ECLI:NL:RBAMS:2026:3199

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
C/13/783519 / 26-52
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in ontnemingszaken wegens gebrek aan vooringenomenheid

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. R. van de Water, rechter te Amsterdam, in lopende ontnemingszaken. Zij stelden dat de rechter al een voorlopig oordeel had gevormd en niet alle door de verdediging ingebrachte stukken, waaronder filmpjes, had meegewogen, wat de schijn van vooringenomenheid zou wekken.

De rechter had tijdens de zitting een voorlopige zienswijze gegeven en het verzoek tot een schouw afgewezen op basis van foto’s in het dossier. Na sluiting van het onderzoek stelde hij de uitspraak uit om nader onderzoek mogelijk te maken en gaf aan de filmpjes alsnog te zullen bekijken indien aangeleverd.

De wrakingskamer oordeelde dat het geven van een voorlopig oordeel en het voeren van regie op de zitting binnen het rechterlijk domein valt en niet leidt tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De rechter toonde zich bereid tot nadere bestudering van de stukken en het heropenen van de zaak bij afspraken tussen partijen.

De kamer concludeerde dat de rechter onpartijdig is en dat de wraking niet gegrond is. Het verzoek werd daarom afgewezen, waarbij tevens werd benadrukt dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Zaaknummer: C/13/783519 / HA RK 26-52
Beslissing op het wrakingsverzoek van:
[verzoeker 1],
wonende te [woonplaats 1] ,
raadsvrouw: mr. F.T.C. Dölle,
en
[verzoeker 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
raadsman: mr. A.J. Horenblas,
verzoekers,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. R. van de Water, rechter te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank (wrakingskamer) heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
het wrakingsverzoek, binnengekomen bij de wrakingskamer per e-mail van 17 februari 2026;
een proces-verbaal van de zitting van de rechter van 17 februari 2026;
de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 20 februari 2026.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
1.3.
Het verzoek is op de openbare terechtzitting van 4 maart 2026 behandeld alwaar verzoekers, bijgestaan door hun raadslieden, en de rechter zijn gehoord.
1.4.
De uitspraak is bepaald op uiterlijk 18 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
Bij de rechter zijn ten aanzien van verzoekers ontnemingszaken aanhangig, met parketnummers [nummer 1] ( [verzoeker 1] ) en [nummer 2] ( [verzoeker 2] ). De zaken zijn op de politierechterzitting van 17 februari 2026 behandeld, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Voorafgaand aan de zitting hebben schriftelijke conclusiewisselingen tussen de verdediging en de officier van justitie plaatsgevonden.
2.2.
Aan het slot van de behandeling heeft de rechter het onderzoek ter terechtzitting gesloten en medegedeeld dat op 10 maart 2026 uitspraak zal worden gedaan. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechter kenbaar gemaakt dat hij nog enkele punten wil aankaarten in de hoop dat partijen tot procesafspraken of een schikking kunnen komen. In het proces-verbaal staat dat de rechter het volgende heeft verklaard: “Ik verwacht niet dat ik op een bedrag van nul euro uitkom, maar ik zal ook niet op het bedrag van de officier van justitie uitkomen. Voorts wijs ik het verzoek tot het doen van een schouw af. Ik heb op basis van de foto’s in het dossier gezien dat de kwekerij er onprofessioneel uit ziet. Bij het bepalen van het te betalen bedrag zal ik daarom gebruik maken van mijn schattingsbevoegdheid. Daarnaast zal ik kijken naar de uitspraken die de verdediging heeft aangevoerd. Verder merk ik op, in het kader van de investeringskosten, dat er geen betalingsbewijzen zijn overgelegd voor de materialen van de kwekerij. Het is ook mogelijk dat de goederen van Marktplaats zijn gehaald. Tot slot, indien de partijen tot afspraken kunnen komen, verzoek ik u mij hierover uiterlijk maandag 23 februari 2026 te informeren.”
Hierna heeft mr. A.J. Horenblas gevraagd of de rechter de filmpjes heeft ontvangen die door de verdediging zijn gestuurd. De rechter heeft hierop geantwoord: “Nee, deze heb ik niet ontvangen en daar heb ik ook geen behoefte aan. Als ik denk dat deze filmpjes relevant zijn, kan ik de zaak altijd nog heropenen. U, raadsman, merkt op dat de filmpjes wellicht kleur kunnen geven aan de ingenomen standpunten. Als het de officier van justitie lukt om de filmpjes alsnog te versturen, zal ik deze alsnog bekijken.”
2.3.
De behandeling van de ontnemingszaken is na ontvangst van het wrakingsverzoek geschorst.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter in de onderhavige zaken al een (voorlopig) (eind)oordeel heeft geveld alvorens kennis te nemen van alle door de verdediging ingebrachte stukken.
3.2.
De door de rechter gekozen bewoordingen tijdens de ondervraging van verzoekers en de gedane uitlatingen na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, hebben bij verzoekers de vrees van vooringenomenheid gewekt. Toen [verzoeker 2] uitgebreid betoogde dat hij geen cent met de kwekerij had verdiend, gaf de rechter namelijk aan dat hij vrij sec zou gaan beoordelen wat er met de kwekerij was verdiend en [verzoeker 2] meent zich te herinneren dat de rechter ook heeft gezegd dat zijn persoonlijke omstandigheden hierbij geen enkele rol zouden spelen. Verzoekers menen uit de bewoordingen van de rechter te kunnen afleiden dat hij niet voornemens is om de ontnemingsvorderingen af te wijzen en bij eventueel op te leggen betalingsverplichtingen geen gebruik zal maken van zijn matigingsbevoegdheid. Dit terwijl de verdediging gemotiveerd en onderbouwd met stukken heeft bepleit dat de rechter tot dergelijke beslissingen dient te komen. De filmpjes die de rechter niet heeft ontvangen en mogelijk niet zal bekijken, vormen een belangrijk onderdeel van de stukken die de verdediging ter onderbouwing van haar standpunten heeft aangevoerd. Het voorwaardelijke verzoek tot het uitvoeren van een schouw is reeds voor bestudering van een compleet dossier afgewezen. Verzoekers vrezen dat de rechter niet op grond van alle relevante feiten en omstandigheden tot een onafhankelijk oordeel zal komen.

