ECLI:NL:RBAMS:2026:2973

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
13/004423-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:35 SvArt. 77w Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering time-out in kader gedragsmaatregel met afwijzing verlenging elektronische monitoring

De officier van justitie verzocht de rechtbank om een tijdelijke opname van veroordeelde in een justitiële jeugdinrichting voor vier weken (time-out) in het kader van de aan hem opgelegde gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) en verlenging van de elektronische monitoring met drie maanden.

Tijdens de zitting op 6 maart 2026 werd veroordeelde gehoord, evenals zijn raadsman, de officier van justitie en de opsteller van het reclasseringsadvies. De verdediging betoogde dat de time-out al drie weken heeft geduurd en dat het afschrikkende effect is bereikt, terwijl de verlenging van de elektronische monitoring onnodig en te lang zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat de time-out een passende reactie is op de onvoldoende medewerking van veroordeelde aan de GBM, maar dat het doel van de time-out met de reeds uitgezette drie weken is bereikt. Daarom werd de vordering tot time-out gedeeltelijk toegewezen voor drie weken. De vordering tot verlenging van de elektronische monitoring werd afgewezen omdat veroordeelde de enkelband geruime tijd heeft gedragen en gemotiveerd is om zelfstandig aan de slag te gaan.

De rechtbank benadrukte het belang van de wooninstelling waar veroordeelde direct terecht kan voor begeleiding bij werk en schulden, en gaf aan dat het nu aan veroordeelde is om zonder elektronische monitoring aan de voorwaarden te voldoen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot time-out toe voor drie weken en wijst de verlenging van elektronische monitoring af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
Parketnummer : 13/004423-24
Beslissing van de meervoudige strafkamer op de vordering van de officier van justitie ex artikel 6:6:35, vierde en vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 2005 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.
Raadsman mr. R.J.A. van den Munckhof

1.De vordering

De officier van justitie heeft op 17 februari 2026 op de griffie van deze rechtbank een vordering ingediend die ertoe strekt dat de rechtbank, in het kader van de aan veroordeelde opgelegde maatregel betreffende het gedrag (GBM) als bedoeld in artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht, de tijdelijke opneming van veroordeelde in een justitiële inrichting zal bevelen voor de duur van vier weken, ook wel time-out genoemd.

2.De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen en acht geslagen op de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het vonnis van deze rechtbank van 3 december 2024 waarbij aan betrokkene (o.a.) de GBM voor de duur van 12 maanden is opgelegd en waarin het programma en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard;
  • de beschikking van deze rechtbank van 25 november 2025 waarbij de aan betrokkene opgelegde GBM op vordering van de officier van justitie is verlengd voor de duur van 12 maanden;
  • de vordering van de officier van justitie ex 6:6:35, vierde en vijfde lid (Sv)van 16 februari 2026;
  • een reclasseringsadvies Time-out van 13 februari 2026, opgemaakt door reclasseringswerker [naam] , werkzaam bij Reclassering Nederland.
Veroordeelde is op 20 februari 2026 aangehouden en in afwachting van de behandeling van de vordering op de zitting geplaatst in [detentieadres] .
Op de openbare terechtzitting van 6 maart 2026 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie behandeld en heeft daarbij gehoord veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie, alsmede [naam] de opsteller van het reclasseringsadvies.

2.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering en geconcludeerd tot tijdelijke opneming van veroordeelde in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van vier weken.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de GBM voor de duur van drie maanden wordt verlengd voor dat deel waarbij elektronische monitoring is bepaald.

3.Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om de time-out, waarvan inmiddels drie weken verstreken zijn, te beëindigen. Het afschrikkende effect en de stimulans om actief mee te werken met de voorwaarden, zoals beoogd door de wetgever, zijn al bereikt. Veroordeelde geeft toe dat hij het er - deels - zelf naar heeft gemaakt. Veroordeelde werd bedreigd door een begeleider en voelde zich daarin niet gesteund door de reclassering. Hij heeft daardoor het vertrouwen in de hulp en begeleiding van de reclassering verloren. Veroordeelde heeft geprobeerd zich zo goed mogelijk aan alle afspraken te houden en is de afgelopen anderhalf jaar niet met politie in aanraking is geweest. Een gedegen onderbouwing van het gestelde toegenomen recidiverisico ontbreekt.
Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de elektronische monitoring van de maatregel moeilijk is verlopen en al te lang duurt. Dat deel van de vordering van de officier van justitie moet daarom worden afgewezen.

4.De beoordeling

Uit de inhoud van de processtukken en wat tijdens de zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat veroordeelde in de afgelopen periode onvoldoende heeft meegewerkt aan de GBM omdat hij zich meerdere keren niet aan de regels en afspraken heeft gehouden en bepaalde voorwaarden niet heeft nageleefd.
Om te leren dat er duidelijke consequenties zitten aan zijn handelen en om zijn gedrag te verbeteren, is het van belang dat veroordeelde deze consequenties ondervindt. De time-out kan dan ook worden gezien als het directe gevolg van onvoldoende medewerking aan de GBM in de afgelopen maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is de time-out een passende reactie. Wel ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde duur van vier weken en overweegt daartoe als volgt.
Het doel van de time-out, namelijk dat er consequenties zitten aan zijn handelen en het afschrikkende effect daarvan, is met de door veroordeelde inmiddels uitgezeten drie weken bereikt. Daarnaast is er een plek voor veroordeelde gevonden bij wooninstelling [wooninstelling] , waar hij direct terecht kan. Vanuit deze wooninstelling kan de hulp en begeleiding worden geboden die veroordeelde nodig heeft, onder meer bij het zoeken naar werk en ondersteuning bij zijn schulden. Het is van belang om hier zo snel mogelijk op in te zetten. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gedeeltelijk toewijzing van de vordering time-out passend en zal de vordering van de officier van justitie dan ook toewijzen voor de duur van drie weken.
De rechtbank is verder van oordeel dat de vordering tot verlenging van de GBM voor wat betreft de elektronische monitoring niet langer passend is en wijst deze af. Veroordeelde heeft de enkelband geruime tijd, met wisselend succes, gedragen. Veroordeelde heeft op de zitting verklaard gemotiveerd te zijn om zelfstandig aan de slag te gaan. Het is nu aan veroordeelde om te laten zien dat hij in staat is de gestelde voorwaarden en regels, zonder elektronische monitoring, na te leven.

5.Toepasselijke bepalingen

De te geven beslissing is gegrond op artikel 6:6:35, vierde en vijfde lid Sv.

6.Beslissing

De rechtbank:
-
wijstde vordering time-out van de officier van justitie gedeeltelijk
toeen beveelt de tijdelijke opneming van de veroordeelde in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van
drie (3) weken,
-
wijstde vordering tot verlenging van het locatieverbod (met elektronische monitoring) van de officier van justitie
af.
Deze beslissing is genomen door:
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mr. J. Thomas en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.F. Wormhoudt en mr. A.M. Essink, griffiers
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2026.