ECLI:NL:RBAMS:2026:3050

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
25/3005
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.9 Bouwbesluit 2012Art. 3.10 Bouwbesluit 2012Art. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek geluidsoverlast stadsverwarmingssysteem wegens ontbreken overtreding Bouwbesluit 2012

Eiser diende een handhavingsverzoek in tegen het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam vanwege geluidsoverlast sinds de installatie van een nieuw stadsverwarmingssysteem in zijn gebouw. Hij stelde dat het systeem een overtreding van het Bouwbesluit 2012 veroorzaakte. Het college wees het verzoek aanvankelijk af, waarna eiser bezwaar maakte en aanvullende rapporten overlegde.

De bezwaarschriftencommissie verklaarde het bezwaar gegrond en oordeelde dat het college onvoldoende onderzoek had verricht. Het college voerde daarop meerdere controles uit in de woning en technische ruimte, waarbij geen overschrijding van de geluidsnorm van 40 dB werd vastgesteld. Het college wees het handhavingsverzoek definitief af.

De rechtbank oordeelde dat het college voldoende onderzoek had gedaan en dat geen overtreding van het Bouwbesluit 2012 was vastgesteld. De geluidsoverlast die eiser ervaart betreft een privaatrechtelijke kwestie waarvoor hij zich tot de VvE moet wenden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het handhavingsverzoek afgewezen wegens het ontbreken van een overtreding van het Bouwbesluit 2012.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3005

