ECLI:NL:RBAMS:2026:2864

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/13/784004 / FA RK 26/1632
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 WzdArt. 37 WzdArt. 38 WzdArt. 39 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling bij dementie

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, een cliënt met dementie van het gemengde type Alzheimer en vasculaire dementie. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 maart 2026, waarbij de arts, specialist ouderengeneeskunde, de raadsman en de dochter van betrokkene werden gehoord.

De arts gaf aan dat betrokkene geen fysiek verzet meer vertoont en dat verlenging van de inbewaringstelling niet langer noodzakelijk is. Betrokkene heeft verminderd ziekte-inzicht en uitte verbaal de wens om naar huis te gaan, maar toonde geen gedragingen die duiden op weg willen gaan of ontsnappen. De dochter gaf aan dat thuiszorg niet meer mogelijk was vanwege valincidenten en zelfzorgproblemen. De huidige verblijfplaats is tijdelijk, met het oog op een toekomstige verhuizing dichter bij familie.

De raadsman verzocht afwijzing van het verzoek omdat betrokkene geen verzet meer toont. De rechtbank oordeelde dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor voortzetting van de inbewaringstelling en wees het verzoek af. De beschikking werd op 2 maart 2026 mondeling gegeven en op 13 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt.

Uitkomst: Verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van noodzaak en verzet.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/784004 / FA RK 26/1632
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
Beschikking van 2 maart 2026naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1937,
wonende te [woonplaats] , [adres 1] ,
verblijvende te [verblijfplaats] , [adres 2] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.M.J.H. Coumans te Amsterdam-Duivendrecht,
zorgaanbieder: Amstelring, locatie [locatie] .

1.Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 26 februari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 2 maart 2026, in het gebouw van de zorgaanbieder. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsman;
- mw. [persoon 1] , arts;
- dhr. [persoon 2] , specialist ouderengeneeskunde;
- de dochter van betrokkene.

2.Beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 37 Wzd Pro in samenhang gelezen met artikel 38 en Pro artikel 39 Wzd Pro kan de rechter op verzoek van het CIZ met betrekking tot een cliënt een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze cliënt op grond van artikel 29 lid 1 en Pro 2 Wzd een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de cliënt het gevolg is van zijn psychogeriatrische aandoening, te weten dementie van het gemengde type de ziekte van Alzheimer en vasculaire dementie.
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling licht de arts toe dat er geen fysiek verzet wordt gezien en geen noodzaak meer is voor het verlengen van de inbewaringstelling. Betrokkene heeft verminderd ziekte inzicht. Als er wordt doorgevraagd geeft betrokkene uiteindelijk aan dat hij naar huis wil, maar dat is alleen verbaal als er naar gevraagd wordt. Er zijn geen tekenen van weg willen gaan of ontsnappen.
De dochter van betrokkene heeft aangegeven dat het thuis niet meer ging. Betrokkene was gevallen en kon zelf geen eten meer maken. De accommodatie waar betrokkene nu is, is tijdelijk. Het verzoek is om betrokkene daarna dichterbij familie te laten verblijven in Noord-Holland.
De raadsman heeft verzocht om afwijzing omdat er geen sprake meer is van verzet.
2.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, nu geen noodzaak meer wordt gezien tot voortzetting van de inbewaringstelling, niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om de inbewaringstelling voort te zetten. Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoekt tot voortzetting van de inbewaringstelling af.
Deze beschikking is op 2 maart 2026 mondeling gegeven door mr. H.C. Hoogeveen, rechter, en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 13 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open
.