ECLI:NL:RBAMS:2026:3034

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
13-019793-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 302 SrArt. 2 UWArt. 5 UWArt. 26 UW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering Turkse veroordeelde voor poging tot doodslag en zware mishandeling

De rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van Turkije tot uitlevering van een persoon geboren in 1982, gedetineerd in Nederland, voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van zeven jaar, twintig maanden en één dag. Deze straf is opgelegd bij een verzamelvonnis van 27 september 2021, waarin drie straffen zijn samengevoegd. Het hoger beroep tegen het oorspronkelijke vonnis is verworpen, en het arrest is onherroepelijk.

De rechtbank beoordeelde de grondslag van het uitleveringsverzoek, de genoegzaamheid van de stukken en de dubbele strafbaarheid van de feiten. De verdediging voerde aan dat het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar was vanwege onduidelijkheid over medeplegen en de onherroepelijkheid van het verzamelvonnis. De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde op basis van zijn eigen rol is veroordeeld en dat de stukken voldoen aan de wettelijke eisen.

Verder werd getoetst of het strafproces in Turkije aan de eisen van een eerlijk proces voldeed. De rechtbank concludeerde dat de veroordeelde voldoende gelegenheid heeft gehad zijn verdediging te voeren, het hoger beroep inhoudelijk is behandeld en het arrest onherroepelijk is. De uitlevering werd daarom toelaatbaar verklaard.

De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 19 maart 2026, waarbij de veroordeelde binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de uitlevering van de veroordeelde toelaatbaar voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-019793-25
Datum uitspraak: 19 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering op grond van artikel 23 van Pro de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 10 februari 2025, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de Turkse autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats], Turkije, op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 23 oktober 2025
De rechtbank heeft op 23 oktober 2025 de opgeëiste persoon, zijn raadsman, mr. E. Boskma.
advocaat in Alkmaar, en officier van justitie mr. A. Keulers ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Turkse taal.
Tussenuitspraak van 6 november 2025 [1]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om aanvullende vragen te stellen aan de Turkse autoriteiten over de grondslag van het uitleveringsverzoek. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Zitting 5 maart 2026
De rechtbank heeft - met instemming van partijen - op 5 maart 2026 in gewijzigde samenstelling de inhoudelijke behandeling van het uitleveringsverzoek voortgezet, in aanwezigheid van officier van justitie mr. A. Wagenaar. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, en een tolk in de Turkse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3.Toepasselijk verdrag

Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9), verder te noemen het EUV.

4.Grondslag uitleveringsverzoek

De Turkse autoriteiten hebben bij brief van 5 februari 2025 verzocht om de uitlevering van de opgeëiste persoon voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van zeven jaar, twintig maanden en één dag. Die gevangenisstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij verzamelvonnis van 27 september 2021, kenmerk 2021/7666, door
the Executive Judgeship of Samsun.
Dit verzamelvonnis betreft de samenvoeging van drie straffen die in eerste aanleg tegelijk zijn opgelegd bij vonnis van 29 maart 2021 van
the Assize Court No 3 of Samsun, kenmerk 2021/110
.Het hoger beroep tegen dit vonnis is op inhoudelijke gronden verworpen bij arrest van 10 september 2021 van
the 1st Criminal Chambervan de
Samsun Regional Court of Appealsmet kenmerk
2021/1878 Merits,
2021/2230 Decision. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 blijkt dat, nadat de straffen onherroepelijk zijn geworden, op 27 september 2021, een verzamelvonnis is gewezen door
the Executive Judgeship of Samsun,waarbij de drie straffen bij elkaar zijn opgeteld tot één straf van zeven jaren, twintig maanden en één dag. Dit verzamelvonnis vormt blijkens die aanvullende informatie de grondslag van het uitleveringsverzoek.
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zijn uiteengezet in het vonnis van 29 maart 2021 van
the Assize Court No 3 of Samsun, kenmerk 2021/110 en kort samengevat in de ‘writ’ van 27 januari 2025 van de
Samsun Chief Public Prosecutor’s Office, No.: 2021/1-3854
.

