ECLI:NL:RBAMS:2026:2810

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
784054
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:248 BWArt. 8.16 WVO 2020Art. 8.8 Uitvoeringsbesluit WVO 2020Leerplichtwet 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

School mag leerling verplichten deel te nemen aan Zomerschool tijdens vakantie

De zaak betreft een kort geding waarin de vader van een leerling, die in klas 4 VWO zit, de school verbiedt om zijn kind te verplichten deel te nemen aan de Zomerschool, die deels in de zomervakantie plaatsvindt. De Zomerschool is onderdeel van het bevorderingsbeleid van de school en is bedoeld om leerlingen die anders zouden blijven zitten, extra ondersteuning te bieden.

De vader stelt dat de verplichting tot deelname aan de Zomerschool geen wettelijke grondslag heeft, in strijd is met de Wet Voortgezet Onderwijs 2020, de Leerplichtwet 1969 en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De school voert aan dat zij binnen haar zorgplicht en beleidsvrijheid handelt en dat deelname aan de Zomerschool proportioneel is.

De voorzieningenrechter volgt de stellingen van de vader niet. De school mag op grond van het schoolreglement en binnen de wettelijke kaders verplichtingen opleggen bij onvoorwaardelijke bevordering. De deelname aan de Zomerschool is een redelijke invulling van de zorgplicht en de periode van acht dagen is proportioneel. Ook is er een uitzondering voor noodgevallen en geen overtreding van de Leerplichtwet.

De vorderingen van de vader worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is mondeling gedaan en schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verbod af en bevestigt dat de school een leerling mag verplichten deel te nemen aan de Zomerschool tijdens de vakantie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/784054 / KG ZA 26-139 SP/BB
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 16 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.F.B.M. Peeters,
tegen
[school],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de School,
gemachtigde: mr. C.P.F. France.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. B.P.W. Busch als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] met mr. Peeters;
- aan de zijde van de School: drs. [naam] ( [functie] ) met mr. France.

1.De procedure

1.1.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. De School heeft dat gedaan aan de hand van een voorafgaand aan de zitting ingediend verweerschrift. [eiser] heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 17 maart 2026 aan partijen is afgegeven.

