Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2969

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/13/774880 HA RK 25-290
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 288 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot benoeming gerechtelijk deskundige voor onderzoek vochtproblemen kelders

Verzoekster, een aannemersbedrijf, en verweerder, specialist in vochtwering, zijn in geschil over de kwaliteit van werkzaamheden aan twee kelders op verschillende adressen. Verzoekster stelt dat de vochtproblemen na uitvoering van de werkzaamheden niet zijn verholpen en verzoekt de rechtbank om een deskundige te benoemen voor een voorlopig onderzoek.

Verweerder verzet zich tegen het verzoek met meerdere afwijzingsgronden, waaronder onvoldoende belang en te algemene onderzoeksvragen. De rechtbank oordeelt echter dat geen van de afwijzingsgronden aanwezig is. De onderzoeksvragen zijn voldoende concreet en het belang van verzoekster is aannemelijk vanwege de betwiste feiten en het ontbreken van een bodemprocedurevereiste.

De rechtbank benoemt de door verzoekster voorgestelde deskundige Lekk B.V. en stelt de onderzoeksvragen vast. Tevens wordt een voorschot op de kosten geregeld en worden partijen verplicht mee te werken aan het onderzoek. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, met een uitvoerbare bij voorraad verklaring.

Uitkomst: Verzoek tot benoeming van een deskundige wordt toegewezen en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/774880 / HA RK 25-290
Beschikking van 12 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
hierna te noemen:
[verzoekster],
advocaat: mr. M.N. Mense,
tegen
[naam],
handelend onder de naam [verweerder] ,
te [vestigingsplaats 2] ,
verweerder,
hierna te noemen:
[verweerder],
advocaat: mr. W. Sallé.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, binnengekomen op de griffie op 29 augustus 2025, met producties
- de tussenbeschikking van 23 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 30 januari 2026 en
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, en de daarin gemelde stukken.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is een aannemersbedrijf dat zich voornamelijk bezig houdt met het bouwen en verbouwen van woningen. [verweerder] is een specialist op het gebied van vochtwering, kelder- en souterrainreparaties, injectiewerken en betononderhoud. [verzoekster] en [verweerder] werken al langere tijd samen.
2.2.
[verweerder] heeft voor twee projecten van [verzoekster] werkzaamheden verricht ten behoeve van het verhelpen en voorkomen van lekkages. Het gaat hier om twee kelders, één aan de [adres 1] en één aan de [adres 2] .
2.3.
Voor beide projecten heeft [verweerder] voorafgaand aan de werkzaamheden een offerte aan [verzoekster] afgegeven. De offerte van de [adres 1] dateert van 6 juli 2022 en de offerte van de [adres 2] van 24 maart 2023. De offerte van de [adres 2] is ongewijzigd door [verzoekster] geaccepteerd. Bij de offerte van de [adres 1] heeft [verzoekster] aangegeven dat zij niet wil dat [verweerder] de geoffreerde zoutsanering uitvoert, maar voor de overige werkzaamheden heeft zij de offerte wel geaccepteerd.
2.4.
[verweerder] heeft de werkzaamheden voor de [adres 2] in april 2023 uitgevoerd. De werkzaamheden voor de [adres 1] heeft hij in september 2022 uitgevoerd.
2.5.
Vanaf zomer 2023 heeft [verzoekster] contact met [verweerder] opgenomen omdat volgens [verzoekster] de werkzaamheden aan de [adres 2] en de [adres 1] niet goed waren uitgevoerd. Sindsdien zijn partijen met elkaar in discussie over deze werkzaamheden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank om een voorlopig bericht van deskundigen toe te staan en een gerechtelijk deskundige te benoemen, met de opdracht een schriftelijk bericht in te leveren over - kort gezegd - de uitvoering van de werkzaamheden aan de [adres 1] en de [adres 2] .
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. Na het uitvoeren van de werkzaamheden voor het verhelpen en voorkomen van lekkages in beide kelders is gebleken dat de kelderwanden op de [adres 2] nog steeds vochtig waren. Bij de [adres 1] werden nadien lekkages op de geïnjecteerde aansluitingen vastgesteld. [verzoekster] heeft [verweerder] hierop aangesproken, maar [verweerder] blijft volharden dat de werkzaamheden juist zijn uitgevoerd. [verzoekster] wil voor beide adressen vaststellen of deze vochtproblemen komen door gebrekkig werk aan de zijde van [verweerder] , ten behoeve van een eventuele vordering tot schadevergoeding en/of nakoming.
3.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens [verweerder] is sprake van meerdere afwijzingsgronden zoals genoemd in artikel 196 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [verweerder] betwist dat [verzoekster] voldoende belang heeft bij de voorlopige bewijsverrichting. De onderzoeksvragen die [verzoekster] heeft voorgesteld zijn daarnaast te algemeen, waardoor deze niet voldoende bepaald en niet ter zake dienend zijn. Ook zijn ten aanzien van de [adres 2] al herstelwerkzaamheden verricht, waardoor onderzoek door een deskundige alleen nog maar aan de hand van reeds bestaand beeldmateriaal plaats kan vinden. Daardoor zou de deskundige geen goed beeld van de werkzaamheden kunnen vormen en wordt [verweerder] in zijn processuele belangen geschaad. Tot slot is voor beide projecten duidelijk dat een eventuele vordering tot schadevergoeding in rechte nooit vast kan komen te staan, aangezien het verzuim van [verweerder] ontbreekt.

