ECLI:NL:RBAMS:2026:3055

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/3406
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.J. Mulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArt. 8:72 AwbArtikel 24.1 bestemmingsplanArtikel 24.3.1 bestemmingsplanArtikel 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt verlening omgevingsvergunning voor bewoning garageboxen ondanks bestemmingsplan

Eiser heeft een aanvraag ingediend om twee garageboxen te gebruiken als woonruimte, wat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft de aanvraag geweigerd en dit besluit gehandhaafd na bezwaar. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het college de weigering onvoldoende heeft gemotiveerd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het college handhaafde de weigering met aanvullende motivering, maar bracht geen nieuwe relevante bezwaren naar voren.

De rechtbank stelt vast dat het gebruik van de garageboxen voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat dit op zichzelf onvoldoende is om de vergunning te weigeren. De rechtbank oordeelt dat het college geen nieuwe argumenten heeft die de weigering kunnen dragen en dat de gevraagde uitbreiding van de woonruimte geen extra woningen creëert. De vrees voor precedentwerking is volgens de rechtbank ongegrond.

Omdat het college geen nieuwe relevante motieven heeft en de motivering van het besluit tekortschiet, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank beveelt het college om binnen vier weken de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen en het griffierecht aan eiser te vergoeden. De primaire en bestreden besluiten worden vernietigd.

Uitkomst: De rechtbank beveelt het college om binnen vier weken de omgevingsvergunning voor bewoning van de garageboxen te verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder (het college)
(gemachtigde: mr. R.M. d’Hooghe).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning.
Met het besluit van 20 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [eiser] om een omgevingsvergunning te verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen op de [adres 1] en [adres 2] , geweigerd.
Met haar (eerste) beslissing op het bezwaar van [eiser] van 21 mei 2024 is het college bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit is [eiser] in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Op 17 maart 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak.
Met een nieuwe beslissing op het bezwaar van [eiser] van 23 april 2025 (het bestreden besluit), is het college opnieuw bij haar beslissing gebleven. Ook tegen dit besluit heeft [eiser] beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben [eiser] en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
1.1.
[eiser] is eigenaar van het bedrijfsgebouw op het adres [adres 3] en de garageboxen op de adressen [adres 1] en [adres 2] . Het bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 60 m² en de twee garageboxen hebben ieder een oppervlakte van 18 m².
1.2.
Op 31 maart 2020 heeft [eiser] een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het bedrijfsgebouw en de garageboxen ten behoeve van wonen. Op 16 juli 2020 heeft het college de aanvraag afgewezen.
1.3.
Op 30 december 2020 heeft [eiser] een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het bedrijfsgebouw ten behoeve van wonen. Met een besluit van 18 maart 2021 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Naar aanleiding van een door [eiser] ingediend bezwaar is vervolgens, op 16 november 2021, van rechtswege een omgevingsvergunning verleend. In het bestemmingsplan [bestemmingsplan] (het bestemmingsplan) is vervolgens aan het bedrijfsgebouw naast de enkelbestemming ‘Bedrijf-Kleinschalig’ tevens een functieaanduiding ‘Wonen’ toegekend (hierna: de woning).
1.4.
In september 2023 heeft [eiser] vervolgens een aanvraag ingediend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning ten behoeve van het realiseren van twee slaapkamers. Deze vergunning is verleend.
1.5.
De garageboxen liggen aan weerszijden van de woning en zijn verbonden met de woning. De garageboxen hebben volgens het bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Verkeer-Garagebox’ en de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 5’. Deze gronden zijn bestemd voor garageboxen met de daarbij behorende verhardingen en ontsluitingsregels. [eiser] is voornemens de garageboxen in gebruik bij de woning te betrekken. Eén van de garageboxen wil hij gebruiken als gelijkvloerse slaapkamer met badkamer voor zijn minder valide moeder. De andere garagebox wil hij gebruiken als keuken en inpandige berging, waardoor meer geschikte woon- en leefruimte zal ontstaan met grote toegankelijkheid. Voor dit gebruik in strijd met het bestemmingsplan heeft hij op 27 december 2023 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Met het besluit van 20 februari 2024 heeft het college de aanvraag geweigerd.
1.6.
Met de beslissing op bezwaar van 21 mei 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Aan het besluit ligt een advies van de bezwaarschriftencommissie van dezelfde datum ten grondslag. Volgens de bezwaarschriftencommissie hoeft de omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik niet te worden verleend nu in het bestemmingsplan expliciet staat dat bewoning van deze garageboxen in strijd is met de bestemming [1] en dit gebruik bovendien in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [eiser] heeft tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld.
1.7.
Op 17 maart 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd, het beroep gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
1.8.
Met het besluit van 23 april 2025 heeft het college opnieuw op het bezwaar beslist en de afwijzing gehandhaafd. Aan het besluit ligt wederom het advies van de bezwaarschriftencommissie van 21 mei 2024 ten grondslag. Het college volgt opnieuw de conclusie van de commissie, maar neemt de motivering niet (meer) volledig over en vult deze aan. Die aanvullende motivering houdt, kort samengevat, in dat een woonfunctie op deze locatie ruimtelijk onwenselijk is, dat het omzetten van garageboxen op dit soort garagepleinen naar wonen niet in overeenstemming is met de ruimtelijke opbouw van het gebied, dat (anders dan bij de eerdere zitting bij de rechtbank is besproken) geen sprake is van een open verbinding tussen de garageboxen en de woning en dat het verlenen van de vergunning zou leiden tot ongewenste precedentwerking. Ten slotte wordt eiser volgens het college niet onevenredig benadeeld door de weigering van de vergunning.
Juridisch kader
1.9.
Per 1 januari 2024 is de Wabo [2] ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
1.10.
De rechtbank stelt vast dat de garageboxen aan weerszijden naast en aansluitend aan het bedrijfsgebouw liggen. De garageboxen en het bedrijfsgebouw liggen aan een plein, waar zich ook andere garageboxen bevinden. Het bedrijfsgebouw is op de plankaart paars aangegeven en heeft, naar aanleiding van de op 16 november 2021 verleende omgevingsvergunning van rechtswege, de functieaanduiding ‘Wonen’. In het bedrijfsgebouw mag dus gewoond worden.
1.11.
Niet in geschil is dat het gebruik van de garageboxen voor bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. Op de locatie geldt de bestemming ‘Verkeer-Garagebox’ en in het bestemmingsplan staat expliciet vermeld dat het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt gerekend. [3] Om deze reden heeft [eiser] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. [4]
1.12.
De vraag die bij de rechtbank voorligt is of het college in redelijkheid heeft kunnen beslissen om geen medewerking te verlenen aan het met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo verlenen van een omgevingsvergunning. Op grond van de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, geldt daarbij dat de activiteit niet in strijd mag zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft het college beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet van het bestemmingsplan af te wijken en moet het de betrokken belangen afwegen. [5] Het college moet de weigering van de gevraagde afwijking goed motiveren.
Overwegingen
1.13.
[eiser] betoogt dat het college het bestreden besluit heeft gebaseerd op argumenten die de rechtbank in de vorige uitspraak al heeft verworpen. Die argumenten kunnen dit besluit volgens hem nog steeds niet dragen. [eiser] verzoekt de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien en de vergunning te verlenen.
1.14.
De rechtbank stelt voorop dat het college geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 17 maart 2025. Daarmee is de uitspraak onherroepelijk geworden en was het college gehouden om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van wat de rechtbank in de uitspraak heeft geoordeeld.
1.15.
Zoals de rechtbank in de uitspraak heeft overwogen, is juist het feit dat wonen in de garageboxen in strijd is met het bestemmingsplan, de reden waarom [eiser] een vergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat het bestemmingsplan geen wonen toestaat in deze garageboxen, is onvoldoende om te concluderen dat het aangevraagde gebruik in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en om de afwijzing van de aanvraag te kunnen dragen. De rechtbank heeft in de vorige uitspraak ook al geoordeeld dat het feit dat de functieaanduiding ‘Wonen’ ter plaatse van het bedrijfsgebouw het gevolg is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning daarbij niet relevant is. Wonen aan het garagepleintje is nu eenmaal planologisch toegestaan en daarmee het uitgangspunt bij de beoordeling van de aanvraag van eiser. Dat verweerder niet achter het gebruik van het bedrijfspand als woning stond en staat en wonen op dit garageplein ongewenst vindt, doet bij de beoordeling van de aanvraag om de omgevingsvergunning die nu voorligt dus niet ter zake en kan geen reden vormen om deze omgevingsvergunning te weigeren. Dat geldt ook voor het feit dat een uitsterfregeling is opgenomen in het bestemmingsplan, nu gesteld noch gebleken is dat wonen op grond van die regeling niet langer is toegestaan. Gelet hierop kan ook het feit dat op deze locatie niet kan worden aangesloten bij de ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur en kwaliteit, alsmede het woningtype in de omgeving, de weigering van de omgevingsvergunning niet dragen. Wonen op deze locatie in een ander woningtype is nu eenmaal al toegestaan, de aangevraagde vergunning verandert daar niets aan maar ziet alleen op het uitbreiden van die woning ten koste van twee garageboxen.
1.16.
In de uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank verder overwogen en geoordeeld dat met wat eiser heeft aangevraagd geen extra woningen worden gecreëerd. In dat verband is de rechtbank er in de uitspraak vanuit gegaan dat de garageboxen intern verbonden zijn met, en bouwtechnisch onderdeel zijn van het bedrijfsgebouw en worden toegevoegd aan de woning die daar al is toegestaan. Een afwijzing van de aanvraag wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, moet dus worden gemotiveerd met bezwaren die betrekking hebben op het vergroten van de ter plaatse toegestane woonruimte en/of het beëindigen van het gebruik van de garageboxen als zodanig. Het college voert nu aan dat geen sprake is van een open verbinding. Nog los van de onderbouwde betwisting van die stelling door [eiser] , heeft het college niet gemotiveerd dat de aangevraagde vergunning daarmee andere ruimtelijke gevolgen heeft dan waar de rechtbank in de uitspraak van 17 maart 2025 vanuit is gegaan. De rechtbank stelt vast dat zowel het bouwvolume als de bouwcontour ongewijzigd blijven. Volgens de op zitting getoonde (3D) tekeningen blijven de garages aan de buitenzijde voorzien van dichte deuren, zodat ook in zoverre geen sprake is van een wijziging van de ruimtelijke uitstraling.
1.17.
Over de door het college gevreesde precedentwerking heeft de rechtbank, net als de bezwaarschriftencommissie, geoordeeld dat die vrees onterecht is. De rechtbank ziet in de aanvullende motivering van het college op dit punt geen aanleiding om hier anders over te oordelen. In het bestreden besluit en ter zitting heeft het college toegelicht dat het verlenen van de door eiser gevraagde vergunning het moeilijker zal maken om vergelijkbare vergunningaanvragen te weigeren, omdat zal moeten worden uitgelegd waarom geen sprake is van een gelijk geval. Dat het college dit liever uit de weg gaat is geen belang dat tot weigering kan leiden.
1.18.
De rechtbank oordeelt dat het college in het bestreden besluit geen nieuwe bezwaren/argumenten naar voren heeft gebracht die betrekking hebben op de uitbreiding van de ter plaatse toegestane woonruimte en/of de beëindiging van het gebruik van de garageboxen en die de conclusie kunnen dragen dat de aanvraag van eiser in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Het beroep slaagt.
1.19.
Als de rechtbank een besluit vernietigt, moet zij beoordelen of het geschil definitief kan worden beslecht. Daarbij moet de rechtbank onder meer nagaan of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien, zoals [eiser] ook heeft verzocht. Daarvoor is vereist dat de rechtbank ervan overtuigd is dat de uitkomst niet anders zou zijn als het bestuursorgaan opnieuw op de zaak zou beslissen en dat die uitkomst de toets aan het recht kan doorstaan. Zelf in de zaak voorzien is niet mogelijk als de rechtbank dan zou moeten oordelen over een kwestie waarover partijen zich in de procedure niet of onvoldoende hebben uitgelaten. [6]
1.20.
Het college heeft de gelegenheid gehad om de motivering van het bestreden besluit aan te passen en/of aan te vullen, maar dit heeft niet geleid tot opheffing van het motiveringsgebrek. Het is niet te verwachten dat dit anders zal zijn als de rechtbank het college opdracht geeft om wederom een nieuw besluit op het bezwaar van [eiser] te nemen. Integendeel, het college heeft ter zitting benadrukt de aanvraag dan opnieuw te zullen afwijzen met dezelfde motivering. [eiser] zal vervolgens weer beroep instellen. Een dergelijke gang van zaken draagt niet bij aan een efficiënte beslechting van dit geschil. Bovendien heeft het college ter zitting verklaard dat alle redenen die het aan de weigering van de vergunning ten grondslag wenst te leggen, inmiddels in deze en de vorige beroepsprocedure zijn besproken.
1.21.
Nu beide partijen zich voldoende hebben kunnen uitlaten over alle relevante aspecten van de zaak en de rechtbank van oordeel is dat het college geen juridisch relevante argumenten heeft en zal kunnen aandragen die de afwijzing van de aanvraag kunnen dragen, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het college op te dragen om binnen vier weken na deze uitspraak de gevraagde omgevingsvergunning aan [eiser] te verlenen.

Conclusie en gevolgen

2. Het beroep is gegrond omdat het college het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing en bepaalt dat het college binnen vier weken na deze uitspraak de gevraagde omgevingsvergunning aan [eiser] dient te verlenen. Daarom herroept de rechtbank ook het primaire besluit.
2.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiser] vergoeden. [eiser] ontvangt geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat hij niet is bijgestaan door een gemachtigde en niet is gebleken van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- bepaalt dat het college de omgevingsvergunning die door [eiser] is aangevraagd binnen vier weken alsnog dient te verlenen;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser] dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Mulder, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 24.1 en 24.3.1 van het bestemmingsplan.
2.Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
3.Artikel 24.1 in combinatie met artikel 24.3.1 van het bestemmingsplan.
4.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
5.Vergelijk ABRvS 12 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4079).
6.ABRvS 17 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2459).