2.De inleiding

2.1.
[eiser] is de vader van [minderjarige] , die in klas 4 VWO van de School zit.
2.2.
De School organiseert als onderdeel van haar bevorderingsbeleid elk jaar een zogenoemde Zomerschool om leerlingen die volgens de regels zouden blijven zitten toch over te laten gaan. De Zomerschool vindt plaats op de twee laatste dagen van het schooljaar (donderdag en vrijdag), de aansluitende weekenddagen en de dinsdag tot en met vrijdag van de eerste week van de zomervakantie (in totaal dus op acht dagen).
2.3.
In het schoolreglement is onder artikel 13.5 over de Zomerschool het volgende opgenomen:
‘Bij een onvoorwaardelijke bevordering kan de docentenvergadering wanneer de prestaties daar aanleiding toe geven, ter ondersteuning voor een of twee vakken extra leer- of maakwerk aan de leerling opdragen voor in de zomervakantie. Wanneer de
school hier ondersteuning bij aanbiedt, is de leerling verplicht daarvan gebruik te maken, behoudens zwaarwegende omstandigheden.’
2.4.
[minderjarige] heeft, onder protest van [eiser] , bij zijn overgang van 3 VWO naar 4 VWO deelgenomen aan de Zomerschool.
2.5.
[eiser] vordert, samengevat, om de School op straffe van een dwangsom te verbieden [minderjarige] te verplichten aanwezig te zijn bij lessen tijdens de wettelijk of door de School vastgelegde schoolvakanties en consequenties te verbinden aan afwezigheid bij die lessen, met veroordeling van de School in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
2.6.
De School voert verweer.
2.7.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Ter beoordeling staat of het de School vrijstaat om [minderjarige] te verplichten deel te nemen aan de Zomerschool, die deels plaatsvindt in de zomervakantie.
Volgens artikel 13.5 van het schoolreglement van de School mag de School bij een onvoorwaardelijke bevordering van een leerling die verplichting opleggen.
3.2.
[eiser] meent dat de School dit niet verplicht kan stellen. Daartoe voert hij aan dat
de verplichting om de volgende redenen niet rechtsgeldig kan worden opgelegd:
  • een onvoorwaardelijke bevordering met een dergelijke verplichting kent geen grondslag in de wet;
  • een verplichting tot aanwezigheid in de zomervakantie is in strijd met de regels en het systeem van de Wet Voortgezet Onderwijs 2020 (WVO 2020) en het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, de Leerplichtwet 1969 en de bedoeling van de wetgever dat schoolvakanties daadwerkelijk vrije tijd zijn;
  • de Zomerschool in de huidige vorm is in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro) en de betamelijkheidsnorm (artikel 6:162 BW Pro).
3.3.
Volgens [eiser] handelt de School in strijd met de zogenoemde fictieve onderwijsovereenkomst, dan wel onrechtmatig door de verplichting tot het volgen van de Zomerschool (in potentie) op te leggen. [minderjarige] heeft dit in de zomervakantie van 2025 al (onterecht) ondervonden. Hoewel hij er nu goed voor staat, bestaat een risico dat de School hem komende vakanties hieraan weer onderwerpt. Dat wil [eiser] voorkomen.
3.4.
De voorzieningenrechter volgt het standpunt van [eiser] niet. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.5.
Veronderstellenderwijs gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eiser] voldoende (spoedeisend) belang bij zijn vordering heeft. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat de Zomerschool dit jaar niet in zijn deel van de vakantie valt, maar in die van zijn ex-echtgenote (de moeder van [minderjarige] ), onduidelijk is hoe de moeder van [minderjarige] ten opzichte van deze vordering staat en [minderjarige] op dit moment voor alle vakken voldoende staat.
3.6.
De School stelt terecht voorop dat op haar een zorgplicht rust om voor goed onderwijs te zorgen. Het programma dat de School biedt met de Zomerschool vormt onderdeel van het bevorderingsbeleid, dat de School in samenspraak met de Medezeggenschapsraad (waarin ook ouders zijn vertegenwoordigd) heeft opgesteld. In beginsel is het niet in het belang van de leerling om te blijven zitten. Daarom heeft de School voor grensgevallen, die volgens de regels zouden blijven zitten, maar wel het vertrouwen van de School krijgen dat zij het volgende jaar kunnen redden, de Zomerschool mogelijk gemaakt. De extra begeleiding die de Zomerschool biedt geeft de leerling een steviger basis om het volgende jaar met succes te volgen. Bij het vormgeven van het bevorderingsbeleid komt de School – binnen de wettelijke kaders – grote beleidsvrijheid toe.
3.7.
Vast staat dat het in artikel 13.5 van het schoolreglement – net als bij de bevordering van [minderjarige] in het jaar 2025 van 3 naar 4 VWO – gaat om een onvoorwaardelijke bevordering. Uit het feit dat artikel 8.16 WVO 2020, uitgewerkt in artikel 8.8 Uitvoeringsbesluit WVO 2020, bepaalt dat aan een bevordering voorwaarden kunnen worden gesteld (
voorwaardelijkebevordering), kan nog niet worden afgeleid dat aan een
onvoorwaardelijkebevordering in bepaalde gevallen – bij zwakke leerlingen die nog van extra begeleiding kunnen profiteren – geen verplichtingen kunnen worden gekoppeld. Het is juist in het belang van deze leerlingen en ter uitvoering van de zorgplicht van de School om dit wel te doen. Van een tekortkoming of onrechtmatigheid aan de zijde van de School is dus geen sprake.
3.8.
Ook het standpunt van [eiser] dat de Zomerschool in strijd is met de Leerplichtwet wordt verworpen. Het feit dat de lesuren zijn genormeerd maakt nog niet dat de School in het kader van genoemde zorgplicht geen verplichtingen in vastgestelde vakantie-uren mag opleggen. Dit geeft de School geen vrijbrief, maar de invulling die de School hieraan met de Zomerschool geeft is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, proportioneel. Het gaat maar om acht dagen, de periode van de Zomerschool is tijdig (begin van het jaar) aan de ouders bekend gemaakt en aan de hand van de prestaties van hun kind kunnen ouders zelf inschatten of er een risico op deelname aan de Zomerschool aanwezig is en hun vakantieplannen daarop afstemmen. Bovendien bevat artikel 13.5 van het schoolreglement voor noodgevallen een uitzonderingsmogelijkheid. Het is niet zo, zoals [eiser] heeft gesteld, dat het verplichten van deelname aan de Zomerschool alleen met toestemming van de ouders kan.
Verder staat onbetwist vast dat het niet bijwonen van de Zomerschool volgens de School ook geen overtreding van de Leerplichtwet oplevert. Mocht het om wat voor reden niet mogelijk zijn de Zomerschool bij te wonen dan zal door de School worden gezocht naar een andere mogelijkheid om het niveau van de leerling op te krikken.
3.9.
In de gegeven omstandigheden handelt de School met de regel over de Zomerschool ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid of maatschappelijke betamelijkheid. Op dit moment is een deelname van [minderjarige] aan de Zomerschool 2026 of 2027 niet aan de orde, dus valt niet in te zien dat de School in zijn geval een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt.
3.10.
Gelet op het voorgaande zijn de vorderingen niet toewijsbaar.
3.11.
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van de School worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris gemachtigde 588,50
- nakosten
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 1.512,50

4.De beslissing

4.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.512,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening, als [eiser] niet tijdig tot betaling overgaat en deze uitspraak daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.