4.De reactie van de rechter

4.1.
De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie op de gronden van het wrakingsverzoek, onder verwijzing naar het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting, aangevoerd dat hij zich niet vooringenomen acht.
4.2.
De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie en zijn nadere toelichting tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, te kennen gegeven dat hij zich in staat acht om na verdere bestudering van de door de verdediging naar voren gebrachte standpunten tot een onafhankelijk eindoordeel te komen. De rechter wilde voldoende geïnformeerd zijn, alvorens een eindoordeel te geven. Daarom heeft de rechter niet, zoals gebruikelijk, meteen na het sluiten van het onderzoek mondeling uitspraak gedaan, maar de datum van de uitspraak bepaald op 10 maart 2026. De rechter achtte zich wel voldoende voorgelicht om de beslissing tot afwijzing te nemen ten aanzien van het voorwaardelijk verzoek een schouw te verrichten, omdat hij op basis van de grote hoeveelheid foto’s in het dossier, die ten tijde van het aantreffen van de hennepkwekerij zijn gemaakt, ten voordele van verzoekers tot de conclusie was gekomen dat de hennepkwekerij er onprofessioneel uitzag. Daarmee is geen eindoordeel gegeven over de ontnemingsvorderingen en eventueel op te leggen betalingsverplichtingen. Toen de verdediging het belang van het bekijken van de filmpjes kenbaar had gemaakt, heeft de rechter te kennen gegeven dat hij daarvan alsnog kennis zou nemen na verstrekking door de officier van justitie. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de rechter bevestigd de filmpjes inmiddels van de officier van justitie te hebben ontvangen en te zullen bekijken, indien het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
4.3.
Verder heeft de rechter aangevoerd dat hij partijen eerst in de gelegenheid wilde stellen om eventuele afspraken te maken, alvorens een eindoordeel te geven. Eventuele afspraken tussen partijen zouden tot een heropeningsbeslissing van het onderzoek ter terechtzitting kunnen leiden. In het kader van de onderhandelingen heeft de rechter als zijn voorlopige oordeel gegeven, dat hij niet verwacht op een bedrag van nul euro uit te komen maar ook niet op het bedrag van de officier van justitie. Het geven van een voorlopig oordeel behoort tot het rechterlijk domein en daaruit blijkt geen vooringenomenheid.
4.4.
Verder heeft de rechter aangevoerd dat de rechter de regie voert op zitting. Het onderbreken van een verzoeker tijdens de ondervraging is een regiebeslissing die de rechter toekomt. De stelling van verzoekers dat de rechter bij een eventueel op te leggen betalingsverplichting geen gebruik zal maken van zijn matigingsbevoegdheid, is feitelijk onjuist.

