ECLI:NL:RBAMS:2026:3150

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
779683
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 WwftArt. 6:119 BWArt. 6:248 BWArt. 35 Algemene Bankvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank mag relatie met klant niet beëindigen zonder gegronde reden en moet persoonsgegevens verwijderen

Eiser, een particuliere klant van ABN AMRO met een langdurige bancaire relatie, werd geconfronteerd met beëindiging van zijn bankrelatie door de bank vanwege vermeende integriteitsrisico's en onvoltooide klantonderzoeken in het kader van de Wwft. ABN AMRO baseerde haar besluit mede op een bestuurlijke boete opgelegd door het Bureau Financieel Toezicht en een strafrechtelijke veroordeling uit het verleden.

De rechtbank oordeelde dat ABN AMRO niet aannemelijk had gemaakt dat het klantonderzoek niet kon worden afgerond of dat er sprake was van een onaanvaardbaar integriteitsrisico. De bank kon zich ook niet beroepen op haar contractuele opzegbevoegdheid, omdat het belang van eiser bij voortzetting van de bankrelatie, gezien zijn vaste inkomsten en uitgaven, zwaarder woog dan het belang van de bank.

Daarnaast werd ABN AMRO veroordeeld om de persoonsgegevens van eiser niet op te nemen in het interne verwijzingsregister (CAAML) of deze te verwijderen indien al opgenomen. De bank werd tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: ABN AMRO moet de bankrelatie voortzetten en persoonsgegevens van eiser niet opnemen in het interne verwijzingsregister.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/779683 / KG ZA 25-989 MK/GR
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
STICHTING HAAGS JURISTEN COLLEGE,
te Zoetermeer,
eisende partijen bij dagvaarding van 18 december 2025,
hierna te noemen: [eiser 1] en de stichting,
advocaat: mr. M.S.J. Supiĉić,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
advocaat: mr. J.W. Achterberg.

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 16 februari 2026 hebben [eiser 1] en de stichting de dagvaarding toegelicht. ABN AMRO heeft verweer gevoerd. Over en weer zijn producties ingediend en [eiser 1] en de stichting hebben ook een pleitnota overgelegd.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van [eiser 1] en de stichting: [eiser 1] , bijgestaan door mr. Supiĉić;
aan de zijde van ABN AMRO: [naam 1] , [naam 2] en mr. [naam 3] , bijgestaan door mr. Achterberg.
1.3.
Na aanhouding is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is een particulier die privé een bancaire relatie is aangegaan met ABN AMRO. [eiser 1] is naar eigen zeggen zo ongeveer vijftig jaar klant bij ABN AMRO.
2.2.
[eiser 1] is verbonden aan en mede oprichter van de ‘ [adviesgroep (VK)] ’, een samenwerkingsverband van ondernemingen die in het Verenigd Koninkrijk adviseert ten aanzien van vennootschapsstructuren en deze ook opricht en verkoopt. De rol van [eiser 1] in Nederland is beperkt tot het verrichten van marketing- en voorlichtingsactiviteiten, zonder vaste inrichting, onder de naam ‘ [adviesgroep (NL)] ’.
2.3.
Naast de bankrekening bij ABN AMRO had [eiser 1] ook een bankrekening bij BUNQ, maar na een ongebruikelijke overboeking van een substantieel bedrag vanuit Servië heeft BUNQ de bankrelatie op 10 maart 2023 beëindigd en de bankrekening gesloten.
2.4.
Reeds geruime tijd wordt [eiser 1] met enige regelmaat door ABN AMRO bevraagd om in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) informatie te verstrekken en vragen te beantwoorden. ABN AMRO acht in dat kader relevant dat [eiser 1] in 2013 is veroordeeld wegens ‘gewoontewitwassen’ voor feiten die in 2006 hebben plaatsgevonden. Twee jaar later (in 2015) is de FIOD van de Belastingdienst bij [eiser 1] binnengevallen naar aanleiding van een verdenking van faillissementsfraude. Het Openbaar Ministerie heeft [eiser 1] hiervoor vervolgd, maar het gerechtshof Den Haag heeft [eiser 1] op 6 december 2021 daarvan integraal vrijgesproken. Verder is er sprake van een lijn van openbare negatieve berichtgeving over [eiser 1] en/of de aan hem gelieerde ondernemingen. Het gaat daarbij om berichten uit 2015, 2017, 2019 en 2024 waarin [eiser 1] onder meer in verband wordt gebracht met de ‘Panama Papers’, tientallen brievenbusfirma’s, alsmede met oud NPO-directeur [naam 4] en voormalig voorzitter en lijsttrekker van de [partijnaam] [naam 5] .
