Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2985

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11759957 \ CV EXPL 25-8654
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 7:962 lid 1 BWArt. 7:692 lid 1 BWArt. 3:310 lid 1 BWArt. 3:37 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeraar kan medische kosten verhalen op aansprakelijke derde na aanrijding

Op 27 mei 2017 vond een aanrijding plaats tussen de gedaagde op zijn bromfiets en een verzekerde van Zorg en Zekerheid, waarbij lichamelijk letsel ontstond. De verzekeraar vergoedde de medische kosten en stelde de gedaagde aansprakelijk voor deze kosten op grond van subrogatie.

De gedaagde erkende zijn aansprakelijkheid niet te hebben weersproken, maar voerde verweer tegen de vordering van administratie- en incassokosten en stelde dat de kwestie met zijn WA-verzekeraar was geregeld. De rechtbank oordeelde dat Zorg en Zekerheid zich rechtstreeks tot de gedaagde kan wenden en dat de vordering niet verjaard is.

De rechtbank wees de medische kosten en de wettelijke rente toe, maar verwierp de vordering tot vergoeding van administratiekosten en buitengerechtelijke incassokosten wegens onvoldoende bewijs van ontvangst van aanmaningen. De proceskosten werden gecompenseerd tussen partijen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van medische kosten en wettelijke rente, administratie- en incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11759957 \ CV EXPL 25-8654
Vonnis van 5 maart 2026
in de zaak van
ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ ZORGVERZEKERAAR ZORG EN ZEKERHEID U.A.,
gevestigd te Leiden,
eisende partij,
hierna te noemen: Zorg en Zekerheid,
gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen),
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 augustus 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de akte overlegging producties 8 tot en met 11 van Zorg en Zekerheid,
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarbij Zorg en Zekerheid is verschenen vertegenwoordigd door B. Boos (werkzaam bij de gemachtigde) en [gedaagde] in persoon is verschenen, vergezeld door zijn partner.
1.2.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunt toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. [gedaagde] heeft daarbij stukken overgelegd die aan het dossier zijn toegevoegd. Vervolgens is de zaak aangehouden in verband met mogelijke schikkingsonderhandelingen, waarna Zorg en Zekerheid om vonnis heeft verzocht.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 27 mei 2017 heeft er een aanrijding plaatsgevonden tussen [gedaagde] , die op zijn bromfiets reed, en mevrouw [naam 1] waardoor [naam 1] lichamelijk letsel heeft opgelopen. Aan [gedaagde] is daarvoor in 2018 wegens overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 een strafbeschikking opgelegd.
2.2.
Zorg en Zekerheid is de zorgverzekeraar van [naam 1] en zij heeft de kosten voor de medische behandelingen van [naam 1] vergoed.
2.3.
Op 17 februari 2022 heeft Zorg en Zekerheid [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de medische kosten met daarbij het verzoek om de aansprakelijkheidsstelling door te sturen naar zijn verzekeraar.