5.Genoegzaamheid van de stukken

Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, UW dient ter staving van het uitleveringsverzoek onder meer te worden overgelegd “een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen”.
In het uitleveringsverzoek zijn als toepasselijke wetsartikelen genoemd de artikelen 86/1, 86/3.e, 87/1/d, 62/1, 29/1, 53/1 en 58/6 van het Turkse wetboek van strafrecht nr. 5237. In de aanvullende informatie van 8 januari 2026 zijn de artikelen 86/1, 86/3-e, 87/1-d, 29/1 en 62/1 van het Turkse wetboek van strafrecht genoemd als toepasselijke wetsartikelen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat er geen antwoord is gegeven op de door de rechtbank geformuleerde vraag in de tussenuitspraak van 6 november 2025 over de deelnemingsvorm “medeplegen”. Uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon
“acted together with”. Er is dus sprake van medeplegen, maar het betreffende wetsartikel en de strafbedreiging ontbreken in het dossier.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van het uitleveringsverzoek moet worden aangehouden om de wetsartikelen en de strafbedreiging met betrekking tot de deelnemingsvorm “medeplegen” op te vragen bij de Turkse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat in het vonnis van 29 maart 2021 is vermeld dat de opgeëiste persoon het strafbare feit gepleegd heeft
“acting together within the meaning of Article 37/1 of the TPC No.5237”.De rechtbank stelt voorts vast dat artikel 37 van Pro het Turkse wetboek van strafrecht, dat lijkt te zien op de deelnemingsvorm “medeplegen”, niet genoemd wordt in het uitleveringsverzoek bij de toepasselijke wetsartikelen.
De rechtbank overweegt dat uit het vonnis van 29 maart 2021 blijkt dat de opgeëiste persoon op basis van zijn eigen deelname aan het strafbare feit is veroordeeld. Ook blijkt uit het vonnis dat de opgelegde straffen voor alle daders gelijk zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende duidelijk is dat de opgeëiste persoon veroordeeld is op basis van zijn eigen rol en dat hij zelf alle delictsbestanddelen heeft vervuld. De rechtbank kan dan ook volgen dat artikel 37 van Pro het Turkse wetboek van strafrecht niet wordt vermeld in het uitleveringsverzoek onder de toepasselijke wetsartikelen.
De rechtbank is van oordeel dat de stukken ook overigens voldoen aan de eisen van artikel 12, tweede lid, van het EUV en artikel 18 van Pro de Uitleveringswet en verwerpt het verweer van de raadsman.

