ECLI:NL:RBAMS:2026:318

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
771809 HA ZA 25-1246
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 sub 2 lid d RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rabobank vordert betaling borgtocht na faillissement horecazaak

De Onderneming, een horecazaak, is in 2017 opgericht met vier bestuurders die elk 25% aandeelhouder waren. Rabobank verstrekte een lening van €400.000, waarbij ieder van de bestuurders zich borg stelde voor €50.000 als zakelijke borg. Na het faillissement van de Onderneming in april 2023 ontstond een restschuld die Rabobank op de borgen verhaalt.

De borgen voerden verweren aan, waaronder dat het om een particuliere borg zou gaan die niet aan wettelijke vereisten voldeed, dwaling, schending van zorgplicht en onvoorziene omstandigheden door de coronapandemie. De rechtbank oordeelt dat het een zakelijke borgtocht betreft, waarbij de borgen voldoende geïnformeerd waren en de risico’s begrepen. De coronapandemie vormt geen reden tot onvoorziene omstandigheden die nakoming uitsluiten.

Rabobank mag de restschuld verhalen, maar de vordering wordt deels afgewezen omdat een deel van de schuld (€18.572,55) betrekking heeft op een Staatsgarantie die niet in de dagvaarding is vermeld. De rechtbank veroordeelt de borgen hoofdelijk tot betaling van €73.551,36 plus wettelijke rente vanaf 30 juni 2024 en de proceskosten van €9.590,60. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de borgen hoofdelijk tot betaling van €73.551,36 plus wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van het deel van de vordering dat verband houdt met de Staatsgarantie.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/771809 / HA ZA 25-1246
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. S. Kuipers,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2] ,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats 1] ,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. K.Chr. Spee.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 juni 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 17 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 december 2025, en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De besloten vennootschap [de Onderneming] B.V. (hierna: de Onderneming) heeft in 2017 een horecazaak in [vestigingsplaats] geopend. Ieder van [gedaagden] was bestuurder en voor 25% aandeelhouder van de Onderneming.
2.2.
Op 22 december 2017 heeft Rabobank aan ieder van [gedaagden] een brief gestuurd. Daarin staat dat [gedaagden] voor € 50.000 per persoon borg zal staan voor de financiële verplichtingen van de Onderneming en informatie over de risico’s van de borgtocht. Ieder van [gedaagden] heeft de brief met de volgende verklaring ondertekend:

Verklaring borg
Ik ben voldoende op de hoogte van de financiële situatie van de debiteur [
de Onderneming, rb] en van de risico’s die het stellen van deze borgtocht met zich meebrengen (bijvoorbeeld gedwongen verkoop van mijn woning). Ik ben bereid borg te staan.”
2.3.
Op 1 maart 2018 heeft de Onderneming een leningsovereenkomst van € 400.000 gesloten met Rabobank.
2.4.
Voor de helft van de lening (€ 200.000) heeft ieder van [gedaagden] zich als borg voor € 50.000 gesteld. In de lening staat onder andere:
“De borgtocht geldt als zekerheid voor alle schulden van u [
de Onderneming, rb] aan ons. Dit kunnen schulden zijn die u nu al heeft of later kunt hebben. Zowel in verband met deze overeenkomst als uit een andere rechtsverhouding tussen u en ons.”
2.5.
Ieder van [gedaagden] heeft een borgakte tegenover Rabobank gegeven. In ieder van de borgaktes staat onder andere:
“U [
[gedaagden] , rb] stelt zich borg tegenover ons voor alles wat wij nu of in de toekomst van de debiteur [
de Onderneming, rb] te vorderen hebben. Het maakt niet uit waaruit deze vorderingen (zijn) ontstaan (…)
U verklaart dat:
- u bekend bent met de afspraken die wij met de debiteur hebben gemaakt;
- u zich realiseert dat wij u kunnen aanspreken als de debiteur zijn verplichtingen tegenover ons niet nakomt;
- wij u hebben gewezen op de risico’s van deze borgtocht en dat u deze risico’s begrijpt; en
- u deze borgtocht heeft gesteld handelend ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de debiteur. Wij gaan er dus vanuit dat u een zakelijke borg bent op het moment van het tekenen van deze borgtochtakte”
2.6.
Voor de andere helft van de lening (€ 200.000) heeft de Staat garant gestaan. Deze Staatsgarantie hield in dat als de Onderneming niet in staat zou zijn om het bedrag waarvoor de Staat garant stond (volledig) terug te betalen aan Rabobank, de Staat het dan openstaande deel zou terugbetalen aan Rabobank. In dat geval zou vanwege de Staatsgarantie een regresvordering van de Staat op [gedaagden] ontstaan.
2.7.
Rabobank heeft de algemene bankvoorwaarden en haar algemene voorwaarden voor borgtocht 2017 van toepassing verklaard op de lening en de borgtocht. Daarin staat onder andere dat Rabobank achterstallige rente in rekening mag brengen.
2.8.
In april 2023 is de Onderneming failliet gegaan.
2.9.
Rabobank heeft op 12 april 2024 [gedaagden] aangeschreven dat door het faillissement van de Onderneming een restschuld van € 93.577,36 is ontstaan, bestaande uit € 85.741,91 aan hoofdsom, € 1.125,44 aan debetstand en € 6.710,01 aan achterstallige rente, die Rabobank vanwege de gestelde borgen op [gedaagden] verhaalt. Rabobank heeft [gedaagden] gesommeerd om uiterlijk 30 juni 2024 het totaalbedrag te betalen. [gedaagden] heeft niet betaald.
2.10.
De Staat heeft vanwege de Staatsgarantie € 18.572,55 betaald aan Rabobank.

