ECLI:NL:RBAMS:2026:3191

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
13-333032-25, 13-342658-25, 13-350854-25, 13-157868-24, 15-196881-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Plaatsing in inrichting voor stelselmatige daders na diefstal, bedreiging en vernieling

Verdachte werd vervolgd voor drie feiten: medeplegen van diefstal met braak bij een bedrijf, bedreiging van een persoon met een mes en medeplegen van vernieling van een autoruit. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, behalve het maken van een stekende beweging met het mes, waarvoor verdachte werd vrijgesproken.

De verdachte heeft een lange geschiedenis van veroordelingen voor vermogensdelicten en openbare orde misdrijven, met een verslaving aan crack en psychiatrische problematiek. De reclassering adviseerde een ISD-maatregel omdat ambulante hulpverlening onvoldoende bleek en de kans op recidive hoog is.

De rechtbank oordeelde dat aan de harde en zachte criteria voor de ISD-maatregel is voldaan. De maatregel is opgelegd voor twee jaar, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis niet in mindering wordt gebracht. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen werden afgewezen vanwege de ISD-maatregel.

De rechtbank benadrukte dat de ISD-maatregel niet alleen gericht is op bescherming van de maatschappij, maar ook op het bieden van een kader voor gedragsverandering en behandeling van onderliggende problematiek. Verdachte toonde zich tijdens de zitting bereid tot hulpverlening.

Tot slot werd een inbeslaggenomen prepaidkaart in bewaring gegeven ten behoeve van de rechthebbende, omdat geen verband met de feiten kon worden vastgesteld.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar wegens diefstal, bedreiging en vernieling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers vorderingen: 13-157868-24 en 15-196881-25Parketnummers: 13.333032.25, 13.342658.25 (ter terechtzitting gevoegd) en 13.350854.25 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers:
- 13-333032-25 (zaak A)
- 13-342658-25 ( zaak B; ter terechtzitting gevoegd)
- 13-350854-25 ( zaak C; ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging:
- 13-157868-24
- 15-196881-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
thans gedetineerd in de [verblijfsplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 maart 2026. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B en C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Poll, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. E. Boskma, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
in zaak A: op 6 december 2025 in Amsterdam het medeplegen van een diefstal met braak, verbreking en/of inklimming van een of meerdere blikken, (koek)trommels en/of een contant geldbedrag ter waarde van ongeveer € 18,10, toebehorende aan [Naam benadeeld bedrijf] ;
in zaak B: op 15 december 2025 in Amsterdam de bedreiging van [slachtoffer ] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door [slachtoffer ] een mes te tonen, met dat mes stekende bewegingen in zijn richting te maken en/of met dat mes richting [slachtoffer ] te lopen;
in zaak C: op 26 december 2025 in Amsterdam het medeplegen van het vernielen van een raam van een voertuig toebehorende aan [aangever] .

