Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3185

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
11830757 \ CV EXPL 25-10844
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming voor oproeping medehuurder in procedure over redelijkheid huurprijs

De verhuurder ([eiser]) en twee huurders ([naam 2] en [gedaagde]) zijn een huurovereenkomst aangegaan voor een woning voor bepaalde tijd. De huurders hebben de woning tot 30 september 2024 gehuurd. De huurcommissie heeft de overeengekomen huurprijs van €1.830,00 als onredelijk hoog beoordeeld en een maximale huurprijs van €747,06 vastgesteld.

De verhuurder heeft vervolgens een procedure bij de rechtbank gestart tegen één huurder ([gedaagde]) om de uitspraak van de huurcommissie te laten vervallen. Tijdens de mondelinge behandeling stelde de kantonrechter vast dat het hier gaat om een processueel ondeelbare rechtsverhouding, waarbij alle betrokken partijen in het geding moeten worden betrokken.

Omdat de medehuurder ([naam 2]) niet was opgeroepen, heeft de kantonrechter de verhuurder toegestaan om deze medehuurder alsnog op te roepen op grond van artikel 118 Rv Pro. De zaak is verwezen naar de rol voor deze oproeping en verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De kantonrechter staat toe dat de verhuurder de medehuurder oproept en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11830757 \ CV EXPL 25-10844
Vonnis van 12 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: LegalSteps B.V.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties;
- het tussenvonnis van 28 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- het bericht van 12 februari 2026 met één productie van [eiser] ;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2026. [eiser] is in persoon verschenen, vergezeld door haar zoon [naam 1] . [gedaagde] is vertegenwoordigd door [naam 3] , namens de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt nader toegelicht, [eiser] aan de hand van spreekaantekeningen, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. Een kopie daarvan is als bijlage bij dit vonnis gevoegd.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
1.4.
[eiser] heeft na sluiting van het onderzoek een incidentele vordering tot oproeping van [naam 2] (hierna: [naam 2] ) op de voet van artikel 118 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend met een nadere productie.

2.De feiten

2.1.
[eiser] als verhuurder en [naam 2] en [gedaagde] als huurders zijn een huurovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd, ingaande op 1 december 2022 en lopende tot en met 30 november 2024, met betrekking tot de woning aan [adres] (hierna: de woning). [naam 2] en [gedaagde] hebben de woning tot en met 30 september 2024 gehuurd.
2.2.
Op 12 november 2024 heeft [gedaagde] de huurcommissie verzocht uitspraak te doen over de redelijkheid van de overeengekomen huurprijs.
2.3.
De huurcommissie heeft in een uitspraak van 7 juli 2025 (zaaknummer [nummer] ) het puntenaantal van de woning vastgesteld op 138 met een bijbehorende maximale huurprijs van € 747,06 en de met ingang van 1 december 2022 overeengekomen maandelijkse huurprijs van € 1.830,00 niet redelijk geacht. [naam 2] was niet betrokken bij de procedure bij de huurcommissie.

3.De beoordeling in conventie en in reconventie

3.1.
In het eerste lid van artikel 7:262 Burgerlijk Pro Wetboek staat dat wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder of de verhuurder uitspraak heeft gedaan, huurder en verhuurder geacht worden te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht.
3.2.
De dagvaarding is op 5 augustus 2025 door [eiser] betekend aan [gedaagde] en de vordering is daarmee tijdig ingesteld. De uitspraak van de huurcommissie is daarmee komen te vervallen.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan de orde gesteld dat de vordering van [eiser] een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft. In een dergelijke procedure heeft iedere partij het recht jegens alle andere bij die rechtsverhouding betrokken partijen een beslissing daaromtrent te vorderen, ongeacht wie de procedure heeft aangespannen en ongeacht tegen wie de vordering zich richt. Verder heeft ieder van hen het recht verweer te voeren tegen een vordering met betrekking tot een processueel ondeelbare rechtsverhouding, ongeacht door en tegen wie deze is ingesteld. Wanneer degene die een beslissing wil uitlokken over een dergelijke processueel ondeelbare rechtsverhouding nalaat om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter, ook ambtshalve, gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv Pro binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn (Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411). Wanneer de rechter dit nalaat zal een fundamenteel beginsel van procesrecht, namelijk hoor en wederhoor, geschonden worden (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5996).
3.4.
De kantonrechter zal daarom [eiser] toestaan om [naam 2] op grond van artikel 118 Rv Pro op te roepen in dit geding. De zaak wordt hiertoe verwezen naar de rol.
3.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid om [naam 2] op de voet van artikel 118 Rv Pro in het geding op te roepen voor de rolzitting van
donderdag 9 april 2026te 10:00 uur,
4.2.
bepaalt dat bij deze oproeping afschriften van de tot nu toe ingediende processtukken alsmede een kopie van dit vonnis en van de zittingsaantekeningen met spreekaantekeningen worden betekend,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
33806
Bijlagen: de zittingsaantekeningen van de griffier en de spreekaantekeningen van [eiser] .