4.De beoordeling

4.1.
Een verzoek tot het toestaan van een voorlopig bericht van deskundigen moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 196 Rv Pro. Bij deze beoordeling is van belang dat als uitgangspunt geldt dat de rechter het verzoek toewijst, tenzij een van de afwijzingsgronden zich voordoet. De volgende afwijzingsgronden zijn daarbij mogelijk:
de informatie die verlangd wordt, is niet voldoende bepaald;
de verzoeker heeft onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting;
het verzoek om de voorlopige bewijsverrichting is in strijd met de goede procesorde;
verzoeker maakt misbruik van zijn bevoegdheid;
r bestaat een andere gewichtige reden die zich tegen de voorlopige bewijsverrichting verzet.
4.2.
De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat geen sprake is van een van de afwijzingsgronden en zal het verzoek van [verzoekster] daarom toewijzen en een deskundige benoemen.
De informatie die [verzoekster] verzoekt is voldoende bepaald
4.3.
De rechtbank volgt [verweerder] niet in zijn stelling dat de door [verzoekster] opgevraagde informatie te algemeen is. In dit geval is voldoende concreet gemaakt wat moet worden onderzocht. De vragen zien op twee specifieke projecten en de uitvoering daarvan. De werkzaamheden die zijn verricht en waar het onderzoek van de deskundige op zal moeten zien, zijn bovendien afgekaderd door de overeenkomst van partijen op basis van de geaccepteerde offertes (met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.3 vermeld). De vervolgvragen die zien op de (on)mogelijkheid van herstel en de kosten die daarmee gepaard gaan, zijn binnen hetzelfde kader geplaatst. Indien [verweerder] werkzaamheden zou hebben verricht die niet relevant zouden zijn in het kader van het aanhoudende vochtprobleem, zoals hij in dit verband aanvoert, dan had het op zijn weg gelegen om die werkzaamheden nader te concretiseren. In dat geval had het debat daarover kunnen worden gevoerd en die concrete werkzaamheden zo nodig van de vraagstelling kunnen worden uitgezonderd. Dit heeft [verweerder] niet gedaan.
[verzoekster] heeft voldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht
4.4.
In het onderhavige geval is sprake van betwiste feiten. [verzoekster] heeft voldoende toegelicht dat de vochtproblemen in de kelders niet zijn verholpen na de werkzaamheden die [verweerder] heeft verricht. [verweerder] betwist dat dat het gevolg zou zijn van een gebrekkige uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. Daaruit volgt dat [verzoekster] voldoende belang heeft om het door [verweerder] verrichte werk te laten onderzoeken door een deskundige om zo haar procespositie te kunnen bepalen. Anders dan waar [verweerder] vanuit lijkt te gaan, is de aankondiging van een bodemprocedure geen vereiste om voldoende belang bij een voorlopige bewijsverrichting aan te nemen.
4.5.
Het feit dat reeds een onderzoek naar de uitgevoerde werkzaamheden is verricht, doet aan het belang van [verzoekster] bij dit voorlopig deskundigenbericht ook niet af. Dit eerdere onderzoek is verricht door de opdrachtgever van [verzoekster] , waarbij [verweerder] niet is betrokken. Daarmee is het reeds verrichte onderzoek een partijonderzoek, waarbij geen hoor- en wederhoor is toegepast. Dit doet af aan de waarde die aan dit rapport in een eventuele bodemprocedure kan worden toegekend, wat het belang van [verzoekster] bij een gerechtelijk (voorlopig) deskundigenbericht onderstreept.
Er is geen sprake van strijd met de goede procesorde
4.6.