2.5.
Op 25 april 2024 heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) [eiser 1] een boete opgelegd ad € 36.000 wegens het binnen de [adviesgroep (VK)] feitelijk leidinggeven aan een zestal overtredingen van de Wwft-monitoringsplicht en de verplichting tot het verrichten van verscherpt cliëntenonderzoek in de periode 2019-2021. Bij brief van 27 augustus 2024 heeft ABN AMRO hier vragen over gesteld. ABN AMRO is van mening dat de antwoorden van [eiser 1] incompleet zijn en zij stelt op 23 september 2024 aanvullende vragen. [eiser 1] heeft bezwaar ingesteld tegen het besluit van het BFT wat op 18 september 2024 tot een beslissing op het bezwaarschrift heeft geleid. Daarin is de beslissing ten aanzien van de geconstateerde overtredingen gehandhaafd, maar is de boete verlaagd tot € 1.080.
2.6.
Op 1 april 2025 heeft ABN AMRO [eiser 1] voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om volledige openheid van zaken te geven. Zij legt haar onderzoeksbevindingen ten aanzien van de beslissing van het BFT op het bezwaarschrift aan hem voor, met het verzoek om de juistheid ervan te bevestigen, dan wel onderbouwd aan te geven op welke punten de bevindingen van ABN AMRO onjuist zijn. Diezelfde dag nog reageert [eiser 1] , maar omdat ABN AMRO ontevreden is met die reactie heeft zij bij brief van 20 oktober 2025 aan [eiser 1] te kennen gegeven de langdurige relatie met hem te beëindigen met ingang van 22 december 2025. ABN AMRO heeft die beëindiging daarbij als volgt toegelicht: “
De bank is van oordeel dat het in stand laten van de bancaire relatie niet past bij haar beleid op basis van de jarenlange negatieve openbare media, de strafrechtelijke veroordeling en de recente bestuurlijke boete van BFT in combinatie met het ontbreken van signalen van een gedragsverandering of concrete maatregelen om een einde te maken aan deze gang van zaken.
2.7.
[eiser 1] heeft tegen dit oordeel bezwaar gemaakt bij brief van 29 oktober 2025.
2.8.
Daarop heeft ABN AMRO bij brief van 10 november 2025 haar eerder ingenomen standpunt om de bancaire relatie te beëindigen, gehandhaafd en [eiser 1] tot 29 december 2025 in de gelegenheid gesteld de producten en diensten bij een andere bank onder te brengen. Daarbij komt ABN AMRO tot de volgende conclusie: “
De bank kan het klantenonderzoek niet afronden en niet uitsluiten dat de gelden op onrechtmatige wijze zijn verkregen of dat de producten en diensten op oneigenlijke wijze worden gebruikt.
2.9.
Op verzoek van [eiser 1] heeft ABN AMRO de relatiebeëindiging opgeschort hangende dit kort geding.

3.Het geschil

3.1.
Waar in de dagvaarding nog van twee eisers werd uitgegaan ( [eiser 1] en de stichting), heeft de stichting haar vorderingen ter zitting ingetrokken. Daarmee is ook in de feitenweergave rekening gehouden.
3.2.
[eiser 1] vordert ABN AMRO, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen (i) haar dienstverlening onder de overeengekomen voorwaarden voort te zetten, althans (ii) de bankrelatie te herstellen, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist, (iii) een verbod voor ABN AMRO om zijn persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (CAAML) en alle eventueel overige (fraude) registers waarin ABN AMRO deze gegevens registreert, te registreren, dan wel (iv) een bevel deze registratie(s) te verwijderen en verwijderd te houden. Dit alles versterkt met een dwangsom en een proceskosten-veroordeling.
3.3.
[eiser 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het hem niet duidelijk is op welke grond het klantenonderzoek niet kan worden afgerond en hoe ABN AMRO tot de conclusie komt dat de gelden op onrechtmatige wijze zijn verkregen of dat de producten en diensten op onrechtmatige wijze worden gebruikt. ABN AMRO heeft immers geen vragen gesteld over mogelijke ongebruikelijke transacties.
3.4.
ABN AMRO voert verweer. Zij is op grond van de Wwft verplicht de relatie te beëindigen omdat zij het klantonderzoek niet kan afronden en sprake is van onaanvaardbare integriteitsrisico’s. Bij gebreke daarvan kan zij bovendien op grond van haar contractuele opzegbevoegdheid tot beëindiging van de bankrelatie overgaan.
3.5.
ABN AMRO verwijst daarbij enerzijds naar haar eigen belastingbeleid (‘
Tax Principles’) en anderzijds op concrete integriteitsrisico’s die zij tijdens het klantonderzoek naar [eiser 1] heeft vastgesteld. ABN AMRO noemt daarbij het strafrechtelijke verleden van [eiser 1] en de bestuurlijke boete die het BFT hem op 25 april 2024 heeft opgelegd. Ter illustratie van de niet-integere fiscale integriteit van [eiser 1] voert ABN AMRO verder aan dat [eiser 1] zich voor de meest recente Tweede Kamerverkiezingen als nummer [nummer] op de kieslijst van de [partijnaam] verkiesbaar heeft gesteld. Daarnaast verwijst ABN AMRO naar een tweetal artikelen uit de Quote en een artikel uit de NRC waaruit volgt dat de dienstverlening van [eiser 1] er op is gericht om belasting te ontwijking met de waarborg van volstrekte anonimiteit.
3.6.
Voorts stelt ABN AMRO zich op het standpunt dat [eiser 1] onvoldoende meewerkt met het klantonderzoek, als gevolg waarvan zij dat onderzoek niet kan afronden. ABN AMRO onderbouwt dit als volgt: “
Eisers stellen de noodzaak van het klantonderzoek ter discussie, reageren niet of slechts na meerdere rappels en de gegeven reacties zijn onvolledig. Door ABN AMRO verzochte onderbouwende documentatie wordt niet verstrekt.” Het ‘bagatelliseren’ door [eiser 1] van de bestuurlijke boete die het BFT aan hem heeft opgelegd, vormt daarbij voor ABN AMRO het sluitstuk; alles in samenhang bezien is sprake van een glijdende schaal en komt ABN AMRO niet verder met haar klantonderzoek.
3.7.
Op de stellingen van [eiser 1] en hetgeen ABN AMRO verder aanvoert wordt hierna ingegaan voor zover dat van belang is voor de beoordeling.

4.De beoordeling

4.1.
In kort geding gaat het om een voorlopig oordeel aan de hand van de stukken en wat is toegelicht op de mondelinge behandeling. De gevraagde voorziening wordt verleend als voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter die zal toewijzen en als van eiser ( [eiser 1] ) niet gevergd kan worden dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van een afweging van de belangen van partijen.
Wwft-verplichte beëindiging
4.2.
Voorshands is niet gebleken dat ABN AMRO het klantonderzoek niet kan afronden of dat sprake is van een onaanvaardbaar integriteitsrisico. Een op deze grond gebaseerde verplichte beëindiging van de relatie met [eiser 1] (artikel 5 lid 3 Wwft Pro) strekt daarom niet tot uitgangspunt in dit kort geding. Dat wordt hierna toegelicht.
4.3.
[eiser 1] stelt de noodzaak van het klantonderzoek als zodanig niet ter discussie, maar slechts de frequentie daarvan en toont soms irritatie bij het beantwoorden van vragen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrecht reageert [eiser 1] echter voldoende gemotiveerd op de uitgebreide vragenlijsten van ABN AMRO en voor zover hij bepaalde informatie daarbij niet heeft verstrekt, is dat onvoldoende voor de conclusie dat het klantonderzoek niet kan worden afgerond in de zin van de Wwft. ABN AMRO verwijt [eiser 1] bijvoorbeeld dat hij de gevraagde IB-aangifte 2023 niet heeft verstrekt, maar [eiser 1] heeft onvoldoende weersproken gesteld dat hij de IB-aangifte 2023 niet bezit. Het meewerken aan een klantonderzoek gaat niet zo ver dat van [eiser 1] kan worden gevergd dat hij dan uit zichzelf (want ABN AMRO heeft hier niet om gevraagd) IB-aangiftes over de jaren 2022 en 2024 aan ABN AMRO verstrekt. Hetzelfde geldt voor de verklaring die ABN AMRO vraagt naar aanleiding van het artikel in de Quote van 19 juni 2017. De eis dat binnen veertien dagen (het betreft een zeven jaar oud artikel) een schriftelijke verklaring gegeven moet worden voor het feit dat zijn naam in dat artikel voorkomt is niet redelijk. Zoals ABN AMRO zelf aanvoert, heeft [eiser 1] wel direct telefonisch contact gezocht om een toelichting te geven. Dat ABN AMRO dat liever niet heeft en graag alles schriftelijk wil ontvangen kan zo zijn, maar leidt niet tot de conclusie dat [eiser 1] onvoldoende meewerkt en dat ABN AMRO het klantonderzoek niet kan afronden. Hetgeen ABN AMRO verder heeft aangevoerd ten aanzien van het niet voldoende reageren leidt niet tot een ander oordeel.
4.4.
Desgevraagd heeft ABN AMRO ter zitting toegelicht pas in 2025 tot beëindiging van de relatie te zijn overgegaan, omdat zij er toen kennis van nam dat [eiser 1] in zijn e-mailbericht van 1 april 2025 onjuiste mededelingen had gedaan over de beslissing op bezwaar van het BFT van 18 september 2024, althans dat hij de inhoud daarvan bagatelliseerde. Dat levert bovendien een onaanvaardbaar integriteitsrisico op, aldus ABN AMRO.
4.5.
Dat ABN AMRO van de inhoud van de beslissing op bezwaar van 18 september 2024 goed op de hoogte is, blijkt uit haar brief van 1 april 2025 aan [eiser 1] . Daarbij vraagt zij [eiser 1] om een schriftelijke bevestiging of reactie naar aanleiding van haar samenvatting van die beslissing. Diezelfde dag nog schrijft [eiser 1] in zijn reactie aan ABN AMRO daarover het volgende:

Dat bezwaar heeft het BFT feitelijk volledig gehonoreerd door mij een boete [is] op te leggen die lager is dan de kostenvergoeding die zij mij daarbij heeft toegekend. Tegen die uitspraak van het BFT heb ik op 28 0ktober 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Dat beroep loopt nog steeds, u kunt het verloop daarvan volgen op de website van het BFT.[internetsite]
4.6.
ABN AMRO verbindt hieraan de conclusie dat [eiser 1] onjuiste mededelingen over de procedure doet omdat het BFT de beslissing ten aanzien van de geconstateerde overtredingen heeft gehandhaafd. Die conclusie (onjuiste mededeling) volgt echter niet uit de e-mail wanneer deze in de juiste context wordt gelezen. [eiser 1] schrijft weliswaar dat het bezwaar
feitelijk volledig gehonoreerdis, wat niet juist is, maar hij vermeldt ook in dezelfde zin dat een boete is opgelegd, zij het dat deze lager is dan de kostenvergoeding. Bovendien kan ABN AMRO haar klantonderzoek afronden, nu [eiser 1] een weblink naar de beslissing op bezwaar toestuurt en aangeeft beroep tegen te hebben ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Dit alles betekent dat deze schriftelijke reactie van [eiser 1] geen onaanvaardbaar integriteitsrisico oplevert.
4.7.
Als het gaat om de inhoud van het ingestelde beroep, stelt [eiser 1] dat hij het met de bestuurlijke boete van het BFT oneens is, onder meer omdat hij niet onder de Wwft zou vallen aangezien hij geen bedrijfsactiviteiten uitoefent in of vanuit Nederland. [eiser 1] heeft een Engels bedrijf dat uitsluitend Engelse bedrijfsactiviteiten uitvoert en [eiser 1] stelt dat hij in Engeland zelf ook (net als ABN AMRO) poortwachter is. Hoewel de opgelegde boete na bezwaar aanzienlijk is teruggebracht, is [eiser 1] daarom toch in, naar eigen zeggen principieel, beroep gegaan. Dat beroept loopt nog.
4.8.
Het is niet aan de voorzieningenrechter in kort geding om vooruit te lopen op de uitkomst van dat beroep. Wat wel voorligt, is of hetgeen nu bekend is bij ABN AMRO voldoende is voor haar conclusie dat het bij [eiser 1] gaat om een onaanvaardbaar integriteitsrisico. Dat is niet het geval. Het besluit op bezwaar, waarbij een beperkte boete in stand is gelaten, is onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van een onaanvaardbaar integriteitsrisico. De strafrechtelijke veroordeling van [eiser 1] , waar ABN AMRO verder naar verwijst, was in 2013 en zag op feiten uit 2006 en 2009. Waarom deze veroordeling in 2025 een onaanvaardbaar integriteitsrisico oplevert heeft ABN AMRO niet aannemelijk gemaakt. De ook nog genoemde strafrechtelijke vervolging voor faillissementsfraude vanaf 2014, met inval van de FIOD in 2015, bleek achteraf onterecht nu [eiser 1] op deze feiten is vrijgesproken in 2021.
4.9.
Tot slot heeft ABN AMRO in dit verband nog gewezen op de politieke opvattingen van [eiser 1] en de wijze waarop hij (voor zichzelf en beroepsmatig voor derden) bewust de randen en mazen van de (fiscale) wetgeving opzoekt. Het hebben van onwelgevallige opvattingen (inzake belastingheffing) en het bewust de randen en mazen van wetgeving opzoeken leidt op zichzelf niet tot een verplichte beëindiging van een bankrelatie op grond van de Wwft. Het staat [eiser 1] vrij politieke opvattingen te huldigen en die kenbaar te maken, net als het geven van fiscaal (juridisch) advies of het opzetten van (fiscaal) juridische constructies, zolang de wet daarbij niet worden overtreden. Ook als deze opvatting niet in lijn zijn met, of ver af staan van, het eigen belastingbeleid van ABN AMRO. Dit alles levert geen onaanvaardbaar integriteitsrisico op.
contractuele opzegbevoegdheid
4.10.
Nu geoordeeld is dat voorshands niet gebleken is van een verplichte beëindiging van de relatie met [eiser 1] op grond van de Wwft, is de vraag aan de orde of ABN AMRO zich kan beroepen op haar contractuele opzegbevoegdheid (artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden; ABV). Uitgangspunt is dat ABN AMRO kan opzeggen – partijen hebben dit immers afgesproken – maar dat dit onder omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW Pro). Daarbij speelt ook een afweging van het belang van ABN AMRO opzegging ten opzichte van het belang van [eiser 1] bij behoud van de relatie.
4.11.
ABN AMRO heeft voor de contractuele opzegbevoegdheid gewezen op dezelfde omstandigheden als hiervoor aan de orde gesteld bij de verplichte beëindiging. Daarbij heeft zij de nadruk gelegd op de integriteitsrisico’s en het eigen belastingbeleid van de bank. Op grond van jurisprudentie zou het de bank in beginsel vrijstaan om strikt beleid te voeren op dit onderdeel, aldus ABN AMRO. Het belang van ABN AMRO om de beëindiging op dit moment te effectueren is nauwelijks onderbouwd. In de opzeggingsbrief (2.6) worden omstandigheden genoemd die (vele) jaren geleden hebben plaatsgevonden, ook wat de betreft de berichten in de media. De eerdergenoemde BFT boete is, zoals hiervoor overwogen, nog onderwerp van debat. Tot slot lijkt ook hier het belang van ABN AMRO vooral dat zij afscheid wil nemen van [eiser 1] vanwege zijn politieke opvattingen en de manier waarop hij (voor zichzelf en beroepsmatig voor derden) bewust de randen en mazen van de (fiscale) wetgeving opzoekt; dit zou strijdig zijn met het eigen belastingbeleid van de bank. Ook hier geldt overigens dat die niet recent is opgekomen maar al (veel) langer bekend was bij de bank.