6.Dubbele strafbaarheid

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Turks recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste één jaar worden opgelegd. De feiten zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf van ten minste één jaar worden opgelegd. De feiten leveren naar Nederlands recht op:
poging tot doodslag, meermalen gepleegd;
zware mishandeling.
7. Recht op een eerlijk proces, artikel 3 Tweede Pro Aanvullend Protocol en artikel 5 UW Pro
Inleiding
Bij brief van 8 januari 2026 heeft
the Republic of Turkiye Samsun Chief Public Prosecutor’s Officede volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…)
3) The accused’s counsels lodged an appeal, and the judgment became final following appellate review. Therefore, he was aware of the availability of legal remedies.
(…)
1)The aggregation decision of the Samsun Enforcement Judgeship dated 27/09/2021 forms the basis of the extradition request with respect to the total sentence. The fact that the aggregation decision was rendered subsequent to the issuance of the arrest warrant has no bearing on the validity of the arrest warrant. The warrant remains valid, as it was issued based on the total sentence.2) The Samsun Enforcement Judgeship had no discretionary authority in determining the sentence when rendering the aggregation decision dated 27/09/2021. Pursuant to Article 99 of Law No. 5275, it is vested solely with the power to render aggregation decisions with respect to the decisions that have become final and have been transmitted to the Chief Public Prosecutor's Office.3) According to Article 19-2 of Law No. 5275, for the execution of sentences of over three years in cases of intentional crimes, arrest warrants are issued directly, therefore a direct arrest warrant has been issued for the convicted person. Since the convicted person could not yet be detained, the consolidation decision could not be served on him, therefore the decision is not yet final. Therefore, the person still has the right to appeal the decision on the consolidation of sentences and, since the sentences, subject to the consolidation decision had become final, his appealing the consolidation decision will not affect the execution of the provisions, subject to the arrest warrant.4) According to Article 101 of Law No. 5275, during the execution of the sentence, the decisions to be rendered by the court or the execution judge pursuant to Articles 98 to 100, will be handed down without a hearing, therefore the defense of the convicted person is not necessary when deciding to join the sentences.
(…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 blijkt dat het verzamelvonnis van 27 september 2021 nog niet onherroepelijk is. Uit de stukken blijkt niet wat de beroepstermijn is en of deze nog loopt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzamelvonnis van
27 september 2021 niet getoetst hoeft te worden aan artikel 5, derde lid, UW, omdat uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 blijkt dat er geen beoordelingsmarge was bij het bepalen van de daarin vastgestelde straf. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verzamelvonnis van 27 september 2021 nog niet onherroepelijk is en dat hiertegen hoger beroep mogelijk is. Artikel 5, derde lid, UW staat daarom niet aan uitlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelvonnis vanthe Samsun Enforcement Judgeshipvan 27 september 2021
De rechtbank stelt voorop dat uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 volgt dat
the Samsun enforcement Judgeshipbij het wijzen van het verzamelvonnis geen beoordelingsmarge had bij het bepalen van de straf. Nu slechts sprake is van een optelsom van de in het arrest van 10 september 2021 van
the Regional Court of Appeals of Samsunopgelegde straffen, betreft het verzamelvonnis dus geen “strafvonnis (...) dat bij verstek is gewezen” in de zin van artikel 3, eerste lid, Tweede Aanvullend Protocol waarvan gezegd kan worden dat “bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen”.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
Ten aanzien van het onderliggende arrest vanthe Republic of Turkiye, Regional Court of Appeals of Samsun, 1st Criminal chambervan 10 september 2021 met kenmerk no. 2021/2230
De rechtbank moet op grond van artikel 3 van Pro het Tweede Aanvullend protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW toetsen of bij het strafproces dat tot het bij verstek gewezen arrest heeft geleid de rechten van de verdediging in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om zijn verdediging te voeren. Uit het arrest blijkt dat het hoger beroep inhoudelijk is behandeld en uit de aanvullende informatie van 8 januari 2026 volgt dat het arrest onherroepelijk is. Dit arrest valt daarom onder de reikwijdte van artikel 5, derde lid, UW. Uit de aanvullende informatie volgt daarnaast dat de advocaten van de opgeëiste persoon hoger beroep hebben ingesteld tegen het vonnis van 29 maart 2021 en dat de opgeëiste persoon in hoger beroep ter zitting door twee gemachtigde advocaten is vertegenwoordigd.

8.Slotsom

Nu de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd aan alle daarvoor in de UW en het EUV gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

9.Toepasselijke wetsartikelen.

de artikelen 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2, 5, 26 en 28 van de Uitleveringswet en
de artikelen 1, 2 en 12 van het EUV
artikel 3 van Pro het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV.

10.Beslissing.

Verklaart
TOELAATBAARde door Turkije verzochte uitlevering van
[opgeëiste persoon]tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf van zeven jaar, twintig maanden en één dag, zoals opgelegd bij verzamelvonnis van 27 september 2021 door
the Executive Judgeship of Samsunwegens de feiten zoals uiteengezet in het vonnis van 29 maart 2021 van
the Assize Court No 3 of Samsun, kenmerk 2021/110 en kort samengevat in de ‘writ’ van 27 januari 2025 van de
Samsun Chief Public Prosecutor’s Office, No.: 2021/1-3854
.
Aldus gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
Ingevolge artikel 31 van Pro de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.