Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3115

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/2848
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1a AwbArt. 3:2 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging invorderingsbesluit te veel ontvangen AIO-uitkering wegens onvoldoende individuele financiële afweging

Eiser ontving een te hoge Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) vanwege niet opgegeven teruggave van inkomstenbelasting over meerdere jaren. Verweerder vorderde € 6.166,19 terug en stelde een maandelijkse aflossing van € 173,72 vast. Eiser voerde aan dat hij de teruggave niet als inkomen herkende en verzocht om kwijtschelding vanwege zijn minimale inkomen.

De rechtbank beoordeelde het beroep in het licht van recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die het begrip 'dringende redenen' ruimer interpreteert en benadrukt dat ook de oorzaak van de terugvordering en de financiële situatie van betrokkene meegewogen moeten worden. Hoewel de terugvordering terecht was, oordeelde de rechtbank dat verweerder onvoldoende individuele afweging had gemaakt van eisers financiële situatie.

Eiser had aangetoond dat hij met de aflossing onder het bestaansminimum zou komen, terwijl verweerder zich slechts op de beslagvrije voet baseerde zonder rekening te houden met daadwerkelijke uitgaven. De rechtbank vernietigde daarom het invorderingsbesluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast werd het beroep tegen de terugvordering ongegrond verklaard, maar het beroep tegen de invordering gegrond. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter L.Z. Achouak el Idrissi op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het invorderingsbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende individuele financiële beoordeling, terwijl het beroep tegen de terugvordering ongegrond is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/2848, AMS 25/4785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),
en

de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. Pinas).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over terugvordering van de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) van eiser van € 6.166,19 en de invordering van dat bedrag.

Procesverloop

1. Met een primair besluit van 14 januari 2025 heeft verweerder een bedrag van € 6.166,19 van eiser teruggevorderd vanwege te veel ontvangen AIO-uitkering. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dat besluit.
2. Verweerder heeft op 17 juni 2025 een besluit tot invordering genomen. Eiser heeft daarom op 19 augustus 2025 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank, waarin hij heeft gevraagd de betalingsverplichting op te schorten en een voorziening te treffen omtrent het bedrag van terugbetaling.
3. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit van 17 juni 2025. Op de zitting is daarom met partijen afgesproken dat zijn verzoek om een voorlopige voorziening zal worden beschouwd als een rechtstreeks beroep tegen dat besluit, met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De rechtbank heeft de beroepen op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. J.S. Vlieger en mr. I.M.F. van Bragt als vervangers van eisers gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven om met elkaar tot een schikking te komen. Daarnaast heeft verweerder de gelegenheid gekregen om te reageren op de door eiser ingediende stukken omtrent zijn financiële situatie. Verweerder heeft bij brief van 6 november 2025 een reactie gegeven.
6. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank sluit het onderzoek.

Totstandkoming besluiten

7. Eiser, geboren in 1935, ontvangt vanaf januari 2000 een ouderdomspensioen.
Bij besluit van 5 december 2014 heeft verweerder eiser een AIO-uitkering toegekend van
€ 60,27 voor zowel eiser als zijn vrouw. In totaal verkregen zij daardoor een netto inkomen van € 1.001,15. In april 2015 is de AIO verhoogd naar € 129,43 per maand. Daarna is de AIO elk jaar aangepast (verhoging dan wel verlaging wegens inkomsten).
Eisers vrouw is overleden in 2023. Eisers ouderdomspensioen is naar aanleiding daarvan aangepast naar een pensioen voor een ongehuwde; de AIO-uitkering is ongewijzigd gebleven.
8. Verweerder heeft een bedrag van € 6.166,19 van eiser teruggevorderd, omdat eiser een teruggave van de Belastingdienst over de jaren 2019 tot en met mei 2023 heeft gekregen die hij niet heeft opgegeven aan verweerder.
9. Met het besluit van 17 juni 2025 heeft verweerder een maandelijks aflossingsbedrag vastgesteld van € 173,72.

Standpunt van eiser

10. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij de teruggave inkomstenbelasting niet als inkomen heeft herkend. Er is geen sprake van kwade wil geweest. Eiser heeft benadrukt dat hij op een minimum inkomen leeft en niet in staat is om terug te betalen. Hij heeft daarom om kwijtschelding verzocht.