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich aan een gekwalificeerde diefstal schuldig heeft gemaakt. Wel dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen, nu onvoldoende vast is komen te staan dat verdachte het feit in nauwe en bewuste samenwerking met een of meer anderen heeft gepleegd.
Ten aanzien van zaak B kan worden bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer ] heeft bedreigd, zoals in de tenlastelegging staat omschreven. De alternatieve verklaring van verdachte dat aangever hem eerst met een kettingslot heeft benaderd, wordt niet ondersteund door de in het dossier gevoegde
stillsvan de camerabeelden van het incident.
Ten aanzien van zaak C kan worden bewezen dat verdachte het raam van aangever [aangever] heeft vernield, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het in zaak A en C ten laste gelegde geen bewijsverweer gevoerd.
Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte is gaan rennen op het moment dat aangever [slachtoffer ] een kettingslot zou hebben gepakt.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het in zaak B ten laste gelegde met een mes maken van een stekende beweging
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte met een mes een stekende beweging in de richting van aangever [slachtoffer ] heeft gemaakt. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit deel van de in zaak B ten laste gelegde bedreiging vrijspreken.
Bewezenverklaring van het in de zaken A, B en C ten laste gelegde
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaken A, B en C ten laste gelegde feiten, zoals hierna in rubriek 4 wordt omschreven. Nu verdachte deze feiten – zoals hierna omschreven – heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank, gelet op artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, met de volgende opgave van bewijsmiddelen volstaan:
In zaak A:
Een proces-verbaal van aangifte van 6 december 2025 met nummer 251206-524-485, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 1] , pag. 5-7 van het digitale dossier;
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 17 maart 2026.
In zaak B:
Een proces-verbaal van aangifte van 15 december 2025 met nummer PL1300-2025315297-2, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] , pag. 6-8 van het digitale dossier;
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 17 maart 2026.
In zaak C:
Een proces-verbaal van aangifte van 26 december 2026 met nummer PL1300-2025325184-12, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 3] , pag. 8-10 van het digitale dossier;
De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 17 maart 2026.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A:
op 6 december 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen blikken en/of trommels en een contant geldbedrag ter waarde van ongeveer € 18,10 die aan [Naam benadeeld bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
ten aanzien van zaak B:
op 15 december 2025 te Amsterdam [slachtoffer ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die [slachtoffer ] een mes te tonen en
- met voornoemd mes richting die [slachtoffer ] te lopen;
Ten aanzien van zaak C:
op 26 december 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een voertuig dat geheel of ten dele aan [aangever] toebehoorde heeft beschadigd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om onderzoek te laten verrichten naar andere kaders dan de ISD-maatregel, waarbinnen de hulpverlening aan verdachte vorm kan worden gegeven.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal met braak, samen met een ander, van [Naam benadeeld bedrijf] en de beschadiging van een autoruit van aangever [aangever] . Verdachte heeft hierdoor aangetoond geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander en bijgedragen aan de overlast en maatschappelijke onrust die van dergelijke feiten uitgaan.
Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de bedreiging van aangever
[slachtoffer ]en daardoor bij aangever gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij de bedreiging gebruik heeft gemaakt van een mes.
De persoon van verdachte en het advies van de reclassering
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 februari 2026. Daaruit is gebleken dat verdachte gedurende de afgelopen jaren veelvuldig voor vermogensdelicten en misdrijven tegen de openbare orde is veroordeeld.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 11 maart 2026, opgemaakt door reclasseringswerker E.C. Vilters . In dit rapport heeft de rechtbank – kort samengevat – kunnen lezen dat bij verdachte sprake is van instabiliteit op alle leefgebieden. De reclassering ziet de grootste risico’s op recidive ten aanzien van de verslaving van verdachte aan crack en zijn psychiatrische problematiek, waarvoor in het verleden meermaals een zorgmachtiging is afgegeven. Voordat verdachte werd gedetineerd, is hij zijn plek in een instelling voor begeleid wonen verloren. Eerdere interventies door de reclassering zijn telkens vroegtijdig beëindigd, onder meer omdat verdachte steeds verder afgleed in zijn verslaving. De reclassering heeft verder beschreven dat verdachte niet uit onwil, maar uit onmacht lijkt te handelen. De kans dat verdachte zonder interventies opnieuw strafbare feiten zal plegen wordt door de reclassering als hoog ingeschat.
Omdat verdachte zich niet staande weet te houden in een ambulant kader, dient hij volgens de reclassering tegen zichzelf in bescherming te worden genomen door middel van een dwangkader. De reclassering adviseert de rechtbank dan ook om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen, omdat hulpverlening in het kader van deze maatregel de meest reële kans oplevert op het doorbreken van de onderliggende problematiek van verdachte.
Tijdens de zitting van 17 maart 2026 heeft de rechtbank reclasseringswerker E.C. Vilters als deskundige gehoord. Aanvullend op haar rapport heeft Vilters benadrukt dat alleen de wil en goede voornemens voor verdachte niet voldoende zijn om tot gedragsverandering te komen, omdat de onmacht daarvoor te groot is, mede gelet op zijn verleden in de geestelijke gezondheidszorg. Volgens de deskundige is het van belang dat er bij verdachte goede diagnostiek plaatsvindt, om een helder beeld te krijgen van de problemen die aan het delictgedrag van verdachte bijdragen en wat voor traject er nodig is om tot gedragsverandering te komen. Dit alles kan volgens de reclassering het beste vanuit de ISD-maatregel worden vormgegeven.
Verdachte heeft zelf tijdens de zitting van 17 maart 2026 verklaard dat hij openstaat voor hulpverlening, met inbegrip van een klinische opname. Wel heeft verdachte de rechtbank verzocht om aan hem geen ISD-maatregel op te leggen, omdat hij heeft gehoord dat deze maatregel kan leiden tot een langdurige detentie, voordat met hulpverlening kan worden begonnen.
Voldaan aan de ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het hiervoor besproken uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt verder dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de pleegdata van de bewezen verklaarde feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij Meerderjarige Veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één misdrijf gedurende de laatste twaalf maanden terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatste gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De ‘zachte’ ISD-criteria en de voorwaardelijke ISD-maatregel
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de ISD-maatregel in dit geval ook als de meest passende maatregel moet worden beschouwd (de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria.) De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Daartoe overweegt de rechtbank dat de problematiek van verdachte die bijdraagt aan zijn delictgedrag blijkens het advies van de reclassering niet in een vrijwillig kader kan worden behandeld. Tegen deze achtergrond en gelet op de frequentie waarmee verdachte strafbare feiten pleegt, dient de bescherming van de maatschappij in de afweging van de rechtbank de boventoon te voeren en vormt de ISD-maatregel de geëigende route om het delictgedrag van verdachte te doorbreken.
Daarbij wil de rechtbank verdachte op het hart drukken dat de ISD-maatregel – anders dan hij lijkt te denken – niet enkel is gericht op het beschermen van de maatschappij door hem gedurende een lange tijd van zijn vrijheid te beroven, maar ook een kader vormt waarbinnen verdachte (gesteund door de nodige dwangkaders) aan zijn problemen kan werken. De rechtbank is van oordeel dat de ISD-maatregel het beste kader vormt voor verdachte om aan zijn problemen te werken. Op basis van de verklaringen van verdachte tijdens de zitting op 17 maart 2026 heeft de rechtbank ook de indruk gekregen dat verdachte van de noodzaak van interventies is doordrongen.
Conclusie
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