[verweerder] heeft aangevoerd dat de deskundige zich ten aanzien van het project in [adres 2] alleen maar kan baseren op beeldmateriaal en correspondentie uit het verleden. Dit volstaat niet voor een goede beoordeling van het werk en betreft daarnaast alleen beeldmateriaal dat afkomstig is van [verzoekster] . [verweerder] heeft niet voldoende mogelijkheid om zelf de benodigde informatie aan te leveren of te verantwoorden aan de deskundige. Daarnaast beschikt [verzoekster] over beeldmateriaal van deze projecten, maar heeft [verzoekster] dit beeldmateriaal niet overgelegd waardoor [verweerder] zijn standpunt ten aanzien van het deugdelijk verrichten van het werk niet goed kan inschatten. Het verzoek moet wegens strijd met de goede procesorde worden afgewezen.
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de deskundige is om te beoordelen of de aan hem aangeleverde informatie voldoet om de voorgelegde vragen te kunnen beantwoorden. Als dat niet het geval is, zal hij zich van een oordeel over de deugdelijkheid van (bepaalde) werkzaamheden moeten onthouden. Dat [verweerder] zelf niet over beeldmateriaal beschikt is gelet op zijn verklaring ter zitting onjuist en staat er bovendien niet aan in de weg dat aan het vereiste van hoor- en wederhoor op een andere wijze kan worden voldaan.
Dat [verweerder] de bij [verzoekster] beschikbare stukken nog niet heeft kunnen bestuderen, maakt evenmin dat het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht in strijd is met de goede procesorde. [verzoekster] hoeft deze stukken in deze fase van de procedure nog niet te overleggen.
4.8.
Daarnaast is geen sprake van een evident kansloze vordering. De rechtbank is van oordeel dat nu nog niet onomstotelijk vaststaat dat geen sprake is van verzuim. [verzoekster] heeft het standpunt ingenomen dat op basis van tussen partijen gevoerde gesprekken en de jurisprudentie ten aanzien van dit leerstuk, verzuim kan worden aangenomen. Deze juridische discussie zal in een eventuele bodemprocedure verder gevoerd moeten worden en daarop kan nu nog niet worden vooruitgelopen.
4.9.
Het verzoek van [verzoekster] levert dan ook geen strijd op met de goede procesorde.
Geen misbruik van bevoegdheid en geen andere gewichtige redenen voor afwijzing van het verzoek
4.10.
[verzoekster] heeft geen misbruik gemaakt van haar bevoegdheid tot het instellen van het verzoek. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een ‘fishing expedition’ en is er, gelet op de belangen over en weer, geen reden waarom [verzoekster] dit verzoek niet zou mogen instellen. Daarnaast zijn er in het onderhavige geval geen andere gewichtige redenen aanwezig waarom het verzoek moet worden afgewezen.
4.11.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van [verzoekster] tot het benoemen van een deskundige toewijzen.
Deskundige
4.12.
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift een voorstel gedaan voor welke deskundige benoemd zou kunnen worden. [verweerder] heeft tegen de benoeming van deze deskundige geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom de door [verzoekster] aangedragen deskundige benoemen, te weten Lekk B.V . De deskundige heeft desgevraagd tegenover de rechtbank verklaard dat zij geen zakelijke banden heeft met één van partijen en dat zij bereid is de benoeming te aanvaarden.
Onderzoeksvragen
4.13.
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift een aantal onderzoeksvragen geformuleerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] van zijn gelegenheid gebruik gemaakt om deze uit te breiden althans nader te specificeren, waarmee [verzoekster] akkoord is gegaan. De rechtbank zal daarom de volgende onderzoeksvragen aan de deskundige voorleggen:
1. Wat is de oorzaak van de vochtproblemen in de kelders aan de [adres 2] en de [adres 1] ?
2. Heeft [verweerder] de aan de hand van de offertes overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen ten aanzien van het niet uitvoeren van de zoutsanering aan de [adres 1] ?
3. Zijn deze werkzaamheden deugdelijk uitgevoerd?
4. Zo nee, is herstel mogelijk en zo ja, hoe zou herstel uitgevoerd moeten worden?
