ECLI:NL:RBAMS:2026:3073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
AWB - 25/5986
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 BpbArt. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar tegen Woo-verzoek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen een besluit van 14 juli 2025 over een Woo-verzoek. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en de beslistermijn is overschreden. Eiser stelde verweerder in gebreke en ging daarna in beroep.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke termijn van zes weken heeft beslist. De rechtbank draagt verweerder op binnen veertien dagen na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 100,- per dag op, met een maximum van € 15.000,-.

Verder is vastgesteld dat eiser door een derde, beroepsmatig verleende rechtsbijstand is bijgestaan, waardoor proceskosten van € 467,- worden toegekend. Ook moet verweerder het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter Speksnijder.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens overschrijding beslistermijn, met oplegging van dwangsom en toekenning van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/5986

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: [gemachtigde eiser] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

Procesverloop

Eiser heeft op 22 oktober 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar gericht tegen het besluit van 14 juli 2025.
Verweerder heeft, ondanks een verzoek daartoe van de rechtbank, geen stukken en ook geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
3. Met een besluit van 14 juli 2025 heeft verweerder beslist op het Woo-verzoek [3] van eiser. Eiser heeft hiertegen op 15 juli 2025 bezwaar gemaakt. Met een e-mailbericht van 7 oktober 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar. Op 22 oktober 2025 heeft hij vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
4. Ingevolge artikel 7:10 lid 1 Awb Pro beslist het bestuursorgaan binnen zes weken of
- indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is Pro ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Gelet hierop moest verweerder uiterlijk op 6 oktober 2025 beslissen op het bezwaar van eiser.
5. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder na die beslistermijn in gebreke heeft gesteld en meer dan twee weken daarna in beroep is gegaan. Het beroep is dus gegrond.
6. Als het beroep gegrond is en er nog geen besluit is bekendgemaakt, draagt de rechtbank het bestuursorgaan op om binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend te maken. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen. [4]
7. Omdat verweerder geen verweer heeft gevoerd, is van een bijzonder geval niet gebleken. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 14 dagen na de dag waarop deze uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekend moet maken.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
Proceskosten en griffierecht
9. Eiser heeft gevraagd om verweerder te veroordelen tot vergoeding van door hem gemaakte proceskosten.
9.1.
Om voor een proceskostenvergoeding in aanmerking te komen, moet sprake zijn van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Volgens vaste jurisprudentie is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, als deze werkzaamheid een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Er is sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp een vergoeding in rekening wordt gebracht. [5] Ook moet degene die als derde beroepsmatig rechtsbijstand verleent voldoende deskundig zijn. Daartoe dient hij over enige juridische scholing te beschikken. Bij de beoordeling daarvan kunnen onder meer de door hem ingediende processtukken worden betrokken. Het vereiste van juridische scholing heeft niet uitsluitend betrekking op formele scholing. Aan dit vereiste kan ook zijn voldaan indien uit de door de gemachtigde ingediende processtukken of het optreden op de zitting kan worden opgemaakt dat hij enige relevante juridische scholing heeft gehad.
9.2.
De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd toegelicht en onderbouwd dat hij met regelmaat voor verschillende cliënten procedures voert. Daarmee is de rechtbank ook ambtshalve bekend. Op basis van de door de gemachtigde gegeven toelichting en onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat dit duurzame werkzaamheden betreft die zijn gericht op het vergaren van inkomen. Weliswaar heeft de gemachtigde geen bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat het, zoals hij stelt, voor hem niet mogelijk is om zich in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel omdat hij geen Brp-adres heeft, maar hij heeft wel bewijsstukken overgelegd van zijn registratie als zelfstandige bij de belastingdienst (onder de kleineondernemersregeling). Verder heeft hij toegelicht dat hij gemiddeld zo’n anderhalve dag per week werkt als rechtsbijstandverlener en hiermee niet meer dan € 20.000,- per jaar verdient. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank vindt dan ook aannemelijk dat de gemachtigde kosten in rekening heeft gebracht voor zijn werkzaamheden.
9.3.
Verder blijkt uit de inhoud van de processtukken die door de gemachtigde zijn ingediend dat hij enige relevante juridische kennis heeft en dus (informele) juridische scholing heeft gehad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemachtigde van eiser voldoende deskundig is.
9.4.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser hiervoor gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € 934,-, en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
9.5.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser ook het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt verweerder op binnen
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,‑;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Ruijgrok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Verzoek op grond van de Wet open overheid.
4.Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:4591.