Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] ,
2.
STICHTING HAAGS JURISTEN COLLEGE,
1.De procedure
2.De feiten
De bank is van oordeel dat het in stand laten van de bancaire relatie niet past bij haar beleid op basis van de jarenlange negatieve openbare media, de strafrechtelijke veroordeling en de recente bestuurlijke boete van BFT in combinatie met het ontbreken van signalen van een gedragsverandering of concrete maatregelen om een einde te maken aan deze gang van zaken.”
De bank kan het klantenonderzoek niet afronden en niet uitsluiten dat de gelden op onrechtmatige wijze zijn verkregen of dat de producten en diensten op oneigenlijke wijze worden gebruikt.”
3.Het geschil
Tax Principles’) en anderzijds op concrete integriteitsrisico’s die zij tijdens het klantonderzoek naar [eiser 1] heeft vastgesteld. ABN AMRO noemt daarbij het strafrechtelijke verleden van [eiser 1] en de bestuurlijke boete die het BFT hem op 25 april 2024 heeft opgelegd. Ter illustratie van de niet-integere fiscale integriteit van [eiser 1] voert ABN AMRO verder aan dat [eiser 1] zich voor de meest recente Tweede Kamerverkiezingen als nummer [nummer] op de kieslijst van de [partijnaam] verkiesbaar heeft gesteld. Daarnaast verwijst ABN AMRO naar een tweetal artikelen uit de Quote en een artikel uit de NRC waaruit volgt dat de dienstverlening van [eiser 1] er op is gericht om belasting te ontwijking met de waarborg van volstrekte anonimiteit.
Eisers stellen de noodzaak van het klantonderzoek ter discussie, reageren niet of slechts na meerdere rappels en de gegeven reacties zijn onvolledig. Door ABN AMRO verzochte onderbouwende documentatie wordt niet verstrekt.” Het ‘bagatelliseren’ door [eiser 1] van de bestuurlijke boete die het BFT aan hem heeft opgelegd, vormt daarbij voor ABN AMRO het sluitstuk; alles in samenhang bezien is sprake van een glijdende schaal en komt ABN AMRO niet verder met haar klantonderzoek.
4.De beoordeling
Dat bezwaar heeft het BFT feitelijk volledig gehonoreerd door mij een boete [is] op te leggen die lager is dan de kostenvergoeding die zij mij daarbij heeft toegekend. Tegen die uitspraak van het BFT heb ik op 28 0ktober 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Dat beroep loopt nog steeds, u kunt het verloop daarvan volgen op de website van het BFT.[internetsite]”
feitelijk volledig gehonoreerdis, wat niet juist is, maar hij vermeldt ook in dezelfde zin dat een boete is opgelegd, zij het dat deze lager is dan de kostenvergoeding. Bovendien kan ABN AMRO haar klantonderzoek afronden, nu [eiser 1] een weblink naar de beslissing op bezwaar toestuurt en aangeeft beroep tegen te hebben ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. Dit alles betekent dat deze schriftelijke reactie van [eiser 1] geen onaanvaardbaar integriteitsrisico oplevert.
5.De beslissing
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.