3.Het geschil

3.1.
Zorg en Zekerheid vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
  • € 1.983,60 aan medische kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025,
  • € 65,00 aan administratiekosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2025,
  • € 280,39 aan wettelijke rente berekend vanaf 25 november 2022 tot 29 april 2025,
  • € 371,82 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw,
  • de proceskosten.
3.2.
Zorg en Zekerheid legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Zorg en Zekerheid heeft medische kosten van [naam 1] vergoed die veroorzaakt zijn door de aanrijding. Op grond van artikel 7:962 lid 1 BW Pro is zij in de rechten van haar verzekerde gesubrogeerd en kan zij die kosten verhalen op de aansprakelijke derde, in dit geval [gedaagde] . Zorg en Zekerheid heeft [gedaagde] meermaals aangemaand zodat zij ook aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Ook heeft zij administratiekosten moeten maken die voor rekening van [gedaagde] komen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Nadat [gedaagde] in 2022 de aansprakelijkheidsstelling van Zorg en Zekerheid had ontvangen, heeft hij dat gemeld bij zijn WA-verzekeraar ENRA. ENRA heeft de materiële schade van [naam 1] vergoed. [gedaagde] was in de veronderstelling dat de kwestie daarmee geregeld was. Pas door de dagvaarding is [gedaagde] op de hoogte geraakt van de vordering van Zorg en Zekerheid. Hij heeft toen op allerlei manieren geprobeerd contact te krijgen met Zorg en Zekerheid, maar die reageert niet. Ook haar gemachtigde staat hem niet te woord. Volgens [gedaagde] had Zorg en Zekerheid eerder aan de bel moeten trekken en moet zij zich tot ENRA wenden. De bij de dagvaarding gevoegde aanmaningen van Zorg en Zekerheid heeft [gedaagde] nooit ontvangen.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij aansprakelijk is voor het ongeval van [naam 1] , zodat vast is komen te staan dat [gedaagde] jegens [naam 1] onrechtmatig heeft gehandeld. Nu Zorg en Zekerheid schade heeft vergoed die voortvloeit uit deze onrechtmatige daad, namelijk de medische kosten van [naam 1] , is zij op grond van artikel 7:692 lid 1 BW Pro gesubrogeerd in de vordering tot schadevergoeding van [naam 1] op [gedaagde] . Dat betekent dat Zorg en Zekerheid zich rechtstreeks tot [gedaagde] kan wenden met deze rechtsvordering, ook als hij een eigen WA-verzekeraar heeft. Het is vervolgens aan [gedaagde] om zijn vordering uit hoofde van zijn WA-verzekering zelf met zijn verzekeraar ENRA af te wikkelen.
4.2.
De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat hij een beroep doet op verjaring. Dat beroep slaagt niet. Artikel 3:310 lid 1 BW Pro bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Deze termijn vangt in dit geval op zijn vroegst aan op het moment van de aanrijding op 27 mei 2017. Gebleken is dat Zorg en Zekerheid deze verjaringstermijn met de aansprakelijkheidsstelling van 17 februari 2022 tijdig heeft gestuit. Van verjaring van de vordering van Zorg en Zekerheid op [gedaagde] kan dan ook geen sprake zijn. De vraag of de vordering van [gedaagde] op ENRA uit hoofde van zijn WA- verzekering is verjaard, zoals ENRA kennelijk jegens [gedaagde] aanvoert, betreft een andere rechtsvraag, die in deze procedure niet aan de orde is.
4.3.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde medische kosten, anders dan dat de kosten wellicht al door ENRA zijn vergoed. Nu [gedaagde] dit verweer niet nader heeft onderbouwd, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. De medische kosten ter hoogte van € 1.983,60 komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.
4.4.
Zorg en Zekerheid vordert een bedrag van € 371,82 aan buitengerechtelijke incassokosten. Nu de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad, moet, overeenkomstig het Rapport BGK-integraal – worden aangetoond dat daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan het enkel verzenden van een of meer aanmaningen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Zorg en Zekerheid heeft verschillende aanmaningen in het geding gebracht die naar drie verschillende woonadressen zijn gezonden. [gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat hij deze aanmaningen heeft ontvangen. Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW Pro moet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als deze is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, zoals in onderhavig geval, dient de afzender feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat de verklaring door haar is afgegeven en bij de ontvanger is aangekomen. Nu Zorg en Zekerheid dat heeft nagelaten, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht. In rechte moet het er daarom voor worden gehouden dat [gedaagde] alleen de aansprakelijkheidsstelling van 17 februari 2022 heeft ontvangen. Dat is onvoldoende om tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten te komen. Die vordering wordt daarom afgewezen.
4.5.
De gevorderde administratiekosten van € 65,00 komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. Weliswaar heeft Zorg en Zekerheid toegelicht waarvoor deze kosten zijn opgevoerd, maar deze zien hoofdzakelijk op handelingen die verband houden met haar rol als verzekeraar. Als [naam 1] onderhavige vordering zelf zou hebben ingesteld staat niet vast dat deze kosten gemaakt zouden zijn én of deze kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro toewijsbaar zouden zijn. Daarmee ontbreekt een rechtsgrond voor Zorg en Zekerheid om deze kosten te kunnen vorderen.
4.6.
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over de toewijsbare hoofdsom. Zorg en Zekerheid stelt dat de datum van verzuim is aangevangen op 22 november 2022, te weten een maand na de aanmaning van 25 oktober 2022. Nu hiervoor reeds is overwogen dat [gedaagde] die brief niet heeft ontvangen, zal de kantonrechter de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding.
4.7.
[gedaagde] is voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding niet aangemaand. Hierdoor heeft Zorg en Zekerheid [gedaagde] niet in de gelegenheid gesteld om (eventueel) op een minnelijke wijze tot beëindiging van het geschil te komen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Zorg en Zekerheid te betalen een bedrag van € 1.983,60 voor, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang vanaf 14 mei 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart de veroordeling onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Sissing, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
58984