ECLI:NL:RBAMS:2026:3012

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/7794
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 16 Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaartenArt. 21 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 2.3 Taxiverordening Amsterdam 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur wegens verkeersdelicten

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als taxichauffeur te kunnen werken. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen vanwege meerdere justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn van vijf jaar, waaronder een forse geldboete van € 3720,- voor gevaarlijk rijgedrag.

Eiser voerde aan dat het subjectieve criterium ten onrechte werd toegepast en dat de belangenafweging in zijn voordeel moest uitvallen, omdat hij de enige kostwinner is en het werk als taxichauffeur essentieel is voor zijn gezin. De rechtbank oordeelde echter dat de ernst en herhaling van de feiten, waaronder meerdere boetes voor het niet correct gebruiken van de boordcomputer en het aanbieden van taxivervoer zonder vergunning, een belemmering vormen voor de uitoefening van de functie.

De rechtbank vond dat verweerder terecht het belang van de samenleving zwaarder heeft gewogen dan het belang van eiser. Hoewel eiser spijt betuigde en aangaf op het goede pad te zijn, was het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling te kort om het risico voor de samenleving te verwaarlozen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG bevestigd.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag vanwege meerdere verkeersdelicten en het risico voor de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/7794
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid [1] , Dienst Justis, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een VOG aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft op 26 mei 2024 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een VOG, zodat hij een chauffeurskaart kan verkrijgen. Hiermee kan eiser als taxichauffeur werken.
3.1.
Bij brief van 11 juni 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld van plan te zijn de aanvraag van eiser af te wijzen. Eiser heeft een zienswijze ingediend.
3.2.
In het besluit van 30 juli 2024, gehandhaafd in het bestreden besluit van 2 december 2024, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat binnen de op eiser van toepassing zijnde terugkijktermijn van vijf jaar ten aanzien van eiser in het JDS [2] de volgende justitiële gegevens zijn geregistreerd:
  • Eiser is op 27 juni 2024 veroordeeld wegens gevaarlijk rijgedrag (artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994) tot een geldboete van € 3720,- subsidiair 47 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 12 juli 2024 onherroepelijk geworden.
  • Bij strafbeschikking van 20 april 2024 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 20 april 2024 is aan eiser een geldboete ter hoogte van
€ 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
- Bij strafbeschikking van 25 februari 2024 is aan eiser een geldboete ter hoogte van
€ 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 23 februari 2024 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer zonder geldige vergunning (artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012).
  • Bij strafbeschikking van 2 februari 2023 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens het aanbieden van taxivervoer zonder geldige vergunning (artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012).
  • Bij strafbeschikking van 11 oktober 2022 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 8 maart 2022 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 4 februari 2021 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 220,00 opgelegd wegens gevaarlijk rijgedrag (artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994).
  • Bij strafbeschikking van 14 januari 2021 is aan eiser een geldboete ter hoogte van € 360,00 opgelegd wegens gebruik boordcomputer, kaart en pincode niet ingevoerd in boordcomputer (artikel 16, eerste lid, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten).
  • Bij strafbeschikking van 6 november 2020 is aan eiser een geldboete ter hoogte
van € 430,00 opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid (artikel 21 aanhef Pro en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990).
Op grond van de strafbare feiten op het strafblad van eiser heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat die, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor de behoorlijke uitoefening van de functie (het objectieve criterium). Verweerder heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om toch over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG (het subjectieve criterium).
Standpunt eiser
4. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het subjectieve criterium tegenwerpt. Eiser meent dat de belangenafweging in het voordeel van hem dient uit te vallen. Anders dan verweerder stelt, meent eiser dat de opgelegde boete van € 3720,- weliswaar relatief hoog is, maar het is wel de laagste strafmodaliteit. Eiser werkt al geruime tijd als zelfstandig chauffeur. Daarbij geldt dat eiser de enige kostwinner is binnen zijn gezin. Dit werk niet meer kunnen uitoefenen heeft voor eiser en zijn gezin desastreuze gevolgen. Door verweerder is in de beslissing op bezwaar te makkelijk gesteld dat eiser ook ander werk kan doen. Dit is niet zonder meer mogelijk. Veel hangt af van werkervaring, scholing en diploma’s. Ook staat niet zonder meer vast dat eiser met ander werk hetzelfde inkomen kan generen als middels zijn werk als taxichauffeur. Dit is van groot belang om zijn gezin te kunnen onderhouden. De afwijzing van de VOG dient een preventief doel, maar lijkt op deze wijze meer als sanctie te worden ingezet. Het verstrekken van de VOG kan bovendien juist een preventief doel dienen, omdat eiser dan stappen vooruit kan maken in plaats van te worden gedwongen in het verleden te blijven hangen.
Beoordeling
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afgifte van de VOG terecht heeft geweigerd. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
5.1.
Verweerder heeft erop gewezen dat binnen de terugkijktermijn van vijf jaar ten aanzien van eiser meerdere feiten zijn geregistreerd in het JDS. Het gaat om één feit waarvoor een forse boete is opgelegd en om tien feiten waarvoor een lichte straf is opgelegd. Het betreffen allen verkeersfeiten die, als herhaald, gelet op het risico voor de samenleving een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Het objectieve criterium staat ook niet ter discussie tussen partijen.
5.2.
Wel ter discussie tussen partijen staat of aan het subjectieve criterium is voldaan en dus of er belangen zijn aan de kant van eiser die maken dat verweerder toch een VOG dient te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft uitgelegd waarom hij op dit moment de belangen van de Nederlandse staat, en dus de bescherming van de samenleving, zwaarder vindt wegen dat de belangen van eiser bij het krijgen van een VOG. Van belang hierbij is dat er meerdere feiten op het strafblad van eiser staan die niet samengaan met de functie van taxichauffeur. Zo is eiser tweemaal veroordeeld voor gevaarzetting in de zin van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en heeft hij één keer hiervoor een forse boete gekregen van € 3720,-. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hier met een andere bril naar had moeten kijken, omdat een boete de laagste strafmodaliteit is. Dit volgt de rechtbank niet. Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt spelen er bij de strafrechter meer componenten bij de oplegging van de straf, dan enkel de ernst van de overtreding. De rechtbank is het ook eens met verweerder dat het gepleegde strafbare feit ernstig was. Daarnaast heeft eiser ook een boete gekregen voor het aanbieden van een taxi zonder vergunning en is hij meermalen veroordeeld voor het overtreden van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten.
5.3.
Bovendien is eiser in maart 2024 nog met justitie in aanraking gekomen en dat is bij het nemen van het bestreden besluit nog recent. Verweerder heeft daarom kunnen vinden dat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling nog te kort is om te concluderen dat het risico voor de samenleving er niet meer is.
5.4.
Op de zitting heeft eiser verteld dat hij graag een VOG wil, dat hij al lang taxichauffeur is en dat hij klanten is kwijtgeraakt. Ook heeft hij verteld dat hij inmiddels weer werk heeft, maar meer geld wil verdienen, zorg heeft voor zijn moeder en kostwinner is van het gezin (de rechtbank begrijpt op de zitting: het gezin als in eiser en zijn ouders). Daarnaast heeft hij aangegeven dat hij spijt heeft en geleerd heeft van zijn fouten.
5.5.
Wat betreft het zijn van kostwinner van het gezin, heeft eiser dat niet onderbouwd. De rechtbank heeft hier geen stukken van gezien en eiser heeft zelf gezegd dat hij bijdraagt aan de kosten. De rechtbank vindt het knap dat eiser op het goede pad zit. Ook heeft de rechtbank op de zitting gezien dat eiser heel graag een VOG wil krijgen. Maar de rechtbank moet kijken of een beslissing van een bestuursorgaan juridisch te volgen is. Dat is haar toets. De rechtbank is het eens met verweerder dat in de omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om eiser nu wel een VOG te verlenen.
5.6.
Dit betekent niet dat eiser in de toekomst niet opnieuw in aanmerking kan komen voor de gevraagde VOG. Eiser kan altijd opnieuw een aanvraag doen. Verweerder zal dan zijn aanvraag moeten beoordelen op basis van de dan geldende omstandigheden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de afgifte van de VOG terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026 door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen: de minister van Rechtsbescherming.
2.Justitieel Documentatiesysteem.