Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:320

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11592566 \ CV EXPL 25-4310
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:228 BWArt. 6:262 BWArt. 6:265 BWArt. 6:269 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding agentuurovereenkomst wegens tekortkoming en informatieplicht NAIM Agency B.V.

Partijen sloten in oktober 2022 een agentuurovereenkomst waarbij NAIM exclusief agent was voor [handelsnaam gedaagde] in de Benelux. NAIM gaf een omzetprognose, maar behaalde deze niet. [handelsnaam gedaagde] verzocht herhaaldelijk om inzicht in de werkzaamheden en rapportages, maar vond de verstrekte informatie onvoldoende en stopte daarom met betalingen vanaf januari 2024.

NAIM vorderde betaling van openstaande facturen, boetes, schadevergoeding en klantenvergoeding. [handelsnaam gedaagde] stelde dat zij de overeenkomst rechtsgeldig had ontbonden wegens tekortkomingen van NAIM, waaronder het niet nakomen van de zorg- en informatieplicht. De kantonrechter oordeelde dat NAIM tekort was geschoten in haar informatieplicht en dat dit een dringende reden vormde voor ontbinding.

De ontbinding had geen terugwerkende kracht, waardoor reeds betaalde facturen niet hoefden te worden terugbetaald. NAIM moest wel het bedrag van €14.536,00 dat zij van BOOZT had ontvangen aan [handelsnaam gedaagde] terugbetalen. De overige vorderingen van NAIM werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat de betalingsverplichtingen waren komen te vervallen door ontbinding.

De kantonrechter veroordeelde NAIM tot betaling van proceskosten aan [handelsnaam gedaagde].

Uitkomst: De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden wegens tekortkoming van NAIM, NAIM moet €14.536,00 aan [handelsnaam gedaagde] betalen, overige vorderingen van NAIM worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11592566 \ CV EXPL 25-4310
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
NAIM AGENCY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: NAIM,
vertegenwoordigd door: [naam 1] ,
tegen
[gedaagde] (handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde] ),
wonende te [woonplaats] , domicilie kiezende te [domicilie] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [handelsnaam gedaagde] ,
gemachtigde: mr. P. Thole.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 februari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,
- het instructievonnis van 10 juni 2025,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling,
- de e-mail van 18 september 2025 waarin de toenmalige gemachtigde van NAIM zich heeft onttrokken,
- de aanvullende producties 48 tot en met 53 van [handelsnaam gedaagde] .
1.2.
Op 29 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens NAIM zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Namens [handelsnaam gedaagde] zijn [gedaagde] en [naam 3] ( [naam functie] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
1.3.
De gemachtigde van [handelsnaam gedaagde] heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn in het dossier gevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. NAIM heeft tijdens de mondelinge behandeling twee producties overgelegd. Deze producties zijn in het dossier gevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die eveneens in het dossier zijn gevoegd. De zaak is vervolgens twee weken aangehouden.
1.4.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling meerdere e-mails verstuurd. Die e-mails zijn in het dossier gevoegd. De kantonrechter heeft bij rolmededeling van 14 oktober 2025 medegedeeld dat de conclusie van antwoord in reconventie met bijbehorende producties, in verband met de omvang daarvan, als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing wordt gelaten. De stukken zijn teruggezonden aan NAIM.
1.5.
Ten slotte is bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
[handelsnaam gedaagde] is een Nederlands modebedrijf dat onder meer badkleding op de markt brengt. NAIM is een Nederlandse onderneming die als agent voor verschillende internationale modemerken werkzaam is.
2.2.
Partijen zijn in het najaar van 2022 in gesprek getreden over een eventuele samenwerking. NAIM heeft destijds – op verzoek van [handelsnaam gedaagde] – een “
realistische estimate” aan te verwachten omzet gegeven van € 579.700,00 in het eerste jaar.
2.3.
Op 4 oktober 2022 hebben partijen een overeenkomst (“
Independent Sales Agent Agreement”) gesloten. Daarin is NAIM benoemd als exclusief agent voor [handelsnaam gedaagde] in de Benelux. In de overeenkomst is afgesproken dat [handelsnaam gedaagde] voor de diensten maandelijks een vast bedrag van € 2.000,00 (“
distribution fee”) en een bedrag van € 500,00 (“
PR fee”) aan NAIM zal betalen. Ook is afgesproken dat [handelsnaam gedaagde] over de door NAIM gerealiseerde verkopen een commissie van 15% aan NAIM zal betalen.