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.V. Wilkens),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.G. Spiegelenburg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek om handhaving van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek om handhaving mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser woont op [adres] . Het college heeft op 19 oktober 2023 van eiser een verzoek om handhaving ontvangen vanwege geluidsoverlast sinds de installatie van een nieuw stadsverwarmingssysteem in het gebouw, waarvan de woning van eiser onderdeel uitmaakt. Volgens eiser is er sprake van een overtreding van het Bouwbesluit 2012. Bij zijn verzoek heeft eiser een controlerapport milieu van de Omgevingsdienst gevoegd. Uit dit rapport volgt dat de Omgevingsdienst begin 2023 een geluidsmeting heeft verricht in eisers woning, waarbij piekgeluiden zijn gemeten. Volgens de Omgevingsdienst is zij niet bevoegd om handhavend op te treden naar aanleiding van de verrichte meting, maar is mogelijk sprake van een overtreding van het Bouwbesluit 2012.
2.1.
Met een besluit van 30 oktober 2023 heeft het college het verzoek van eiser afgewezen, omdat volgens het college sprake is van bestaande bouw en in het bouwbesluit geen geluidsnormen staan opgenomen die daarop betrekking hebben. Er is dus geen sprake van een overtreding, aldus het college.
2.2.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en als onderbouwing een rapport overgelegd van [persoon] van [bedrijf] van 13 februari 2024. Uit dit rapport blijkt dat het geluid van het in trilling brengen van de waterleidingen in de woning van eiser met regelmaat boven de norm van 40 dB uitkomt.
2.3.
Met een beslissing op bezwaar van 28 juni 2024 heeft het college – onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaarschrift gegrond verklaard en het besluit van 30 oktober 2023 herroepen. Volgens de bezwaarschriftencommissie is tijdens de bezwaarprocedure duidelijk geworden dat het eiser te doen is om wateroverslag in bestaande leidingen, als gevolg van de hogere druk door de nieuw aangebrachte hydrofoor in 2022 en het geluid dat van de hydrofoor zelf afkomstig is. Volgens de bezwaarschriftencommissie is sprake van verbouw en moet daarom worden uitgegaan van de normen die zijn gesteld voor verbouw in de artikelen 3.9 en 3.10 van het Bouwbesluit 2012. Volgens de bezwaarschriftencommissie heeft het college ten onrechte niet onderzocht in welke mate er sprake is van geluid in de woning (hoeveel dB), waar het geluid vandaan komt, of de bron van het geluid gezien kon worden als een nieuw bouwwerk/bouwonderdeel en zo ja, of er dan sprake is van bestaande bouw of verbouw. Door geen controle ter plekke te verrichten heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
2.4.
Vanaf medio juni 2024 heeft het college geprobeerd in contact te komen met eiser voor het uitvoeren van een controle. Op 25 juni 2024 heeft eiser per mail laten weten op zijn vroegst 24 juli 2024 beschikbaar te zijn voor een controle in zijn woning. Op 5 juli 2024 hebben twee toezichthouders van het college in de ochtend een controle verricht in de technische ruimte van het gebouw, waar de nieuwe hydrofoor zich bevindt. Op 18 september 2024 en 8 januari 2025 hebben toezichthouders een controle verricht in de woning van eiser.
2.5.
Op 1 april 2025 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser.
2.6.
In een besluit van 11 april 2025 heeft het college beslist dat er met het besluit van 28 juni 2024 reeds op het bezwaar van eiser is beslist, dat er als onderdeel van de beslissing op bezwaar ten onrechte geen besluit is genomen op het eerste handhavingsverzoek, dat nu sprake is van een onherroepelijke beslissing op bezwaar en dat de ingebrekestelling daarom als een hernieuwd verzoek om handhaving wordt aangemerkt. Verder heeft het college beslist dat het hernieuwde handhavingsverzoek van eiser moet worden afgewezen, omdat er tijdens de controles van 5 juli 2024, 18 september 2024 en 8 januari 2025 geen overschrijding van de geluidsnorm van 40 dB – voor zover die al van toepassing is – is vastgesteld. Aan dit besluit heeft het college het rapport van bevindingen van 8 april 2025 ten grondslag gelegd. Uit dit rapport volgt dat tijdens de controle op 5 juli 2024 de hydrofoor zelf niet of nauwelijks geluid heeft geproduceerd. Hoewel er getracht is een geluidsmeting te verrichten, kwam het geluid van de hydrofoor niet boven het omgevingsgeluid uit. De hydrofoor zelf voldoet daarmee aan de verbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit. Verder volgt uit het rapport dat tijdens de controle op 18 september 2024 circa 12 minuten geluidsmetingen zijn verricht in de hal van de woning van eiser ter hoogte van de slaapkamerdeur. Er was een lichte tik te horen en wat gezoem. Het getik en gezoem waren niet of nauwelijks te horen op de geluidsfragmenten. Evenmin is geconstateerd waar het tikkende en zoemende geluid vandaan komt. Wel is geconstateerd dat op één plek bij het toilet, de beugels van de waterleidingen in de woning niet optimaal gebeugeld waren. Tot slot volgt uit het rapport dat tijdens de controle op 8 januari 2025 bij het dichtzetten van de kraan in de badkamer meerdere malen een flinke tik waarneembaar was. Met eiser is tijdens de controle besproken dat de terugslag van de waterkraan de oorzaak zou kunnen zijn van het geluid. Omdat tijdens de drie controles geen overtredingen zijn geconstateerd, moet het verzoek van eiser worden afgewezen, aldus het college.
2.7.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 april 2025. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, dhr. [persoon] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college het verzoek om handhaving mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Duiding bestreden besluit
4.1.
Het college heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat hij zich in het besluit van 11 april 2025 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de bezwaarprocedure was afgerond. Volgens het college moet het besluit van 11 april 2025 in samenhang worden bezien met de beslissing op bezwaar van 28 juni 2024 en moeten de besluiten tezamen worden aangemerkt als het in beroep bestreden besluit, aldus het college.
4.2.
De rechtbank volgt het standpunt van het college. Volgens vaste rechtspraak [1] vloeit uit artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven – het bestuursorgaan niet kan volstaan met een gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld, behoudens in het geval waarin de enkele herroeping van dat besluit voldoende is.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 28 juni 2024 onvolledig is, omdat daarin alleen het door eiser gemaakte bezwaar gegrond wordt verklaard zonder dat daarvoor een nieuw besluit in de plaats wordt gesteld. Het college diende na de herroeping van het besluit van 30 oktober 2023 nog te beslissen op het door eiser ingediende handhavingsverzoek. Een dergelijk nieuw besluit heeft het college genomen op 11 april 2025. Tussen de gegrondverklaring van het door eiser gemaakte bezwaar in het besluit van 28 juni 2024 en de in het besluit van 11 april 2025 neergelegde afwijzing van het handhavingsverzoek bestaat een onverbrekelijke samenhang. Deze besluiten moeten dus worden beschouwd als de samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op het door eiser gemaakte bezwaar.
Juridisch kader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het verzoek om handhaving vóór 1 januari 2024 is gedaan, is de oude regelgeving, zoals het Bouwbesluit 2012, nog op deze zaak van toepassing.
5.1.
Artikel 3.9, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 bepaalt dat een toilet met waterspoeling, een kraan, een mechanische voorziening voor luchtverversing, een installatie voor warmte- of koudeopwekking, een installatie voor verhoging van waterdruk of een lift veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van een aangrenzende op hetzelfde perceel gelegen woonfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste 30 dB.
5.2.
Artikel 3.10 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt – voor zover hier van belang – dat op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk artikel 3.9, eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing is, waarbij wordt uitgegaan van een niveau van eisen dat 10 dB lager is dan het in dat artikel aangegeven niveau.
Mocht het college het verzoek om handhaving afwijzen?
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb. Eiser heeft ter onderbouwing een nieuwe notitie van [persoon] van [bedrijf] van 12 juni 2025 overgelegd. Uit de notitie volgt dat tijdens het eerdere onderzoek al is vastgesteld dat de norm van 40 dB voor het karakteristieke installatiegeluidsniveau met regelmaat wordt overschreden als gevolg van het gebruik van het in trilling brengen van de waterleiding doordat ergens in het gebouw de waterkraan wordt gebruikt. Dit is ook vastgesteld in het onderzoek van de omgevingsdienst. Nu dit zowel door [bedrijf] als door de Omgevingsdienst is vastgesteld en daarnaast is vastgesteld dat dit wordt veroorzaakt door een installatie die onderdeel uitmaakt van het bouwwerk is er volgens [bedrijf] sprake van een gebrek.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de beslissing op bezwaar van
28 juni 2024 is geoordeeld dat de (eerste) afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende was onderbouwd, omdat er geen gedegen onderzoek ter plaatse was gedaan. De rapportage van de Omgevingsdienst was onvoldoende basis voor de afwijzing van het handhavingsverzoek, dan wel voor handhavend optreden. Het college kan alleen handhavend optreden wanneer sprake is van een bewezen overtreding. Uit de rapporten van [bedrijf] en de Omgevingsdienst is niet op te maken wat de oorzaak van de gemeten geluidpieken is. Verder is niet in geschil dat de nieuwe installatie zelf geen geluid produceert dat de wettelijke grenzen overschrijdt. Het geschil beperkt zich tot de geluiden die veroorzaakt zouden worden door de zogeheten ‘waterslag’ bij open- en dichtdraaien van kranen in het gebouw. Uit de controles van de toezichthouders is niet gebleken dat deze geluiden de wettelijke grenzen overschrijden. Uit de eerder ingediende onderzoeken van de Omgevingsdienst en van [bedrijf] blijkt weliswaar dat zich in de woning piekgeluiden voordoen die de wettelijke grenswaarden overschrijden, maar er is geen bewijs dat deze piekgeluiden veroorzaakt worden door de nieuwe (dan wel het vernieuwde deel van de) installatie. Waterslag kan ook veroorzaakt of verergerd worden door gebreken aan (de bevestigingen van) de waterleidingen ergens in het gebouw. Zolang de medewerkers van de gemeente niet kunnen vaststellen dat de nieuwe installatie de geluidspieken veroorzaakt die wettelijke grenzen overschrijden, kan het college niet handhavend optreden.
6.2.
De rechtbank kan het standpunt van het college volgen. Daarnaast is zij van oordeel dat het college voldoende onderzoek heeft gedaan, maar dat geen overtreding van een wettelijke norm is geconstateerd. Juist in het licht van de onderzoeken van [persoon] en de Omgevingsdienst heeft het college op meerdere data en tijdstippen toezichthouders een controle laten verrichten, waaronder op de volgens eiser representatieve tijdstippen en momenten zoals de ochtendspits en in de winterperiode. De door eiser genoemde geluiden zijn weliswaar waargenomen, maar kwamen niet boven de 40 dB uit. Ook in de badkamer was een tik waarneembaar, maar ook dit geluid kwam niet boven de 40 dB uit.
6.3.
Daar komt nog bij dat zelfs al zou nader onderzoek gedaan moeten worden, eiser stelt dat de waterdruk te hoog is en het geluid uit de leidingen komt. De leidingen vallen onder ‘bestaande bouw’, zodat daarvoor in het Bouwbesluit 2012 geen normen gelden. Ook voor waterslag, hetgeen waar eiser last van heeft, gelden in het Bouwbesluit 2012 geen normen. De hydrofoor valt als vervangen geluidsinstallatie weliswaar onder ‘verbouw’, maar niet in geschil is dat de hydrofoor zelf geen geluidsnormen overschrijdt. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, zijn de niet vervangen leidingen en het water dat daar doorheen loopt daar geen onderdeel van. De rechtbank is met het college van oordeel dat zelfs al zou door de toezichthouders een overschrijding van 40 dB zijn geconstateerd, daarmee geen sprake is van een overtreding van de normen in het Bouwbesluit 2012. Het college heeft het verzoek om handhaving dan ook in redelijkheid kunnen afwijzen.
6.4.
Het voorgaande doet echter niet af aan de overlast die eiser ervaart. Dit is echter geen bestuursrechtelijke kwestie, maar een privaatrechtelijke kwestie. Voor de ter zitting besproken oplossingen zal eiser zich tot de VvE moeten richten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1802.