8.Beslag

Onder verdachte is een hieronder in het dictum nader omschreven
prepaid-kaart in beslag genomen. Nu niet kan worden vastgesteld dat dit voorwerp verband houdt met de door verdachte begane strafbare feiten en de eigenaar van het voorwerp niet kan worden bepaald, zal de rechtbank daarvan de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 9 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13-157868-24, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in Amsterdam van 21 mei 2024, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 8 weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Verder bevindt zich bij de stukken de op 9 februari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15-196881-25, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in Alkmaar van 8 september 2025, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tot slot bevinden zich bij de stukken geschriften waaruit blijkt dat de mededelingen als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post zijn toegezonden.
De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen afwijzen, omdat in de onderhavige strafzaak aan verdachte een ISD-maatregel wordt opgelegd en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf zich daarmee niet verhoudt.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 285, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaanzoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;
ten aanzien van het in zaak C bewezen verklaarde:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van 2 (twee) jaren.
Ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp:
Gelast de
bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan:
1. STK Bankbescheiden (Omschrijving: PL1300-2025307355-BZAV2942, Prepaid)
Ten aanzien van de vorderingen tenuitvoerlegging:
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 13-157868-24 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 15-196881-25 opgelegde voorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. A.M. Loots en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 maart 2026.
Bijlage – Tenlasteleggingen verdachte [verdachte]
Aan verdachte is in zaak A ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 december 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meerdere blik(ken) en/of (koek)trommel(s) en/of een contant geldbedrag ter waarde van ongeveer € 18,10, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [Naam benadeeld bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Aan verdachte is in zaak B ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 december 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- die [slachtoffer ] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of
- (vervolgens) met voornoemd mes stekende bewegingen te maken in de richting van die [slachtoffer ] en/of
- met voornoemd mes richting die [slachtoffer ] te lopen.
Aan verdachte is in zaak C ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een voertuig, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.