ECLI:NL:RBAMS:2026:3129

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
13/326892-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis heropening onderzoek medeplegen oplichting met deepfake-technologie

De rechtbank Amsterdam heeft op 31 maart 2026 een tussenvonnis gewezen in de strafzaak tegen verdachte, die wordt verdacht van medeplegen van oplichting door het openen van 47 bankrekeningen met gebruik van deepfake-technologie, medeplegen van valsheid in reisdocumenten en het bezit van niet-openbare gegevens verkregen door misdrijf.

Tijdens de terechtzitting van 17 maart 2026 is het onderzoek gesloten, maar de rechtbank constateerde dat het onderzoek onvolledig was. Verdachte had een schriftelijke verklaring ingediend waarin hij stelde pas vanaf 28 september 2025 wetenschap te hebben gehad van de strafbare feiten. De rechtbank wil nader onderzoek naar de wijze en het moment waarop gegevens op de telefoon van verdachte zijn gekomen.

Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst voor maximaal drie maanden vanwege het drukke zittingsrooster. De voorlopige hechtenis van verdachte blijft gehandhaafd op grond van ernstige bezwaren en de motivering van eerdere bewaringen. De rechtbank beveelt verder onderzoek en oproeping van getuigen en partijen voor een nader te bepalen datum.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek wegens onvolledigheid en handhaaft de voorlopige hechtenis van verdachte.

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/326892-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Tussenvonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboortegegevens] 1991,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [verblijfsplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit tussenvonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Onnink, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat en na wijziging van de tenlastelegging op zitting – tenlastegelegd dat hij zich in de periode van 20 maart 2025 tot en met 14 november 2025 in Amsterdam, Nederland, België en/of Italië heeft schuldig gemaakt aan:
1. medeplegen van oplichting door het openen van in totaal 47 bankrekeningen op naam van anderen, waarbij gebruik is gemaakt van deepfake-technologie;
2. medeplegen van het meermalen valselijk opmaken en/of vervalsen van een reisdocument en/of identiteitsbewijs. Subsidiair zijn deze handelingen tenlastegelegd als het medeplegen van het meermalen voorhanden hebben van een identificatiebewijs, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het vals en/of vervalst was;
3. medeplegen van het vervaardigen, ontvangen, verschaffen, verkopen, overdragen, verwerven, vervoeren, invoeren, uitvoeren, verspreiden, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben van afbeeldingen van identiteitsbewijzen, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van oplichting;
4. medeplegen van het verwerven en/of voorhanden hebben van niet-openbare gegevens, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf zijn verkregen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Heropening onderzoek

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 17 maart 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en het onderzoek gesloten. Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek ten aanzien van de feiten onvolledig is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft op 13 maart 2026 een schriftelijke verklaring ingediend die de rechtbank op 16 maart 2026 heeft ontvangen. Verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij vanaf 28 september 2025 wetenschap heeft gehad van de strafbare feiten, maar dat hij in de periode daarvoor niet wist dat hij aan strafbare feiten meewerkte. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de gegevens die op zijn telefoon zijn aangetroffen eerst na 28 september 2025 heeft gedownload via Telegram.
Ter verificatie dan wel falsificatie van de verklaring van verdachte wenst de rechtbank geïnformeerd te worden over op welke momenten en op welke wijze de gegevens genoemd in het
proces verbaal eerste onderzoek goednr 6741907 iPhone [verdachte]met documentcode [code] op de telefoon van verdachte terecht zijn gekomen. De rechtbank zal het onderzoek heropenen om nader onderzoek te laten verrichten en de resultaten daarvan met de verdediging en het Openbaar Ministerie te bespreken.

4.Voorlopige hechtenis

Nu het onderzoek heropend wordt, zal de rechtbank ambtshalve beslissen of de voorlopige hechtenis nog langer moet voortduren. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering ook op dit moment nog bestaan. Voor wat betreft de motivering sluit de rechtbank aan bij de motiveringen in het bevel bewaring van de rechter-commissaris en het bevel gevangenhouding van de rechtbank. De situatie als bedoeld in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering is niet aan de orde.
Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de voorlopige hechtenis niet ambtshalve opheffen.

5.Beslissing

De rechtbank:
-
heropenthet onderzoek ter terechtzitting en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen datum en tijdstip;
-
schorsthet onderzoek voor
onbepaalde tijd, maar maximaal voor een termijn van drie maanden, wegens de klemmende reden dat het zittingsrooster van de rechtbank thans zodanig is bezet en om tijd te geven aan de uitvoering van het onderzoek, dat het stellen van de termijn van de schorsing op niet meer dan één maand niet mogelijk is;
- beveelt de officier van justitie de
opdrachtte geven een
onderzoekals hiervoor bedoeld te doen verrichten.
- beveelt de oproeping van
verdachtetegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de
raadsmanvan verdachte.
- Beveelt dat de
benadeelde partijde dag en het tijdstip van de volgende zitting schriftelijk wordt meegedeeld.
Dit tussenvonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M.C.H. Broesterhuizen en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.