Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3097

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24 / 6001
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993Beleidsregels VOG-NP-RP 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing VOG-aanvraag rijinstructeur na veroordeling voor seksueel misdrijf

Eiser vroeg op 5 april 2024 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan om als rijinstructeur te kunnen werken. De staatssecretaris weigerde deze aanvraag op grond van een eerdere veroordeling wegens verkrachting in 2015, waarbij een onbeperkte terugkijktermijn en een verscherpt toetsingskader gelden voor seksuele misdrijven.

De staatssecretaris oordeelde dat de weigering niet evident disproportioneel was, mede vanwege het feit dat eiser het misdrijf pleegde in de uitoefening van een beroep waarbij het slachtoffer afhankelijk was, en dat als rijinstructeur eveneens kwetsbare personen worden begeleid. Eiser voerde aan dat de weigering onterecht was vanwege het tijdsverloop, zijn recidivevoorkomende factoren, zijn positieve functioneren als rijinstructeur en het feit dat hij zijn straf had uitgezeten.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht het belang van de bescherming van de samenleving zwaarder heeft gewogen dan het persoonlijke belang van eiser. Het feit dat eiser al vijf jaar als rijinstructeur werkt en positieve beoordelingen heeft, weegt onvoldoende mee om de weigering evident disproportioneel te achten. Ook het tijdsverloop en de omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen andere uitkomst.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter H.J. Doets op 11 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/6001

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Heikens),
en

de staatssecretaris voor Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. R.P. Stehouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2024 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.
Bij besluit van 12 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De staatssecretaris heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Overwegingen