2.4.
De overeenkomst is voor minimaal 12 maanden aangegaan en wordt steeds met 12 maanden verlengd, behoudens opzegging. Partijen mogen de overeenkomst na verloop van 12 maanden beëindigen, met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden.
2.5.
Onderdeel van de overeenkomst zijn de door NAIM gehanteerde algemene voorwaarden (“
General Terms and Conditions of NAIM Agency B.V.”). Daarin is in artikel 4.6 een boetebeding opgenomen van € 10.000,00 per overtreding van de overeenkomst met een aanvullende boete van € 1.000,00 per dag dat de overtreding voortduurt. In artikel 5.2 wordt een contractuele rente overeengekomen van 1% per maand en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 15% met een minimum van € 250,00.
2.6.
[handelsnaam gedaagde] heeft NAIM per e-mail van 11 januari 2023 verzocht om inzicht in het salestraject. In die e-mail staat, onder meer: “
Kunnen jullie ons inzicht geven in: • Welke suspects/prospects zijn er tot nu toe benaderd? • Welke prospects hebben een reactie gegeven? • Met welk prospects heeft er een sales gesprek plaatsgevonden?
2.7.
Bij e-mail van 12 januari 2023 reageert NAIM op het verzoek om inzicht. Daarin staat, voor zover relevant: “
Dit overzicht houden wij bij in Pipedrive en ik ga er naar kijken hoe ik hier het beste een overzicht van kan maken zodat we dat tijdens onze volgende meeting kunnen bespreken. (…) Onze strategie bestaat uit, het opstellen van de longlist bestaande uit swimwear buyers die potentieel interesse kunnen hebben in alle drie de collecties. (…) Deze longlist werken we af van lead, naar prospect naar klant. Dit overzicht en de verschillende stadia houden we bij in de Pepedrive. (…) kunnen altijd bellen en wellicht 1x per maand bij elkaar komen om het overzicht door te nemen?
2.8.
Bij e-mail van 1 mei 2023 verzoekt [handelsnaam gedaagde] NAIM opnieuw om inzicht. In de betreffende e-mail is, onder meer, het volgende opgenomen: “
Op dit moment hebben we voor 18.000 euro aan facturen ontvangen, maar geen goed inzicht in de wat daarvoor nu precies is gedaan. Wat ik een beetje mis is feedback op wat er speelt, wie benaderd, wat verwachten jullie, wie zijn warm voor dit jaar, wie zijn warm voor 2024 etc.
2.9.
Op 7 mei 2023 is door NAIM een “
Sales-report” opgesteld.
2.10.
Partijen zijn overeengekomen dat de te betalen maandelijkse vergoedingen vanaf mei 2023 in totaal € 2.000,00 bedragen en dat de commissie over de gerealiseerde verkopen worden verhoogd naar 17%.
2.11.
[handelsnaam gedaagde] heeft via NAIM een order (onder kostprijs) ontvangen van TJX Europe, waaraan [handelsnaam gedaagde] in september 2023 heeft een bedrag van € 9.650,00 heeft gefactureerd.
2.12.
Bij e-mail van 28 september 2023 heeft [handelsnaam gedaagde] aan NAIM medegedeeld:
“Als we alleen de Iconic en Sportique in de pipeline hebben voor de [ordernummer 1] collectie dan is dat echt te weinig aangezien het bijna oktober is. Dan hebben we als ik het goed begrijp alleen [naam 4] echt bevestigd. (…) Kunnen jullie aangeven wat er in de komende 4 weken aan orders gaat binnenkomen, want we gaan namelijk binnenkort de productie alweer in.” NAIM reageert diezelfde dag per e-mail dat: “
We hebben natuurlijk niet alleen Iconic en Sportique in de totale pipeline, maar een volledige gevulde pipeline van swimwear buyers.
2.13.
NAIM heeft aan [handelsnaam gedaagde] per e-mail van 30 oktober 2023 een “
Marketing Report” verzonden. [handelsnaam gedaagde] reageert daarop per e-mail van 3 november 2023, voor zover relevant, als volgt: “
Wij zijn heel blij met het mooie report, want dit geeft toch wat weer wat meer een beeld over de Marketing & PR werkzaamheden die jullie voor ons verrichten.
