Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
[stichting], uit [plaats] (BCW) (gemachtigden: mr. C.N.J. Kortmann en mr. T.P. van Paridon).
Samenvatting
Procesverloop
30 januari 2023 (deelbesluit 3) en 13 maart 2023 (deelbesluit 4) besloten op het verzoek.
- 7 maart 2025 (het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen deelbesluit 1);
- 14 mei 2025 (het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar van eiseres en BCW tegen de deelbesluiten 2 en 3); en
- 30 mei 2025 (het bestreden besluit naar aanleiding van het bezwaar van eiseres en BCW tegen deelbesluit 4).
Beoordeling door de rechtbank
- deze niet gaan over TVM en daarom buiten de reikwijdte van het verzoek vallen;
- niet de Woo maar artikel 109, tweede lid, van de Verordening (EU) 2017/745 betreffende medische hulpmiddelen (MDR) van toepassing is, voor zover het gaat om informatie die op basis van vertrouwelijkheid tussen de betrokken EU-lidstaten is gewisseld;
- sprake is van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens die al dan niet vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld;
Reikwijdte van het verzoek
Toepassing van de MDR in plaats van de Woo
Eiseres meent daarbij dat de minister een onjuiste uitleg geeft aan de zinsnede ‘onverminderd de bestaande nationale bepalingen en parktijken in de lidstaten betreffende vertrouwelijkheid,’ zoals opgenomen in artikel 109, eerste lid, van de MDR. Deze zinsnede betekent volgens eiseres niet dat de openbaarmakingsbeoordeling wordt bepaald door de nationale wetgeving van lidstaten, tenzij die wetgeving geen bescherming biedt aan de in de MDR genoemde belangen. Anders zou dit immers betekenen dat de MDR niet langer in de gehele EU autonoom en uniform wordt uitgelegd en toegepast. Bovendien is niet bedoeld om een verruiming aan te brengen ten opzichte van artikel 20 van Pro de Richtlijn 93/42/EEG inzake medische hulpmiddelen (MDD). In dat artikel werd verwezen naar de ‘bestaande nationale voorschriften en praktijk inzake het medisch beroepsgeheim.’ De zinsnede ziet dus primair op nationale bepalingen of praktijken met betrekking tot het medisch beroepsgeheim. Ook is volgens eiseres van belang dat met de Woo een doel wordt nagestreefd dat tegengesteld is aan het doel van artikel 109 van Pro de MDR, namelijk een zo ruim mogelijk recht op openbaarmaking van publieke informatie. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de geheimhoudingsplicht uit artikel 109 van Pro de MDR noodzakelijk is in het openbaar belang en ter bescherming van de volksgezondheid, nu met de MDR een toezicht- en controlesysteem is ingevoerd dat berust op mechanismen voor de kennisgeving van informatie door betrokken natuurlijke of rechtspersonen, gezamenlijke analyse van informatie door de bevoegde nationale en EU-autoriteiten en de bescherming van die informatie middels geheimhoudingsverplichtingen. Bijvoorbeeld in het kader van het ‘Medical Device Vigilance System’, zoals de MIR’s en ‘field safety corrective actions’. Voor een doeltreffende werking van dat systeem van controle op de activiteiten van medische hulpmiddelenbedrijven, post-market surveillance, vigilantie en marktoezicht is vereist dat zowel de onder toezicht staande ondernemingen als de bevoegde autoriteiten er zeker van kunnen zijn dat de verstrekte vertrouwelijke inlichtingen in beginsel vertrouwelijk blijven.
Ter zitting heeft Ethicon nog gesteld dat uit artikel 10bis van de MDR volgt dat artikel 109 van Pro de MDR zo moet worden gelezen dat die verordening iedere openbaarmaking uitsluit, behoudens openbaarmaking die in de MDR is voorzien.
18. Dit beroep van eiseres op artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, d en i, van de Woo, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres evenmin voldoende specifiek heeft onderbouwd waarom gelet op de inhoud van de documenten die zij integraal geweigerd wil zien, openbaarmaking daarvan de Nederlandse betrekkingen met andere landen of internationale organisaties, de inspectie, controle en het toezicht door bestuursorganen dan wel het goed functioneren van de Staat ondermijnt. Eiseres is echter bekend met de inhoud van deze documenten en daarom mag van eiseres een concrete onderbouwing van haar standpunt worden verwacht waarom in verdergaande mate dan is gedaan door de minister op deze grond openbaarmaking zou moeten worden geweigerd. Het is bij uitstek aan de minister om af te wegen of deze belangen al dan niet in het geding zijn en zo ja of zij zwaarder dienen te wegen dan het belang van openbaarheid. Het doel van de uitzonderingsgronden is het beschermen van het belang van de overheid om betrekkingen met andere landen en internationale organisaties te onderhouden, om effectief haar controlerende en toezichthoudende taken uit te voeren dan wel het goed functioneren van de Staat in algemene zin.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet open overheid
d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen