In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen DEJ Holding B.V. (hierna: DEJ) en Nicefoods Holding B.V. (hierna: Nicefoods). DEJ, huurder van een woning in Amsterdam, werd veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van een huurachterstand van € 29.540,00. Deze achterstand was ontstaan door het niet tijdig betalen van huur over een periode van meer dan zeven maanden. Eerder was DEJ al veroordeeld tot betaling van een huurachterstand en ontruiming, maar had zij na dat vonnis een deel van de achterstand betaald. Ondanks deze betaling bleef DEJ in gebreke met het voldoen van de huurverplichtingen, wat leidde tot de vordering van Nicefoods om DEJ te ontruimen en de achterstallige huur te betalen.
De procedure begon met een verzetdagvaarding van DEJ tegen een eerder vonnis van 11 december 2025, waarbij aan DEJ verstek was verleend. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 januari 2026 werd de ontruiming, die aanvankelijk voor 5 januari 2026 gepland stond, geschorst tot na de uitspraak. DEJ voerde aan dat er gebreken waren in de woning die huurprijsvermindering rechtvaardigden, maar de kantonrechter oordeelde dat DEJ niet voldoende bewijs had geleverd voor deze gebreken en dat de opschorting van de huur niet was gecommuniceerd aan Nicefoods.
De kantonrechter oordeelde dat DEJ in ernstige wanprestatie verkeerde door de huur niet te betalen en dat de vordering tot ontruiming gerechtvaardigd was. DEJ werd veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en moest tevens de achterstallige huur en bijkomende kosten betalen. De reconventionele vordering van DEJ werd afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang was aangetoond voor de gevraagde herstelmaatregelen.