2.14.
Op 6 december schrijf [handelsnaam gedaagde] per e-mail aan NAIM: “
Afgelopen weken hebben jullie veel contact gehad met [naam 5] over Boozt en Bestsecret dus dat is mooi. Kunnen jullie mij een update geven van wat hiernaast nog meer loopt?” En op 13 december 2023 schrijft [handelsnaam gedaagde] per e-mail aan NAIM: “
Ik heb in de bijlage even een XLS bijgevoegd met de gemaakte kosten 2022/2023 en daar tegenaf gezet de binnengehaalde omzet. Ook heb ik een rekensom gemaakt en projectie voor een samenwerking doorlopend met kosten en omzet voor de jaren 2024 en 2025. Zouden jullie naar dit bestand willen kijken en even willen nadenken hoe jullie dit zien?
2.15.
NAIM heeft bij e-mail van 20 december 2023 aan [handelsnaam gedaagde] de samenwerkingen met [handelsnaam gedaagde] opgesomd. NAIM heeft in die e-mail de prognose van de omzet voor het tweede jaar bijgesteld tot een bedrag van € 495.000,00.
2.16.
Op 21 december 2023 heeft tussen partijen een telefoongesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan zijn partijen in overleg getreden over de voorwaarden voor voortzetting van de overeenkomst.
2.17.
[handelsnaam gedaagde] heeft de facturen vanaf januari 2024 onbetaald gelaten.
2.18.
Partijen hebben in januari 2024 gecorrespondeerd over (de voorwaarden voor) voortzetting van de overeenkomst. NAIM heeft [handelsnaam gedaagde] daarbij een korting aangeboden op de maandelijkse vergoeding, tegen een verhoging van het commissiepercentage.
2.19.
Bij e-mail van 21 februari 2024 heeft [handelsnaam gedaagde] aan NAIM het volgende geschreven: “
Ik had telefonisch al aangegeven dat ik niet achter de factuur sta van Januari, dit omdat we al vanaf december in overleg waren over nieuwe afspraken voor het jaar 2024. Helaas zijn wij er tot op heden niet uitgekomen (…). We hebben in December in een gesprek aangegeven dat de hetgeen in de afgelopen jaren opgeleverd is door NAIM heel ver ligt van wat de verwachting was en dat we naar een andere samenwerking moeten gaan. Om nogmaals duidelijk te maken wat ons in het initiële voorstel is aangeboden en waarover we teleurgesteld zijn: Sales estimation 579.700 euro en om dit te behalen werd ongeveer 1 jaar (16 oktober 2022 - 16 oktober 2023) geschat. Binnen dit jaar hebben we 1 factuur kunnen sturen van 9.500 euro wat overeenkomt met 1,6% van het voorstel. Aan facturen ontvangen 26.353 eur (16 oktober 2022 - 16 oktober 2023). Wij kunnen niet uit de voeten met een voorstel waarbij het risico wederom bij ons komt te liggen en als de samenwerking voortgezet wordt dit risico ook bij Naim moet liggen.
2.20.
In een e-mail van 23 februari 2024 schreef [handelsnaam gedaagde] aan NAIM: “
Voor het jaar 2024 zijn wij er helaas niet uitgekomen en zal de samenwerking niet doorgaan. Graag horen wij wanneer we onze spullen uit de showroom kunnen ophalen.
2.21.
[handelsnaam gedaagde] vraagt NAIM bij e-mails van 7 maart 2024 en 11 maart 2024 opnieuw om inzicht in de verrichte werkzaamheden. In de e-mail van 7 maart 2024 is onder meer het volgende opgenomen: “
Hierbij nog even voor de duidelijkheid de bevestiging dat we de betalingen opschorten. Dat er geen garanties of resultaatsverplichting in het contract staat betekent niet dat er geen inspanningsverplichtingen zijn. Zoals vorige jaar ook al is aangegeven willen we meer info en willen we weten wat er precies gebeurd is aan werkzaamheden om de geprognotiseerde omzetten te behalen. (…) Wij zullen de betalingen opschorten totdat we inzicht krijgen in een gedetailleerd maandrapport van bovenstaande werkzaamheden die verricht zijn vanaf oktober 2022 tot heden. Ook tijdens de verdere verloop van het contract behouden we ons het recht voor om de betalingen op te schorten als er wederom niet wordt voldaan aan de informatievoorziening om te kunnen bepalen of er aan de inspanningsverplichting is voldaan. Daarnaast is er inmiddels als meerdere weken geen normaal contact mogelijk met NAIM wat een samenwerking überhaupt onmogelijk maakt en zijn we voornemens om het contract op te zeggen.
