Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
[naam 4] heeft vorige week aangegeven niet meer door te kunnen en heeft de huur opgezegd. Volgens het huurcontract eindigt de huur als [is] de ruimte door één van de huurders wordt opgezegd. Wij aanvaarden en beve[r]stigen bij dezen de opzegging.Er geldt nog een opzegtermijn van 2 maanden. De einddatum is daarom 31 januari 2026.”
3.Het geschil
I. te bepalen dat de stichting moet dulden dat [eiser] het gebruik van het atelier mag voortzetten, totdat in een bodemprocedure is beslist over de opzegging van de huurovereenkomst;
II. een verbod voor de stichting om het atelier te (laten) ontruimen zolang niet is beslist in een bodemprocedure over de verlenging van de ontruimingstermijn in de zin van artikel 7:230a BW;
III. de stichting te verbieden om maatregelen te treffen die het voortgezet gebruik van het gehuurde onmogelijk maken of belemmeren;
IV. dit alles versterkt met een dwangsom;
Verder vindt [eiser] het belangrijk een rechterlijk oordeel te krijgen over de opzegging door de stichting en zijn eventuele positie als medehuurder.
4.De beoordeling
5.De beslissing
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.