Beoordeling door de rechtbank

11. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in 2024 geoordeeld dat het begrip ‘dringende redenen’ voortaan ruimer moet worden uitgelegd, waarbij betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Er moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Bij de oorzaak van de terugvordering is bijvoorbeeld van belang of sprake is van fouten van verweerder zelf of trage besluitvorming waardoor de terugvordering onnodig is ontstaan of opgelopen. Van belang is ook het eigen aandeel van betrokkene in de ontstane situatie. De financiële gevolgen van een terugvordering doen zich in het algemeen pas voor bij de invordering of verrekening. In het kader van het invorderingstraject zal een afbetalingsregeling getroffen moeten worden die recht doet aan de financiële omstandigheden en aflossingscapaciteit van de betrokkene op dat moment. Dan heeft de betrokkene de bescherming van onder meer de beslagvrije voet. Bijzondere omstandigheden die al voorzienbaar zijn op het moment van het terugvorderingsbesluit moet verweerder dan al meewegen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een schuldhulpverleningstraject dat dreigt te worden beëindigd.
12. De rechtbank beoordeelt de beroepsgronden in het licht van deze nieuwe rechtspraak van de Raad over dringende redenen om van terugvordering af te zien, te matigen dan wel het bedrag van de invordering aan te passen.
De terugvordering
13. Vast staat dat eiser te veel AIO-uitkering heeft ontvangen doordat zijn inkomen hoger werd door een teruggave inkomstenbelasting van de Belastingdienst over meerdere jaren. Eiser had volgens verweerder kunnen weten dat hij de teruggave van de Belastingdienst aan verweerder door had moeten geven als ontvangen inkomen. Verweerder is gehouden om dit bedrag terug te vorderen, tenzij er sprake is van dringende redenen om de terugvordering te matigen of daarvan in het geheel af te zien.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gezien het hierboven omschreven ruimere toetsingskader, die dringende redenen voldoende heeft onderzocht. Verweerder heeft rekening gehouden met eisers leeftijd (90) door de terugvorderingstermijn van tien jaar terug te brengen naar vijf jaar. Ook de rechtbank is van oordeel dat de oorzaak van de terugvordering is gelegen in eisers handelen, dan wel het nalaten daarvan. Indien de situatie voor eiser, gelet op zijn hoge leeftijd, niet helemaal duidelijk was, had hij zijn kinderen om hulp kunnen vragen. De rechtbank ziet daarom onvoldoende aanleiding om de terugvordering verder te matigen, dan wel kwijt te schelden. Eisers beroep is in zoverre ongegrond.
De invordering
14. Eiser heeft voornamelijk financiële redenen aangevoerd waarom hij niet kan voldoen aan de maandelijkse invordering. Eiser heeft diverse stukken overgelegd teneinde aan te tonen dat hij met een maandelijkse aflossing van € 173,72 onder de beslagvrije voet uitkomt. Verweerder heeft in zijn nadere reactie van 6 november 2025 gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat er aanleiding is voor een afwijkende betalingsregeling, zoals vastgelegd in Beleidsregel SB1251. Eiser heeft volgens verweerder een inkomen van
€ 1.500,44. Voor de beslagvrije voet geldt een bedrag van 95% van de bijstandsnorm, te weten € 1.278,00. Een bedrag van € 173,72 zou hij daarom kunnen betalen, aldus verweerder.
15. Eiser heeft een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven overgelegd, gestaafd door bankafschriften. Eiser heeft een inkomen (inclusief toeslagen) van € 1.850.99. Na aftrek van huur (inclusief gas en licht) en verzekeringen houdt hij een bedrag van € 287,38 over om van te leven. Met de overige kosten die eiser heeft opgevoerd is dan nog niet eens rekening gehouden. De rechtbank merkt op dat ook deze kosten geen vreemde of overbodige kosten zijn. Ook is er geen bedrag gereserveerd voor onvoorziene (zorg)kosten en de aflossing van de crematiekosten van zijn overleden vrouw. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de kosten die eiser heeft opgevoerd. Verweerder heeft slechts gekeken naar de beslagvrije voet, en heeft niet gekeken naar de daadwerkelijke uitgaven die eiser heeft.
16. Na aftrek van de meest noodzakelijke vaste lasten zakt eiser al ver onder het bestaansminimum. Met een aflossingsbedrag van € 173,72 per maand houdt hij feitelijk niets over. De rechtbank oordeelt dat hoewel in het algemeen de beslagvrije voet voldoende bescherming biedt, verweerder, gelet op hetgeen eiser heeft gesteld en onderbouwd, een individuele afweging van eisers feitelijke financiële situatie had moeten maken en niet enkel naar de berekening van de beslagvrije voet mogen blijven verwijzen. De rechtbank neemt hierin ook mee de overweging van de Advocaat-Generaal Prof. mr. dr. R.H. de Bock in de conclusie van 10 november 2023 waarin wordt gesteld dat de vaste lijn in de rechtspraak dat de beslagvrije voet steeds voldoende waarborg biedt, verlaten moet worden. Er zijn volgens haar meerdere redenen te noemen waarom deze aanname niet juist is en ook bij toepassing van de beslagvrije voet financiële nood kan ontstaan. Sterker gezegd: ook bij toepassing van de beslagvrije voet kunnen financieel onaanvaardbare gevolgen ontstaan. Het ligt op de weg van verweerder om te beoordelen of hier sprake van is. De stelling van verweerder dat eiser een te hoge huur heeft en dus naar een goedkopere woning zou moeten verhuizen, is geen reëel argument, omdat de woningnood in Nederland heel erg groot is en goedkope, sociale, huurwoningen niet of nauwelijks voorhanden zijn.
17. Nu verweerder deze gevraagde individuele afweging of invordering onaanvaardbare financiële gevolgen heeft niet heeft gemaakt, wordt het primaire besluit van 17 juni 2025 vernietigd. Verweerder zal een nieuw primair besluit met inachtneming van deze uitspraak moeten nemen.

Conclusie en gevolgen

18. Eisers beroep tegen de terugvordering is ongegrond. Zijn beroep tegen de invordering is gegrond, omdat dit besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Verweerder zal een nieuw primair besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
19. Omdat de beroep in de zaak 25/4785 gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak 25/2848 ongegrond;
- verklaart het beroep in de zaak 25/4785 gegrond;
- vernietigt het primaire besluit van 17 juni 2025;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
M. van Velzen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.