Achtergrond
1. Eiser heeft op 5 april 2024 een aanvraag ingediend voor een VOG om als rijinstructeur te kunnen werken. De staatssecretaris heeft op 7 mei 2024 aan eiser meegedeeld dat hij het voornemen had deze aanvraag af te wijzen. Eiser heeft op 10 mei 2026 zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht.
Besluitvorming
2. De staatssecretaris heeft de VOG-aanvraag van eiser in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen. De staatssecretaris heeft bij deze beoordeling de criteria toegepast die in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 (de Beleidsregels) zijn opgenomen. In deze Beleidsregels is bepaald dat de staatssecretaris aan de hand van een objectief en een subjectief criterium beoordeelt of een VOG moet worden verleend. Bij het objectieve criterium beoordeelt de staatssecretaris kortgezegd of er binnen een bepaalde terugkijktermijn justitiële gegevens over de aanvrager geregistreerd zijn die, als zij worden herhaald, in de weg staan aan een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Als aan dit objectieve criterium is voldaan, beoordeelt de staatssecretaris vervolgens aan de hand van het subjectieve criterium of de VOG gelet op de omstandigheden van het geval toch moet worden verleend. De staatssecretaris maakt hierbij een afweging tussen enerzijds het belang van de bescherming van de samenleving en anderzijds het persoonlijke belang van de betrokkene bij het verkrijgen van de gevraagde VOG.
2.1.
De staatssecretaris meent dat in dit geval aan het objectieve criterium is voldaan. Voor de functie van rijinstructeur geldt in beginsel een terugkijktermijn van vijf jaar. In het geval van seksuele misdrijven geldt echter een onbeperkte terugkijktermijn. [1] Uit het Justitiële Documentatiesysteem blijkt dat eiser op 2 februari 2015 in hoger beroep veroordeeld is wegens verkrachting, gepleegd op 27 januari 2008. Het gerechtshof heeft eiser hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden. Eiser is op 31 oktober 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 365 dagen en bijzondere voorwaarden. Deze proeftijd is geëindigd op 3 november 2018.
2.2.
De staatssecretaris heeft vervolgens in het kader van het subjectieve criterium een belangenafweging gemaakt en heeft geconcludeerd dat deze in het nadeel van eiser uitvalt. In zijn geval geldt een verscherpt toetsingskader omdat hij binnen de laatste twintig jaar is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een seksueel misdrijf en hij als rijinstructeur werk wil doen waarbij hij verantwoordelijk is voor kwetsbare personen. [2] Dit verscherpte toetsingskader houdt in dat de gevraagde VOG alleen aan eiser wordt verleend als de weigering daarvan evident disproportioneel voor eiser zou zijn. Dat is volgens de staatssecretaris niet het geval. De staatssecretaris heeft van belang geacht dat eiser door het gerechtshof is veroordeeld omdat hij zich als taxichauffeur schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van een klant. De staatssecretaris weegt hierbij extra zwaar mee dat eiser dit feit heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep en het slachtoffer als passagier afhankelijk van hem was. Als rijinstructeur zullen (minderjarige) leerlingen eveneens van eiser afhankelijk zijn. De staatssecretaris meent verder dat het tijdsverloop van tien jaar sinds de veroordeling nog onvoldoende is om tot verlening van de VOG over te gaan. Ook de omstandigheid dat eiser al vijf jaar rijinstructeur is, zijn eigen rijschool heeft en zijn bevoegdheidspas niet zal worden verleend als hij geen VOG krijgt, maakt de afwijzing van de aanvraag volgens de staatssecretaris niet evident disproportioneel. De staatssecretaris acht het belang van de bescherming van de samenleving namelijk zwaarder dan het persoonlijk belang van eiser bij de VOG. De staatssecretaris komt daarom tot de conclusie dat de VOG-aanvraag moet worden afgewezen.
De beroepsgronden van eiser
3. Eiser betwist niet dat hij aan het objectieve criterium voldoet. Hij meent echter dat de weigering van de VOG wel degelijk evident disproportioneel is. Eiser heeft op de zitting naar voren gebracht dat de weigering met name om de volgende vier redenen onterecht is:
 er is sprake van een aanzienlijk tijdsverloop sinds zijn veroordeling;
 er is sprake van verschillende recidivevoorkomende factoren: hij heeft een woning, een baan en een gezin. Uit zijn gedragingen na zijn veroordelingen blijkt niet dat er een risico op herhaling bestaat;
 eiser is al vijf jaar rijinstructeur en heeft zijn eigen rijschool. Zijn leerlingen laten positieve reviews achter. Door de weigering mag hij geen rijlessen meer geven. Hierdoor wordt hij genoodzaakt zijn goedlopende onderneming te stoppen, waardoor hij geen inkomsten meer heeft om zichzelf en zijn gezin te onderhouden;
 eiser heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en heeft zijn straf volledig uitgezeten.
De beoordeling door de rechtbank
Het toetsingskader
4. Tussen partijen is niet in geschil dat er bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium voor eiser een verscherpt toetsingskader geldt waarbij enkel tot het verlenen van de VOG wordt overgegaan als de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Volgens de Beleidsregels betekent dit dat er slechts zeer beperkte ruimte bestaat om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot afgifte van de gevraagde VOG. Op de zitting heeft de staatssecretaris toegelicht dat uitgangspunt is dat in zo’n geval geen VOG wordt verleend en dat hier alleen in uitzonderlijke gevallen van wordt afgeweken.
Heeft de staatssecretaris kunnen concluderen dat de weigering een VOG te verlenen niet evident disproportioneel is?
5. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om een VOG aan eiser te verlenen niet evident disproportioneel voor eiser uitvalt. De staatssecretaris heeft hierbij zwaar in het nadeel van eiser mogen meewegen dat hij zich eerder in de functie van taxichauffeur schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van een zijn klanten, een jonge vrouw, die na een uitgaansavond als passagier in de taxi van eiser zat. In het arrest van 2 februari 2015 heeft het hof overwogen dat eiser hiermee een zeer grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het hof heeft dit feit te meer aan eiser aangerekend omdat hij het vertrouwen dat het slachtoffer als passagier in hem had gesteld heeft beschaamd. De staatssecretaris mag uitgaan van dit oordeel van de strafrechter. Ook als rijinstructeur heeft eiser te maken met kwetsbare, soms minderjarige klanten die van hem afhankelijk zijn. De staatssecretaris heeft in dit geval dan ook een zwaar gewicht aan het belang van bescherming van de samenleving kunnen hechten. De staatssecretaris mocht in de belangenafweging ook ten nadele van eiser betrekken dat eiser al eerder is veroordeeld voor een ernstig feit dat inbreuk maakt op de persoonlijke integriteit, namelijk tot een gevangenisstraf van twaalf maanden wegens gijzeling en wapenbezit. Hoewel er al een behoorlijke periode is verstreken sinds het moment van eisers laatste veroordeling, dit tijdsverloop is niet zo lang dat de weigering van de VOG om die reden evident disproportioneel is. De rechtbank kan de staatssecretaris hierin volgen. Anders dan eiser stelt, heeft de staatssecretaris daarbij ook van belang mogen achten dat zedendelicten vaak een grote maatschappelijke onrust veroorzaken en veel impact hebben. [3]
5.1.
De staatssecretaris heeft in de verder door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om de belangenafweging in eisers voordeel uit te laten vallen. De rechtbank begrijpt dat de afwijzing van de VOG-aanvraag verregaande consequenties voor eiser heeft, omdat hij zijn baan als rijinstructeur daardoor niet meer kan uitoefenen en hij forse investeringen in zijn eigen opleiding en rijschool heeft gedaan. De wetgever heeft er bij de invoering van het VOG-vereiste voor rijinstructeurs echter rekening mee gehouden dat een consequentie hiervan is dat iemand die al enige jaren naar tevredenheid heeft gefunctioneerd toch niet langer werkzaam kan zijn rijinstructeur. [4] De wetgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen het VOG-vereiste desondanks voor bestaande rijinstructeurs te verplichten, omdat het als onwenselijk wordt beschouwd dat iemand die is veroordeeld voor delicten die direct gerelateerd zijn aan gesignaleerde misstanden in de branche nog langer werkzaam is als rijinstructeur. Dat eiser al vijf jaar als rijinstructeur actief is geweest en hiervoor positieve recensies heeft ontvangen, acht de rechtbank in dit licht onvoldoende om de weigering evident disproportioneel te achten. Daar komt bij dat het de rechtbank niet is gebleken dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij personeel inhuurt om namens zijn rijschool rijlessen te geven, dan wel dat er voor eiser geen andere mogelijkheden zijn om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien. Dat er volgens eiser sprake is van recidivevoorkomende factoren en hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door zijn straf uit te zitten, had voor de staatssecretaris evenmin aanleiding moeten geven om van de weigering een VOG te verlenen af te zien. De staatssecretaris heeft namelijk, alles in samenhang bezien, kunnen concluderen dat deze omstandigheden binnen het verscherpte toetsingskader niet opwegen tegen het beschermingsbelang van de samenleving.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de staatssecretaris de VOG-aanvraag van eiser mocht afwijzen.
7. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.W. Victoor, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
griffier
De rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in paragraaf 3.1.1. van de Beleidsregels.
2.Dit staat in paragraaf 3.1.4.2. van de Beleidsregels.
3.Zie ook de uitspraken van de Afdeling van de Raad van State van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1249 en van 4 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1749.
4.Zie de tweede nota van wijziging bij de wijziging van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, 34182, nr. 12, p. 6.