ECLI:NL:RBAMS:2026:2916

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13/324007-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SrArt. 6:106 lid 1 BWArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling eenvoudige mishandeling en opzetaanranding in Amsterdamse bar

Op 29 november 2025 vond in een bar in Amsterdam een incident plaats waarbij verdachte meerdere personen heeft mishandeld en seksueel heeft aangevallen. Verdachte sloeg, duwde, krabde en beet een aangever, waarbij twee bijtwonden ontstonden. Verdachte werd tevens beschuldigd van opzetaanranding van twee andere personen door hen tegen hun wil te zoenen en met zijn tong hun mond binnen te dringen.

De rechtbank oordeelde dat het letsel niet voldeed aan de criteria voor zwaar lichamelijk letsel, waardoor verdachte werd vrijgesproken van zware mishandeling en poging daartoe. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte eenvoudige mishandeling pleegde. Daarnaast achtte de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk de wil van de twee andere slachtoffers negeerde, waarmee opzetaanranding werd vastgesteld.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 33 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 80 uur. Tevens werden schadevergoedingen toegekend aan de slachtoffers, variërend van materiële tot immateriële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank matigde de eis van de officier van justitie vanwege de vrijspraak van de zwaardere feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van zware mishandeling en veroordeeld tot 33 dagen gevangenisstraf en 80 uur taakstraf voor eenvoudige mishandeling en opzetaanranding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/324007-25
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1990,
verblijvende op het adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.W. van Eeuwijk, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 29 november 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [benadeelde partij 1/aangever] door hem te slaan, te krabben, te duwen en te bijten in zijn been. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een mishandeling (
feit 1). Daarnaast zou verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan opzet- dan wel schuldaanranding van [benadeelde partij 2] (
feit2) en [benadeelde partij 3] (
feit 3).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (poging zware mishandeling), feit 2 en feit 3 (twee keer opzetaanranding). Zij heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat menselijke beten, waarbij diepe en bloedende verwondingen optreden, kunnen leiden tot moeilijk te behandelen virale en bacteriële infecties en lelijke littekens, hetgeen als zwaar lichamelijk letsel kwalificeert. De officier van justitie acht het met zeer veel kracht bijten in de kuit van aangever naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de kans daarop bewust heeft aanvaard, waarmee dit feit kan worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat door het onverhoeds handelen van verdachte sprake is van opzetaanranding.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het bijten in de kuit gekwalificeerd kan worden als een poging tot zware mishandeling, waardoor verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de andere feiten heeft verdachte verklaard niet met zijn tong de mond van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] te zijn binnengedrongen. De raadsman heeft daarom voor dat deel van de tenlastelegging vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Ten aanzien van feit 1
Uit de aangifte volgt dat verdachte op 29 november 2025 in een bar in Amsterdam aangever [benadeelde partij 1/aangever] met een vuist tegen het gezicht heeft geslagen en tegen het bovenlichaam heeft geduwd waardoor aangever ten val is gekomen. Vervolgens heeft verdachte in het onderbeen van aangever gebeten waardoor twee bijtwonden zijn ontstaan. Dit alles vond plaats nadat aangever verdachte aansprak op het feit dat verdachte kort daarvoor een vriend en een vriendin van aangever, respectievelijk [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , ongewenst zou hebben gezoend.
De verklaring van aangever vindt steun in zowel de foto’s van het letsel van aangever, alsook in de verklaring van getuige [benadeelde partij 2] . Verdachte zelf heeft bij de politie verklaard in gevecht te zijn geraakt met [benadeelde partij 1/aangever] waarbij hij hem heeft geslagen en in zijn broek heeft gebeten.
De rechtbank stelt op basis van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen vast dat verdachte aangever meerdere krassen op zijn buik, hoofd en arm, twee bijtwonden in het onderbeen en een wond op zijn onderlip heeft toegebracht en ziet zich voor de vraag hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.
Vrijspraak van het primair ten laste gelegde
Voor een bewezenverklaring van zware mishandeling is vereist dat door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) is ontstaan. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank concludeert, bij gebrek aan objectieve medische gegevens, dat onvoldoende duidelijk is geworden wat de precieze ernst, aard en omvang van het hiervoor omschreven letsel en van het medisch ingrijpen is geweest, alsook de duur van het herstel. Voornoemd letsel kan dan ook niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet en jurisprudentie. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling.
Vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde
Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling moet worden vastgesteld of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank concludeert, anders dan de officier van justitie en de raadsman, dat uit het dossier niet volgt dat verdachte aangever met opzet zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen. Ook is niet gebleken dat er sprake was van voorwaardelijke opzet, nu een aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bij aangever ontbrak. Daarbij geldt dat het niet zonder meer een feit van algemene bekendheid is dat menselijke beten kunnen leiden tot moeilijk te behandelen virale en bacteriële infecties. De rechtbank overweegt verder dat hoewel bijten op zichzelf blijvende littekens kan veroorzaken, de bijtwonden in deze zaak zijn aangebracht in het onderbeen van aangever. Anders dan bijvoorbeeld bijtwonden in het gezicht die kunnen leiden tot prominent aanwezige en ontsierende littekens zullen littekens in het onderbeen in het dagelijks leven minder zichtbaar zijn, waardoor in dat geval niet gesproken kan worden van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en spreekt hem daarvan vrij.
Bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde
Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling van [benadeelde partij 1/aangever] door hem te slaan, te duwen, te krabben en te bijten.
3.3.2.
Ten aanzien van feit 2
Uit de aangifte van [benadeelde partij 2] volgt dat een man - die later verdachte blijkt te zijn - op de dansvloer uit het niets het gezicht van aangever pakte. Verdachte zoende aangever en is daarbij met zijn tong binnengedrongen in de mond van aangever, hetgeen aangever niet wilde. Op camerabeelden is te zien dat verdachte het hoofd van aangever met beide handen vastpakt en met kracht zijn hoofd richting het gezicht van aangever brengt. Aangever onttrekt zich vervolgens aan de greep van verdachte door met zijn linkerhand diens hoofd weg te duwen. Al hoewel op de beelden niet te zien is of verdachte ook met zijn tong in de mond van aangever is gegaan, acht de rechtbank dit op basis van de reactie van aangever die op de beelden is te zien, wel bewezen. Bovendien vindt de aangifte van [benadeelde partij 2] steun in de verklaring van [benadeelde partij 3] die in haar aangifte heeft verklaard dat verdachte ook bij haar zijn tong naar binnen heeft gebracht.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag of het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden als schuld- of als opzetaanranding.
Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van vol opzet of voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet Seksuele Misdrijven is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij daarvoor geen toestemming heeft en dat daarmee in elk geval opzet kan worden bewezen.
De rechtbank concludeert dat door het plotseling krachtig en met beide handen vastpakken van het hoofd van aangever en daarna met zijn tong in diens mond binnen te dringen, verdachte aangever onverhoeds heeft benaderd. Door zo te handelen heeft verdachte aangever geen ruimte gelaten om daarover zijn wil te uiten. De ontbrekende wil van aangever valt ook af te leiden uit zijn duidelijke lichaamstaal; aangever onttrekt zich aan de greep van verdachte door het hoofd van verdachte weg te duwen. Uit het voorgaande blijkt niet alleen dat de instemming van aangever ten aanzien van de (tong)zoen ontbrak, maar ook dat verdachte wist dat de wil van aangever hiertoe ontbrak. De rechtbank is van oordeel dat verdachte opzettelijk de ontbrekende wil van aangever heeft genegeerd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank daarom de tenlastegelegde opzetaanranding bewezen.
3.3.3.
Ten aanzien van feit 3
Uit de aangifte van [benadeelde partij 3] volgt dat een man - die later verdachte bleek te zijn - met beide handen haar gezicht stevig heeft vastgepakt. Aangeefster voelde zich naar hem toe gedwongen en voelde dat verdachte haar zoende en met zijn tong haar mond binnendrong. De verklaring van aangeefster vindt steun in de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte zijn armen om haar heen slaat en haar een kus op haar linkerwang geeft, waarop aangeefster verdachte een zetje geeft. Vervolgens pakt verdachte haar hoofd vast en beweegt zijn gezicht met kracht richting haar gezicht, waarna hun gezichten secondenlang in die positie blijven. Aangeefster steekt haar arm uit en maakt een wegwuivende beweging met haar hand. Zij komt uiteindelijk los en veegt met haar hand haar mond af. Als steunbewijs voor het binnendringen met de tong dient verder de verklaring van slachtoffer [benadeelde partij 2] , die ook verklaart dat verdachte bij hem zijn tong naar binnen heeft gebracht..
Gelet op het onder 3.3.2. ten aanzien van opzetaanranding reeds overwogene is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook [benadeelde partij 3] onverhoeds heeft benaderd en onverhoeds zijn tong bij haar naar binnen heeft gebracht. Door zo te handelen heeft verdachte aangeefster niet de mogelijkheid gegeven om vooraf daarover haar wil te uiten. Uit geen van de zichtbare gedragingen van aangeefster blijkt dat zij verdachte wilde vasthouden of met hem wilde zoenen. Integendeel, uit haar lichaamstaal is de ontbrekende duidelijk af te leiden. Direct nadat zij loskomt uit zijn greep, veegt zij met haar hand haar mond af. Uit het voorgaande blijkt niet alleen dat de wil van aangeefster ten aanzien van het seksuele contact ontbrak, maar ook dat verdachte wist dat haar wil hiertoe ontbrak en deze opzettelijk heeft genegeerd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank daarom ook de opzetaanranding van [benadeelde partij 3] bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1 meer subsidiair
op 29 november 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 1/aangever] heeft mishandeld, door
- meermaals tegen het hoofd te slaan en,
- meermaals in het gezicht en op het lichaam te krabben en te duwen ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1/aangever] ten val kwam en,
- meermaals met kracht in het onderbeen te bijten;
ten aanzien van feit 2
op 29 november 2025 te Amsterdam met [benadeelde partij 2] een seksuele handeling heeft verricht, te weten door
- het hoofd van die [benadeelde partij 2] vast te pakken en,
- die [benadeelde partij 2] op de mond te zoenen en,
- met zijn tong de mond van die [benadeelde partij 2] binnen te dringen,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij 2] daartoe de wil ontbrak;
ten aanzien van feit 3
op 29 november 2025 te Amsterdam met [benadeelde partij 3] een seksuele handeling heeft verricht, te weten
- het onverhoeds benaderen van die [benadeelde partij 3] en,
- zijn arm om het lichaam van die [benadeelde partij 3] te slaan en,
- die [benadeelde partij 3] op de wang te zoenen en,
- het hoofd van die [benadeelde partij 3] vast te pakken en,
- die [benadeelde partij 3] op de mond te zoenen en,
- met zijn tong de mond van die [benadeelde partij 3] binnen te dringen,
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [benadeelde partij 3] daartoe de wil ontbrak.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van het voorarrest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf, en daarnaast te overwegen om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De raadsman heeft voorts verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte de schade wil vergoeden en dat hij beschikt over een vaste verblijfplaats, waardoor hij bereikbaar is voor de uitvoering van een eventuele taakstraf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aangever [benadeelde partij 1/aangever] mishandeld door hem te slaan, te krabben en te duwen. Daarnaast heeft verdachte hem hard in zijn onderbeen gebeten, waardoor twee forse, bloedende wonden zijn ontstaan. Later bleek dat verdachte besmet is met het HIV-virus. Op [benadeelde partij 1/aangever] heeft dit grote impact gehad, nu hij enige tijd in onzekerheid heeft verkeerd voordat definitief kwam vast te staan dat de beet bij hem niet heeft geleid tot een HIV-besmetting.
Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] , door uit het niets met kracht het hoofd van beide aangevers vast te pakken en hen te zoenen, waarbij verdachte met zijn tong de mond van de slachtoffers is binnengedrongen. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Hij heeft hiermee kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen lustgevoelens en geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien angstgevoelens in de gehele maatschappij, aangezien ze plaatsvonden in een openbare uitgaansgelegenheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat strafoplegging op zijn plaats is.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 29 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland d.d. 9 februari 2026. Zij adviseren een straf zonder bijzondere voorwaarden en zien geen contra-indicaties ten aanzien van een gevangenisstraf en taakstraf.
De ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de rechtbank zal deze aan verdachte opleggen. Aangezien de rechtbank verdachte van het onder feit 1 primair en subsidiair zal vrijspreken ziet zij aanleiding om de eis van de officier van justitie te matigen en niet uitsluitend een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarom acht de rechtbank ook een taakstraf passend en geboden. Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 80 uren.

8.Ten aanzien van de benadeelde partijen

8.1.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1/aangever]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1/aangever] vordert € 606,86 (zegge: zeshonderdzes euro en zesentachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.100, - (zegge: duizend honderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunten
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.2.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreekse materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist en wordt als voldoende onderbouwd en billijk beschouwd. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook door de rechtbank worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2025.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te passen gijzeling op 17 dagen.
8.2.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 1.000, - (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunten
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
8.2.2.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 november 2025.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro toe te passen gijzeling op 5 dagen.
8.3.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.3.1.
Standpunten
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden gematigd.
8.3.2.
Oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 BW Pro heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 november 2025.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan haar de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 Sv Pro toe te passen gijzeling op 5 dagen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 241 en 300 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 primair en feit 1 subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte feit 1 meer subsidiair, feit 2 en feit 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1:
mishandeling
feit 2 en feit 3:
telkens: opzetaanranding
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
33 (drieëndertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 (veertig) dagen.
Heft ophet – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1/aangever] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1/aangever] toe tot een bedrag van €
606,86 (zegge: zeshonderdzes euro en zesentachtig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.100, - (zegge: duizend honderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1/aangever] .
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1/aangever] aan de Staat €
1.706,86 (zegge: duizend zevenhonderdzes euro en zesentachtig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 17 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] .
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat €
500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] .
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat €
500,- (zegge: vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 november 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mr. C.C.J. Maas-van Es en mr. M.E. Kleinherenbrink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt en mr. A.M. Essink, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 maart 2026.
[--]