ECLI:NL:RBAMS:2026:2871

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AMS 26/1091
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen nieuwe opvanglocatie voor vluchteling met PTSS

Verzoeker, een Iraanse man met bescherming op grond van de Tijdelijke Bescherming voor vluchtelingen uit Oekraïne, verzoekt de rechtbank om een voorlopige voorziening tegen zijn toewijzing aan een nieuwe opvanglocatie. Hij kampt met ernstige mentale klachten zoals PTSS, depressie en slaapstoornissen, en vreest dat zijn situatie verslechtert door de verhuizing naar een locatie met gedeelde voorzieningen.

De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang vanwege de onzekere verblijfssituatie van verzoeker, maar ziet geen aanleiding om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven. De rechtbank benadrukt dat verweerder eerst het bezwaar volledig moet heroverwegen en alle medische gegevens integraal moet betrekken.

Na een zorgvuldige belangenafweging weegt het belang van verweerder, die terughoudend wil zijn met uitzonderingen op standaardopvang vanwege beperkte capaciteit, zwaarder dan het belang van verzoeker. De medische stukken tonen niet overtuigend aan dat verblijf op de nieuwe locatie onaanvaardbaar is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de toewijzing aan een nieuwe opvanglocatie wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1091

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. H. Kras en [persoon] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de verhuizing van verzoeker naar een nieuwe opvanglocatie. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van betaling van griffierecht. Dit verzoek wordt toegewezen.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 4 februari 2026 heeft verweerder verzoeker geïnformeerd over zijn nieuwe opvanglocatie: de [adres 1]
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, M. Abdi als tolk in de taal Farsi en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

Relevante feiten en omstandigheden
3. Verzoeker is een Iraanse man aan wie bescherming is verleend op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor vluchtelingen uit Oekraïne. Hij is omstreeks maart 2022 naar Nederland gekomen na de invasie van Rusland in Oekraïne. Verzoeker verbleef in het [adres 2] waar hij een tweepersoons hotelkamer voor zichzelf kreeg met eigen badkamer. Verzoeker gaat verhuizen omdat zijn huidige opvanglocatie [adres 2] alleen voor tijdelijk verblijf was. Op zijn nieuwe locatie [adres 1] kan hij voor langere tijd verblijven. Vanwege verzoekers persoonlijke situatie zal hij op de nieuwe locatie beschikken over een privé kamer met gedeelde badkamer. Verzoeker kampt met ernstige mentale klachten. Hij is gediagnosticeerd met PTSS, een depressie en een slaapstoornis. Verzoeker heeft daarnaast ernstige last van stressklachten. Ook kampt verzoeker met andere fysieke klachten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Kort na indiening van het verzoekschrift heeft de gemachtigde van verzoeker aan de rechtbank gemaild dat verzoeker op dat moment voor enkele nachten bij een vriend verbleef. Op zitting heeft verzoeker uitgelegd dat hij inmiddels bij een andere vriend verblijft, maar dat het onzeker is hoe lang hij daar kan blijven. Ook heeft hij verklaard dat teruggaan naar de nieuwe opvanglocatie gezien zijn medische situatie geen oplossing is. De voorzieningenrechter ziet in de gestelde omstandigheden voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen in deze zaak.
Rechtmatigheid
5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een (voorlopig) rechtmatigheidsoordeel te geven. Deze voorlopige voorziening wordt verzocht hangende bezwaar, zodat de voorzieningenrechter enige terughoudendheid past. Verweerder dient eerst tot volledige heroverweging van het besluit over te gaan waarbij verweerder alle medische gegeven zal moeten betrekken. De voorzieningenrechter zal daarom niet vooruitlopen op de beoordeling van de bezwaargronden en zich beperken tot een belangenafweging.
Belangenafweging
6.1.
De voorzieningenrechter zal op grond van een belangenafweging beoordelen of er reden bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. De belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder die pleiten tegen het treffen daarvan, worden als volgt afgewogen.
6.2.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de nieuwe opvanglocatie niet passend is. De ruimte is te klein en gehorig. Hij deelt voorzieningen met te veel mensen. Verzoeker heeft last van PTSS-klachten, is depressief en heeft ernstige slapeloosheid. Zijn klachten zullen erger worden bij verblijf op de nieuwe locatie. Op de nieuwe locatie heeft hij bovendien geen toegang tot een eigen toilet, terwijl hij een gastro-intestinale ziekte heeft en 15 keer per 24 uur naar de wc moet. Ter zitting is namens verzoeker nog toegelicht dat verweerder de (medische) klachten van verzoeker onvoldoende in onderlinge samenhang heeft bezien. Desgevraagd heeft verzoeker verder nog verklaard niet naar de [adres 1] te zullen gaan indien het verzoek tot een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
6.3.
Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat verzoeker onder andere last heeft van angsten, slaapstoornissen en posttraumatische stress. Hierdoor gebruikt hij medicatie en is hij naar een psychiater verwezen. Stress en onrust verergeren zijn klachten. Verder blijkt dat verzoeker vaak moet plassen door een verhoogde bekkenbodemspanning. In de nacht heeft verzoeker last van benauwdheidsklachten door zijn astma. Ook deze klachten verergeren door stress.
6.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de medische beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het primaire besluit erg summier is en feitelijk alleen bestaat uit een aantal e-mails van de triageverpleegkundigen. In die mails is alleen ingegaan op de klachten van verzoeker met betrekking tot het vaak naar de wc moeten. De andere medische stukken zijn niet betrokken, maar die zijn (in elk geval deels) ook pas later overgelegd. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar wel op de later overgelegde medische informatie in moeten gaan en die – zoals de advocaat heeft verzocht – integraal moeten beoordelen.
6.5.
Moet het voorgaande dan leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening? Uit de overgelegde medische stukken volgt niet direct dat het voor verzoeker noodzakelijk is om te verblijven in een rustige omgeving met eigen voorzieningen. Ook als de voorzieningenrechter de medische stukken in onderlinge samenhang beziet, kan deze conclusie niet worden getrokken. Het is duidelijk dat verzoeker kampt met psychische stoornissen en dat zijn klachten verergeren door stress en onrust. Daarnaast wil de voorzieningenrechter best aannemen dat de opvanglocatie op de [adres 1] vrij gehorig is – zoals ook beschreven door mevrouw [persoon 2] – en dat dit voor verzoeker geen ideale plek is. Dat geldt te meer omdat verzoeker daar zijn fotografiewerkzaamheden niet kan uitvoeren, terwijl dit voor hem naar eigen zeggen belangrijk is voor zijn coping. Het voorgaande is echter onvoldoende voor de conclusie dat het voor verzoeker noodzakelijk is om te verblijven op een rustige plek met eigen voorzieningen.
6.6.
Daar staat tegenover het belang van verweerder. Aangevoerd is dat vele ontheemden uit Oekraïne te maken hebben met psychische problemen. Hoewel verweerder begrijpt dat het verblijf in de hotelkamer voor verzoeker wellicht prettiger was dan in de opvanglocatie [adres 1] , is de situatie van verzoeker volgens verweerder niet uitzonderlijker dan die van vele andere ontheemden uit Oekraïne. Verweerder heeft verder nog aangevoerd terughoudend om te gaan met het toepassen van uitzonderingen op standaard opvangvoorzieningen, juist omdat het aantal opvangplekken met extra voorzieningen beperkt is.
6.7.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het hiervoor uiteengezette belang van verweerder in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om geplaatst te worden in een andere opvanglocatie dan de [adres 1] . Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze
uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.