De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 maart 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, geboren in 1955.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling bleek dat betrokkene lijdt aan een depressieve stoornis in partiële remissie, met eerdere psychotische kenmerken die eveneens in remissie zijn. De stoornis brengt ernstig nadeel met zich mee, namelijk levensgevaar en ernstig lichamelijk letsel. Er is zorg nodig om dit nadeel af te wenden en de geestelijke en fysieke gezondheid te stabiliseren of te herstellen.
Vrijwillige zorg is niet mogelijk gebleken. De rechtbank achtte daarom verplichte zorg noodzakelijk, waaronder medicatietoediening, bewegingsbeperking, beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten, en opname in een accommodatie. Deze maatregelen zijn evenredig en naar verwachting effectief, en er zijn geen minder bezwarende alternatieven.
Betrokkene verzocht afwijzing van het verzoek, uit angst voor verlies van autonomie en schaamte over opname, maar werkt momenteel goed mee. De zorgmachtiging wordt als vangnet gezien om snel te kunnen ingrijpen bij stoppen van medicatie.
De rechtbank concludeerde dat aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg is voldaan en verleent de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, tot uiterlijk 12 september 2026.