5. Hoe en op welke bedragen kunnen de herstelkosten redelijkerwijs begroot worden?
Voorschot
4.14.
Het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald door [verzoekster] , op de wijze zoals vermeld onder de beslissing.
Medewerkingsplicht
4.15.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Deze verplichting is verder onder de beslissing uitgewerkt. Als dit (gedeeltelijk) niet gebeurt, dan kan de rechtbank hieruit de conclusies trekken die zij passend vindt, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.16.
Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
Proceskosten
4.17.
[verzoekster] wordt in het gelijk gesteld, waardoor de door haar verzochte proceskostenveroordeling in beginsel toewijsbaar is. De kosten van het verzoekschrift en het griffierecht was [verzoekster] echter ook verschuldigd als [verweerder] geen verweer had gevoerd. Daarom komen de kosten hiervan niet voor vergoeding in aanmerking en wordt [verweerder] slechts veroordeeld tot vergoeding van de kosten van de zitting, dat wil zeggen € 842 (1 punt x tarief € 653 en nakosten van € 189) plus de vermeerdering zoals vermeld onder de beslissing). De rechtbank ziet aanleiding om deze kostenveroordeling op grond van artikel 288 Rv Pro uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige voor de (gemotiveerde) beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat is de oorzaak van de vochtproblemen in de kelders aan de [adres 2] en de [adres 1] ?
2. Heeft [verweerder] de aan de hand van de offertes overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen ten aanzien van het niet uitvoeren van de zoutsanering aan de [adres 1] ?
3. Zijn deze werkzaamheden deugdelijk uitgevoerd?
4. Zo nee, is herstel mogelijk en zo ja, hoe zou herstel uitgevoerd moeten worden?
5. Hoe en op welke bedragen kunnen de herstelkosten redelijkerwijs begroot worden?
5.2.
benoemt tot deskundige:
Lekk B.V .,
bezoek- en correspondentieadres: [adres 3] ,
telefoon: [nummer] ,
e-mailadres: [email] ,
5.3.
bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
5.4.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de deskundige moet
binnen twee wekenna de datum van deze beslissing een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief/het bericht van de griffie schriftelijk bezwaar maken tegen de begroting,
- als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige worden vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal de hoogte van het voorschot door de rechtbank worden vastgesteld,
5.5.
bepaalt dat [verzoekster] het voorschot moet overmaken
binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
5.6.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
5.7.
bepaalt dat [verzoekster] - na vaststelling van het voorschot - het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
5.8.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
5.9.
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https://www.rechtspraak.nl/),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,
5.10.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,
het schriftelijk rapport
5.11.
draagt de deskundige op om
uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,
5.12.
wijst de deskundige erop dat:
- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toesturen, waarna partijen de gelegenheid krijgen
binnen vier wekendaarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
5.13.
bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
5.14.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van [verzoekster] van € 842,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en deze beschikking daarna wordt betekend,
5.15.
verklaart de kostenveroordeling onder 5.14 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.M. Visser, rechter, bijgestaan door mr. H. van Nieuwenhuizen-van Cadsand, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.