3.Het geschil

3.1.
Rabobank vordert, samengevat, dat de rechtbank [gedaagden] ieder afzonderlijk veroordeelt om € 50.000 aan de bank te betalen, waarbij de bank bij [gedaagden] gezamenlijk aanspraak kan maken op in totaal € 93.577,36 plus rente en proceskosten. Daarnaast vordert Rabobank dat de rechtbank bepaalt dat [gedaagden] ook meteen aan het vonnis moet voldoen als hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
3.2.
Rabobank stelt dat zij de restschuld van de Onderneming mag verhalen op [gedaagden] , omdat [gedaagden] zich ieder als zakelijke borg voor maximaal € 50.000 heeft gesteld. Volgens Rabobank is de financiering waarvoor de borgtocht geldt verstrekt voor het bedrijf van [gedaagden] (de Onderneming) en was op dat moment [gedaagden] ieder bestuurder en 25% aandeelhouder. De restschuld bestaat volgens Rabobank uit openstaande schulden en achterstallige rente. Ook vordert Rabobank € 18.572,55 namens de Staat, omdat volgens Rabobank de Staat door de Staatsgarantie en de borgen een regresvordering heeft op [gedaagden]
3.3.
[gedaagden] is het niet eens met de vordering en vindt dat Rabobank in de proceskosten moet worden veroordeeld. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat het gaat om een particuliere borg. In de eerste plaats voert [gedaagden] aan dat hij de borg rechtsgeldig heeft vernietigd, omdat de borg niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor een particuliere borg, dan wel door dwaling tot stand is gekomen. Ook voert [gedaagden] aan dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden omdat zij [gedaagden] onvoldoende heeft ingelicht en gewaarschuwd voor de financiële gevolgen, en dat de borg niet geldt voor toekomstige vorderingen. Mocht de rechtbank deze verweren niet volgen, dan voert [gedaagden] (subsidiair) aan dat Rabobank geen beroep kan doen op de borgtocht, omdat door de coronapandemie sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden, dan wel dat het onredelijk is dat Rabobank nakoming vordert.