4.12.
Het daartegenover staande belang van [eiser 1] bij (voorlopige) voortzetting van de relatie laat zich als volgt samenvatten. [eiser 1] is al enkele decennia klant van ABN AMRO. Op dit moment worden zijn maandelijks vaste inkomsten (AOW en huurpenningen) op zijn persoonlijke rekening bijgeboekt. Ook de vaste lasten van [eiser 1] worden hiervan afgeschreven, zoals huur, telefonie en elektriciteit. Niet gesteld of gebleken is dat er ongebruikelijke transacties op de rekening van [eiser 1] plaatsvinden. [eiser 1] heeft aldus een duidelijk belang om gebruik te kunnen blijven maken van deze rekening voor zijn inkomsten en uitgaven. Hij heeft getracht een bankrekening te openen bij een andere bank, maar dat lukt hem niet als hij alle daarbij tegenwoordig gestelde vragen eerlijk beantwoordt. Daarnaast kan hij op dit moment gebruik maken van bepaalde faciliteiten (kredietmogelijkheden en een creditcard) die bij een basisbetaalrekening (die ABN AMRO bereid is te verstrekken) niet beschikbaar zijn. Tot slot heeft [eiser 1] aannemelijk gemaakt belang te hebben bij behoud van zijn IBAN-nummer zonder tussentijdse onderbreking (vanwege overschakeling op een basisbetaalrekening).
4.13.
Bij deze stand van zaken zijn de belangen van [eiser 1] bij voortzetting van zijn rekening ten opzichte van de belangen van ABN AMRO op dit moment zodanig dat het gebruik maken van de contractuele opzegbevoegdheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu vaststaat dat de relatiebeëindiging is opgeschort zal de vordering onder 3.2. (i) worden toegewezen en onder 3.2. (ii) niet.
interne verwijzingsregister (CAAML)
4.14.
Ten aanzien van de vorderingen tot verwijdering van gegevens onder 3.2. (iii) en (iv) geldt het volgende. In haar conclusie van antwoord en ter zitting heeft ABN AMRO bevestigd dat geen sprake is van opname in externe (fraude) registers. Bij dat deel van de vorderingen heeft [eiser 1] dus geen belang. Ten aanzien van het interne verwijzingsregister (CAAML) is onduidelijk of, nu de relatie (voorlopig) zal worden voortgezet, de gegevens van [eiser 1] daarin zijn of worden opgenomen. Bij die onduidelijkheid heeft [eiser 1] in zoverre belang bij zijn vorderingen onder 3.2. (iii) en (iv). Die vorderingen zullen worden toegewezen nu bij een lopende rekening [eiser 1] voldoende belang heeft dat zijn gegevens niet worden opgenomen. Opname ziet immers op de situatie dat eerder geconstateerde risico’s door ABN AMRO worden gesignaleerd op het moment dat een nieuwe aanvraag wordt gedaan na beëindiging van de bankrelatie. Voor een dwangsom bestaat geen aanleiding nu van de ABN AMRO verwacht wordt dat zij zich aan dit vonnis houdt. Voor het tegendeel zijn geen omstandigheden gebleken.
4.15.
ABN AMRO is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.245,47
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt ABN AMRO haar dienstverlening aan [eiser 1] onder de overeengekomen voorwaarden voort te zetten,
5.2.
beveelt ABN AMRO de persoonsgegevens van [eiser 1] in het interne verwijzingsregister (CAAML), waar ABN AMRO deze gegevens registreert, niet op te nemen dan wel te verwijderen en verwijderd te houden,
5.3.
veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten van € 2.245,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt ABN AMRO tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Coll: EvK