Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3180

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
26/1256
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening A1-verklaring wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank om een A1-verklaring voor een werknemer af te wijzen. De werknemer werkt tijdelijk in België aan een project waarvoor een A1-verklaring vereist is.

De voorzieningenrechter overweegt dat het project nog loopt en dat de werknemer voorlopig met tijdelijke bevestigingen toegang tot de werkplek heeft, waardoor geen onomkeerbare gevolgen dreigen. Het geschatte financiële risico is onvoldoende onderbouwd. Ook de persoonlijke situatie van de werknemer, die onzekerheid ervaart over zijn socialezekerheidspositie vanwege de zwangerschap van zijn partner, leidt niet tot onverwijlde spoed.

Daarom is geen spoedeisend belang aanwezig en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1256

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1], uit [plaats 1] , (Verenigd Koninkrijk), en
[verzoeker 2], uit [plaats 2] (Slowakije), verzoekers
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. M.D. van Houten).

Procesverloop

1.1.
[verzoeker 1] heeft ten behoeve van haar werknemer [verzoeker 2] een A1-verklaring aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 december 2025 (het bestreden besluit) afgewezen. [verzoeker 1] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat de A1-verklaring wordt afgegeven.
1.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, vergezeld door zijn collega [naam] , en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door zijn collega
mr. P. Stahl-de Bruin.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
[verzoeker 1] heeft een vestiging in Nederland, waar [verzoeker 2] werkzaam is. [verzoeker 1] heeft een project in België waar [verzoeker 2] sinds 31 maart 2025 tijdelijk werkzaam is. Het project behelst het aanleggen van elektrische installaties voor koelingen van datacenters. Om als buitenlandse werknemer op de werkplaats te mogen werken, is vanuit België een A1-verklaring vereist. Verweerder heeft met het bestreden besluit geweigerd om aan [verzoeker 2] een A1-verklaring af te geven.
2.
2.2.
Verzoekers voeren aan dat [verzoeker 2] een belangrijke rol binnen het project vervult. Door het afwijzen van een A1-verklaring is [verzoeker 2] expliciet de toegang tot de werkplek ontzegd, waardoor lopende projecten stagneren. Dit leidt tot onmiddellijke operationele verstoringen en aanzienlijke financiële risico’s voor [verzoeker 1] . Door de verstoringen is de kans aanzienlijk dat [verzoeker 1] niet voldoet aan de overeengekomen contractvoorwaarden. [verzoeker 1] schat het risico met betrekking tot de hiermee samenhangende kosten op € 5.000 per dag. Daarnaast verkeert [verzoeker 2] door het uitblijven van een A1-verklaring in onzekerheid over zijn socialezekerheidspositie. Zijn partner is in verwachting van een kind, met een uitgerekende datum in april. Gelet op het feit dat de partner van [verzoeker 2] niet werkt, is zij sociaal verzekerd in het land waar [verzoeker 2] sociaal verzekerd is. In verband met zijn gezinssituatie is het voor [verzoeker 2] van belang dat tijdig duidelijkheid bestaat over in welk land hij rechten en aanspraken kan doen gelden, waaronder aanspraken voor medische kosten die samenhangen met de bevalling van zijn partner, alsmede eventuele aanspraken samenhangend met het ouderschap, zoals kinderbijslag en toeslagen.
2.3.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Onverwijlde spoed wil zeggen dat er onomkeerbare gevolgen kunnen intreden waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
2.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van onverwijlde spoed. Op de zitting heeft de gemachtigde van verzoekers toegelicht dat het project nog loopt. Er dient steeds een bevestiging afgegeven te worden dat [verzoeker 2] een A1-verklaring verwacht. Daardoor heeft [verzoeker 2] vooralsnog steeds, met soms een onderbreking in afwachting van goedkeuring, toegang tot de werkplaats. Dit is weliswaar een tijdelijke oplossing, maar het is een oplossing die – voor nu – werkbaar is. Vooralsnog is van een dreigende situatie dat niet aan de contractuele verplichtingen voldaan wordt dan ook geen sprake. Het geschatte risico op kosten van € 5.000,- per dag is ook niet onderbouwd. De voorzieningenrechter ziet daarom wat betreft het project geen reden om te oordelen dat, als hij geen voorlopige voorziening treft voor de beslissing op bezwaar, onomkeerbare gevolgen zullen intreden.
2.5.
Wat betreft de persoonlijke situatie van [verzoeker 2] , overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Omdat structurele toegang tot de werkplek zonder
A1-verklaring niet langer mogelijk bleek, is [verzoeker 2] begin januari 2026 overgeplaatst op de Belgische payroll. Op dit moment worden door [verzoeker 1] dus zowel in België als in Nederland sociale premies afgedragen. Niet gebleken dat dit [verzoeker 1] in financiële moeilijkheden brengt. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat [verzoeker 2] hoe dan ook verzekerd is, of dit nu in België of in Nederland is. Dit volgt uit Europese regelgeving. Voor zover achteraf blijkt dat ten onrechte premies zijn betaald, wordt dit gecorrigeerd door verrekening. Ook dit is Europeesrechtelijk geregeld. Dat [verzoeker 2] op dit moment in onzekerheid verkeert over zijn definitieve socialezekerheidspositie en dit onwenselijk is gezien de zwangerschap van zijn partner, is begrijpelijk, maar maakt niet dat sprake is van onverwijlde spoed.
2.6.
De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.J. van ‘t Hoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.