen wie de werkelijke rechthebbenden daarvan zijn.
Bewezenverklaring van de voertuigen met kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van de voertuigen met de kentekens: [kenteken 2] en [kenteken 3]. Verdachte heeft, zoals in rubriek 4.3.1. is vastgesteld, in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 23 april 2024 gehandeld in verdovende middelen, waarbij hij heeft gebruikgemaakt van de bankrekeningen van [bedrijf] B.V. en deze bankrekeningen heeft gevoed via die handel. Verdachte is actief betrokken geweest bij het bedrijf. Ook wist hij dat het bedrijf een dekmantel was. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, de rechtspersoon en een of meer anderen die aan het bedrijf waren verbonden
Gelet hierop komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het witwassen van de voertuigen met kentekens [kenteken 2] en [kenteken 3]. Deze voertuigen zijn overgedragen, dan wel aangekocht binnen de periode waarin verdachte actief heeft gehandeld in verdovende middelen.
Bewezenverklaring van het voertuig met kenteken [kenteken 7]
De rechtbank stelt vast dat het voertuig met het kenteken [kenteken 7] op naam staat van verdachte en dat daarvan niet kan worden vastgesteld dat deze afkomstig is uit een specifiek misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf' kan als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Allereerst moeten door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als sprake is van een vermoeden van witwassen mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is.
Vervolgens ligt het, als verdachte zo’n verklaring heeft gegeven, op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van verdachte het witwassen kan worden bewezen op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Het voertuig met het kenteken [kenteken 7] is op 18 april 2024 aangeschaft, binnen de periode waarin verdachte heeft gehandeld in verdovende middelen en binnen een periode waarover verdachte heeft verklaard dat hij het financieel gezien niet breed had. Op grond daarvan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het voertuig uit enig misdrijf afkomstig is. Dat maakt dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voertuig niet van misdrijf afkomstig is. Een dergelijke verklaring is uitgebleven, zodat geen andere conclusie mogelijk is dan dat het voertuig uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het witwassen van het voertuig met het kenteken [kenteken 7].
Vrijspraak van de voertuigen met kentekens [kenteken 4], [kenteken 5], [kenteken 6] en [kenteken 8]
Uit het dossier volgt dat het voertuig met kenteken [kenteken 4] is aangekocht op 17 januari 2023. Deze aankoopdatum valt buiten de periode waarin verdachte actief heeft gehandeld in verdovende middelen, zodat hij niet als medepleger van het witwassen van dit voertuig kan worden aangemerkt. Verdachte wordt hier daarom van vrijgesproken.
Verdachte zal ook worden vrijgesproken van het witwassen van de voertuigen met de kentekens [kenteken 5] en [kenteken 6], omdat uit het dossier niet blijkt wanneer deze voertuigen zijn aangekocht dan wel zijn overgedragen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte als medepleger bij het witwassen betrokken was.
Het voertuig met kenteken [kenteken 8] is aangekocht op 16 mei 2019. Dat is voorafgaand aan de tenlastegelegde periode, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte zich ten aanzien van dit voertuig heeft schuldig gemaakt aan witwassen. Verdachte zal ook hiervan worden vrijgesproken.
Vrijspraak van goednummers 6492595, 6492602 en 6492606
Nu het Openbaar Ministerie op 25 maart 2025 heeft besloten de goederen met goednummers 6492595, 6492602 en 6492606 terug te geven aan [rechthebbende], de partner van verdachte, en uit het dossier verder niet blijkt dat verdachte deze goederen heeft witgewassen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van deze tenlastegelegde goederen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit.