Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3091

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/3068
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep werkgever tegen toekenning WIA-uitkering met urenbeperking

Een ex-werknemer van eiseres heeft een WIA-uitkering toegekend gekregen, gebaseerd op een functionele mogelijkhedenlijst (FML) met een urenbeperking van 30 uur per week en 6 uur per dag. Eiseres maakte bezwaar tegen deze toekenning, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. Hiertegen stelde eiseres beroep in bij de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank behandelde het beroep op 2 maart 2026, waarbij partijen zich afgemeld hadden voor de zitting. De ex-werknemer wenste niet als procespartij deel te nemen en gaf geen toestemming voor het delen van medische gegevens met eiseres. De rechtbank beperkte daarom de kennisneming van medische stukken tot gemachtigden met specifieke bevoegdheden.

Eiseres betoogde dat het onderzoek naar de noodzaak van de urenbeperking onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd en onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van de extra recuperatieperiodes. De rechtbank oordeelde echter dat de rapportages van de verzekeringsartsen, gebaseerd op anamnese, dagverhaal, onderzoek en medische informatie, consistent en samenhangend waren en voldoende onderbouwing boden voor de urenbeperking.

De rechtbank zag geen aanleiding om het besluit van het UWV te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de WIA-uitkering met urenbeperking wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] Amsterdam B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A Bouteibi),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het UWV)
(gemachtigde: mr. S. Elfert).

Procesverloop

1. Aan een ex-werknemer van eiseres is een WIA-uitkering [1] toegekend. Deze is, onder andere, gebaseerd op de FML [2] van 6 maart 2024, waarin een urenbeperking van 30 uur per week en 6 uur per dag is opgenomen.
2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van de WIA-uitkering. Op
10 februari 2025 is er een aangepaste FML opgesteld, waarin de eerder aangenomen urenbeperking ongewijzigd is gebleven. Op 14 april 2025 heeft het UWV het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
3. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Medische gegevens

4. De ex-werknemer waaraan de WIA-uitkering is toegekend heeft laten weten niet als procespartij aan de procedure te willen deelnemen. Zij heeft de rechtbank ook laten weten geen toestemming te geven om haar medische informatie te delen met eiseres. De rechtbank heeft om die reden besloten dat de kennisneming van medische stukken in deze zaak is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is, dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. [3] In deze uitspraak wordt daarom geen medische informatie vermeld en wordt alleen in algemene termen de medische situatie van de ex-werknemer beschreven.

Beoordeling door de rechtbank

5. Volgens eiseres heeft het UWV het onderzoek naar de vraag of een urenbeperking noodzakelijk is onvoldoende zorgvuldig uitgevoerd. Volgens eiseres is onvoldoende gemotiveerd dat het onderliggend medisch beeld zodanig van aard is, dat sprake is van noodzakelijke extra recuperatieperiodes. Ook het dagverhaal geeft daar onvoldoende aanknopingspunten voor volgens eiseres. Zowel de primaire verkeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben volgens eiseres niet doorgevraagd naar hoe de ex-werknemer haar dag invult.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts van 6 maart 2024 voldoende blijkt wat het onderliggende medisch beeld is en waarom dat aanleiding geeft tot het aannemen van een urenbeperking. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat in de rapportage van 10 februari 2025 bevestigd. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat op 25 juni 2025 nogmaals bevestigd. De verzekeringsartsen hebben zich hierbij gebaseerd op de eigen anamnese, het dagverhaal, onderzoek en medische informatie. De rechtbank is van oordeel dat de noodzaak voor deze extra recuperatieperiodes logisch volgt uit consistente en samenhangende onderzoeksbevindingen en de aard en ernst van het onderliggende medische beeld. [4] De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd of het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr.S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Functionele mogelijkhedenlijst.
3.Zie artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.In overeenstemming met de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid.