ECLI:NL:RBAMS:2026:2870

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AMS 26/351 en AMS 25/5683
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen cliëntenstop en beëindiging persoonsgebonden budgetten

Eiseres, een zorgaanbieder, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen de invoering van een cliëntenstop en de beëindiging van persoonsgebonden budgetten (pgb’s) door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Tevens werd verzocht om hernieuwde erkenning als zorgbieder en het hervatten van betalingen vanaf juli 2025.

Tijdens de zitting gaf eiseres aan dat zij heeft besloten niet langer met pgb-activiteiten door te gaan, waardoor het procesbelang voor de toekomst ontbreekt. Ook voor het verleden werd geen belang meer gesteld. De voorzieningenrechter concludeerde dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling en besloot daarom ook op het beroep zelf.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Hierdoor werd de zaak niet inhoudelijk beoordeeld. Eiseres kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/351 (voorlopige voorziening) en AMS 25/5683 (beroep)

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van11 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Kliniek [naam ] B.V. handelend onder de naam [naam ], uit [plaats] , eiseres/ verzoekster (eiseres)
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres tegen de invoer van een cliëntenstop voor Kliniek [naam ] en beëindiging van persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
1.1.
Met het besluit van 7 april 2025 heeft verweerder kenbaar gemaakt een cliëntenstop in te voeren voor Kliniek [naam ] en pgb’s te beëindigen. Met het bestreden besluit van 1 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [persoon] als maatschappelijk werker en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
4. Eiseres verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de cliëntenstop en de beëindiging van de pgb’s worden opgeschort, totdat op het beroep is beslist. Verder verzoekt zij de voorzieningenrechter te beslissen dat verweerder haar opnieuw als zorgbieder erkent. Daarnaast verzoekt zij dat de indicaties van de cliënten met ingang van juli 2025 opnieuw worden erkend en dat de bijbehorende betalingen alsnog worden hervat.
5. Eiseres heeft op 6 februari 2025 per e-mail aan verweerder laten weten dat zij heeft besloten om niet langer door te gaan met pgb’s. Op zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat [naam ] nog wel bestaat maar dat eiseres niet meer verder wil met pgb- activiteiten. Dat betekent dat er voor de toekomst geen procesbelang meer is. Ook voor het verleden heeft eiseres niets aangevoerd dat maakt dat zij nog een belang heeft bij deze procedure.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is het verzoek om een voorlopige voorziening ook niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026 door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.