4.De beoordeling

zakelijke borgtocht
4.1.
De borgtocht die [gedaagden] is aangegaan is een zakelijke borgtocht, omdat [gedaagden] deze is aangegaan als bestuurder en aandeelhouder van de Onderneming ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van de Onderneming. De lening is namelijk gebruikt om het door de Onderneming geëxploiteerde restaurant te verbouwen. Ook heeft [gedaagden] met de borgaktes ervoor getekend dat hij de borg als zakelijke borg is aangegaan. Een zakelijke borgtocht hoeft niet te voldoen aan de wettelijke vereisten van een particuliere borgtocht.
geen dwaling of zorgplichtschending, borg ook voor toekomstige vorderingen
4.2.
Dwaling of een zorgplichtschending is niet aan de orde, omdat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagden] bij het sluiten van de borg een onjuiste voorstelling van zaken heeft gehad doordat Rabobank verkeerde informatie heeft verstrekt of een mededelingsplicht heeft geschonden. In de borgaktes heeft [gedaagden] verklaard dat hij bekend is met de afspraken die Rabobank heeft gemaakt met de Onderneming, dat [gedaagden] zich realiseert dat Rabobank hem kan aanspreken als de Onderneming haar verplichtingen tegenover Rabobank niet nakomt, dat Rabobank hem heeft gewezen op de risico’s van de borgtocht en dat hij deze risico’s begrijpt. Daarnaast heeft Rabobank vóórdat [gedaagden] de borgtocht was aangegaan, per brieven van 22 december 2017 geïnformeerd over de risico’s van de borgtocht en heeft [gedaagden] met ondertekening van die brieven verklaard de risico’s te begrijpen.
4.3.
De borgtocht geldt ook voor toekomstige vorderingen, omdat [gedaagden] in de borgakte daarmee heeft ingestemd (zie onder 2.5).
Rabobank mag nakoming vorderen
4.4.
Het beroep van [gedaagden] op onvoorziene omstandigheden slaagt niet. Een borg aanvaardt met het aangaan van een borgtocht het risico dat als de hoofdschuldenaar – om welke reden dan ook – zijn verplichtingen tegenover de schuldeiser niet nakomt, de schuldeiser vervolgens de borg kan aanspreken. Het risico dat de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt, wordt tot het bedrag waarvoor de borgtocht is gesteld van de schuldeiser naar de borg verplaatst. De borgtocht is dus bedoeld om te dienen tot zekerheid voor de schuldeiser, ongeacht de reden waarom de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt. De coronapandemie leidt er dan ook niet toe dat Rabobank zou moeten afzien van een beroep op de borg.
4.5.
Ook is het niet onredelijk dat Rabobank aanspraak maakt op de afspraken uit de borgtocht, omdat niet kan worden vastgesteld dat de restschuld van de Onderneming kleiner zou zijn geweest als Rabobank anders had gehandeld, zoals [gedaagden] aanvoert.
Staatsgarantie: € 18.572,55 niet toewijsbaar
4.6.
Het voorgaande betekent dat Rabobank in beginsel de restschuld van de Onderneming mag verhalen op [gedaagden] Toch wordt de vordering niet volledig toegewezen, omdat Rabobank niet alle grondslagen van de vordering bij dagvaarding heeft genoemd. Op zitting is het volgende duidelijk geworden. Voor de ene helft van de lening is een Staatsgarantie afgegeven, voor de andere helft heeft [gedaagden] borg gestaan. De Staatsgarantie hield in dat als de Onderneming niet in staat zou zijn om het bedrag waarvoor de Staat garant stond (volledig) terug te betalen aan Rabobank, de Staat het dan openstaande deel zou terugbetalen aan Rabobank en dat – vanwege de borg – een regresvordering van de Staat op [gedaagden] zou ontstaan. De Staat heeft vanwege de Staatsgarantie € 18.572,55 betaald aan Rabobank en daarmee voor dat bedrag een regresvordering op [gedaagden] , die Rabobank in deze procedure namens de Staat vordert van [gedaagden] Deze grondslag had Rabobank op grond van artikel 111 sub Pro 2 lid d van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) in de dagvaarding moeten vermelden of duidelijk maken, maar dat heeft Rabobank niet gedaan. Daarom wordt het deel van de vordering dat daarop ziet afgewezen: € 18.572,55.
conclusie: [gedaagden] moet € 73.551,36 betalen
4.7.
Rabobank heeft voldoende onderbouwd dat de openstaande schuld van de Onderneming bij Rabobank na faillissement € 86.867,35 exclusief achterstallige rente bedroeg, bestaande uit € 85.741,91 aan hoofdsom lening en € 1.125,44 aan debetstand (zie onder 2.9).
4.8.
Van de gevorderde achterstallige rente van € 6.710,01 over de lening wordt alleen het deel toegewezen waarvoor de Staatsgarantie niet geldt, dus (€ 85.741,91 – € 18.572,55) / € 85.741,91 × € 6.710,01 = € 5.256,56.
4.9.
Het toewijsbare bedrag is dan ook € 73.551,36 (€ 86.867,35 minus € 18.572,55 plus € 5.256,56).
4.10.
De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2024 wordt toegewezen, omdat [gedaagden] vanaf die datum in verzuim is (zie onder 2.9).
proceskosten
4.11.
[gedaagden] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,60
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal
9.590,60
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Rabobank te betalen een bedrag van
€ 73.551,36 plus wettelijke rente vanaf 30 juni 2024, waarbij Rabobank [gedaagden] ieder voor maximaal € 50.000 per persoon kan aanspreken,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 9.590,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. R. Hafith en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.