ECLI:NL:RBAMS:2026:3181
Rechtbank Amsterdam
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot toepassing EPGV-Verordening afgewezen wegens ontbreken woonplaats in Nederland of Frankrijk
Verzoeker, met de Franse en Canadese nationaliteit, werd op 15 november 2025 geweigerd aan boord te gaan van een vlucht en verblijft sindsdien wisselend in Nederland, voornamelijk in hotels. Hij heeft het grootste deel van 2025 in Frankrijk en Nederland doorgebracht en is meerdere keren door de politie in Amsterdam gecontroleerd. Verzoeker wil de procedure voortzetten via een dagvaardingsprocedure.
De rechtbank toetst de woonplaats van verzoeker aan de hand van artikel 3 lid 2 EPGV Pro-Verordening en de artikelen 62 en 63 van Verordening Brussel I bis, waarbij het Nederlandse recht (artikel 1:10 BW Pro) wordt toegepast. De woonplaats wordt gedefinieerd als de plaats waar iemand werkelijk woont en zijn belangen behartigt met het plan om terug te keren na het bereiken van een bepaald doel.
De rechtbank concludeert dat op basis van de stellingen onvoldoende aanwijzingen bestaan dat verzoeker een woonplaats of vaste verblijfplaats heeft in Nederland of Frankrijk. Hierdoor valt het verzoek buiten het toepassingsbereik van de EPGV-Verordening. Verzoeker wordt opgedragen de procedure om te zetten in een dagvaardingsprocedure en de zaak wordt verwezen naar een rolzitting op 26 mei 2026.
De rechtbank wijst verzoeker erop dat hij niet-ontvankelijk zal worden verklaard indien hij niet tijdig dagvaardt en EasyJet niet verschijnt. De procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Verzoek tot toepassing EPGV-Verordening afgewezen wegens ontbreken woonplaats in Nederland of Frankrijk.