5.De beoordeling

5.1.
Een rechter kan worden gewraakt als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
5.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter in strafzaken ter zitting de regie voert en het verloop van de zitting en de wijze van behandeling bepaalt. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. De rechter bepaalt welke vragen gesteld worden en aan wie. Dit kunnen ook kritische vragen zijn of stellingen waarop partijen kunnen reageren. Door het verkrijgen van reacties op die vragen en stellingen, vergaart de rechter de benodigde informatie om te komen tot een oordeel. Een onwelgevallige vraag of opmerking van de rechter leidt daarom in beginsel niet tot het aannemen van (een gerechtvaardigde vrees voor) partijdigheid. De vrijheid van de rechter is echter niet onbegrensd. Wanneer de bewoordingen niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid, zijn deze bewoordingen kennelijk ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.
5.3.
De wrakingskamer is van oordeel dat de opmerkingen die de rechter worden verweten geen opmerkingen zijn die het evenwicht tussen het OM en de verdachten/advocaten hebben verstoord of dat daaruit (enige schijn van) vooringenomenheid is ontstaan.
5.4.
Uit het proces-verbaal, waarvan de inhoud niet is betwist, blijkt dat de rechter een actieve en onderzoekende rol heeft gehad. Deze rol past ook binnen het gematigd accusatoir stelsel van het Nederlandse strafproces. De rechter heeft de procesdeelnemers meegenomen in zijn gedachteproces door meerdere malen zijn (voorlopige) zienswijze te geven. Daarnaast heeft de rechter een aantal beslissingen genomen die tot het rechterlijk domein behoren.
5.5.
De beslissing van de rechter om geen schouw uit te voeren vormt geen grond voor wraking (HR 25 september 2018; ECLI:NL:HR:2018:1413). De rechter heeft op de wrakingszitting uitgelegd dat hij zich op basis van de vele foto’s in het dossier voldoende in staat achtte te oordelen dat de hennepkwekerij in een onprofessionele staat verkeerde, zoals door de verdediging was betoogd. Niet valt in te zien hoe deze mededeling, die in het voordeel van verzoekers moet worden gezien, bij hen de vrees voor partijdigheid oproept. Bovendien is de beslissing om geen schouw uit te voeren een rechterlijke beslissing, die geen grond vormt voor het aannemen van (de schijn van) vooringenomenheid. Ook de uitlating van de rechter dat hij de filmpjes – die onderdeel uitmaken van de conclusie van antwoord van de verdediging – niet heeft ontvangen en daar ook geen behoefte aan heeft, duidt niet op (de schijn van) vooringenomenheid. Toen de verdediging, na sluiting van het onderzoek, aangaf veel belang te hechten aan de filmpjes, heeft de rechter bovendien te kennen gegeven deze alsnog te zullen bekijken. Ook de combinatie van beide verwijten – de beslissing om geen schouw uit te voeren nog voordat de filmpjes door de rechter waren bekeken – levert geen (schijn van) vooringenomenheid op en betreft een beslissing die tot het rechterlijk domein behoort.
5.6.
Verder kan uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting noch uit hetgeen verzoekers hebben gesteld worden afgeleid dat de rechter iets heeft gezegd waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid.
5.7.
Het staat de rechter vrij, zeker na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, zijn voorlopig oordeel kenbaar te maken. De rechter wilde pas na verdere bestudering van de stellingen en verweren van partijen tot een eindoordeel komen en heeft om die reden niet direct, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, mondeling uitspraak gedaan. De rechter heeft tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek benadrukt dat nadere bestudering van de ingebrachte standpunten, waaronder de filmpjes, dan wel eventuele afspraken tussen de officier van justitie en de verdediging aanleiding zouden kunnen vormen om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is.
5.8.
Het is aan de rechter of hij gebruik maakt van zijn matigingsbevoegdheid of niet. De rechter heeft verzoeker [verzoeker 2] op enig moment begrensd in hetgeen hij naar voren wenste te brengen over zijn persoonlijke en financiële omstandigheden, maar het aan de rechter om orde van de zitting te bewaken. Het verwijt dat de rechter zou hebben gezegd dat de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker 2] bij de beslissing geen rol zouden spelen, mist feitelijke grondslag.
5.9.
Op grond van het vorenstaande wordt als volgt beslist.

6.Beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Aldus gegeven op 13 maart 2026 en in het openbaar uitgesproken door:
mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter,
mrs. R.A. Dudok van Heel en B.C. Langendoen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,
en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen rechtsmiddel open.