2.22.
In een e-mail van 13 maart 2024 schrijft NAIM aan [handelsnaam gedaagde] : “
We hebben jullie verschillende herinneringen gestuurd en jullie gesommeerd tot nakoming, echter is betaling nu al drie maanden uitgebleven. (…) en nu wil je de uitstaande factuur niet voldoen, omdat je nog meer informatie wenst dan de informatie die we al de afgelopen maanden al met je hebben gedeeld. Het is prima om meer informatie met je te delen, maar dan wel in de juiste volgorde. Eerst betalen komen jullie je betalingsverplichting na en dan gaan wij weer aan het werk om meer inzicht te verschaffen.
2.23.
Op 14 maart 2024 laat [handelsnaam gedaagde] per e-mail aan NAIM weten dat zij de samenwerking voorlopig onder de huidige voorwaarden wil voortzetten. [handelsnaam gedaagde] merkt daarbij op dat de voortzetting niet inhoudt dat NAIM facturen kan versturen zonder daarover verantwoording af te leggen. NAIM reageert daarop op 15 maart 2024 per e-mail dat zij de gevraagde informatie zullen delen nadat [handelsnaam gedaagde] de facturen heeft betaald.
2.24.
[handelsnaam gedaagde] heeft via NAIM een order ontvangen van BOOZT. NAIM heeft van BOOZT een bedrag van € 14.536,00 ontvangen. [handelsnaam gedaagde] heeft daarover een commissie van € 1.444,14 betaald. NAIM heeft het bedrag dat zij van BOOZT heeft ontvangen niet aan [handelsnaam gedaagde] doorbetaald.
2.25.
Daarnaast dient maandelijks een bedrag van € 242,40 aan BOOZT voldaan te worden voor het gebruik van een BDI-tool. [handelsnaam gedaagde] heeft aan NAIM een bedrag van
€ 1.623,92 en aan BOOZT een bedrag van € 3.200,61 betaald voor het gebruik van de BDI-tool van BOOZT.
2.26.
In het kader van onderhandelingen ter beëindiging van de overeenkomst hebben partijen in oktober 2022 met elkaar gecorrespondeerd. Op 2 oktober 2024 heeft NAIM het volgende aan [handelsnaam gedaagde] geschreven: “
- lopende overeenkomst Boozt en achterstallige facturen, wat stel je daarin voor? - lopende overeenkomst NAIM en achterstallige facturen, wat stel je daarin voor? (…) Wij vinden het onder bepaalde voorwaarden geen probleem als jullie zelfstandig met Boozt verder zaken willen doen, maar dan zullen we wel een regeling moeten treffen.” [handelsnaam gedaagde] reageerde daar diezelfde dag bij e-mail op dat: “
De 12K van Boozt mogen jullie houden daarvan moeten wel de open facturen naar Boozt van worden betaald.
2.27.
Bij e-mail van 3 oktober 2024 schreef NAIM aan [handelsnaam gedaagde] : “
• Afgelopen seizoen hebben jullie geen collectie aangeleverd, maar zijn jullie wel rechtstreeks in contact gegaan met [naam 4] . (…) • Boozt wilde voorraad inkopen waar we jullie van op de hoogte hebben gebracht, maar is die order niet doorgegaan? Daar lopen we commissie op mis.” [handelsnaam gedaagde] reageerde daar bij e-mail diezelfde dag op dat: “
[naam 4] heeft ons direct gecontact. We wachten nog op de order. Zoals eerder aangegeven is onze intentie niet om leads of prospects van jullie af te nemen. (…) Boozt is een lead van jullie ons doel is om op een goede manier uit elkaar te gaan en af te ronden zodat beide partijen verder kunnen.
2.28.
Bij e-mail van 8 oktober 2024 schreef [handelsnaam gedaagde] aan NAIM: “
Wij hebben al meerdere malen en al een langere tijd aangegeven niet verder te willen met de samenwerking met NAIM. (…) Als we toch de samenwerking voort zetten willen we ook waar voor ons geld. Wij betalen de openstaande facturen deze week en gaan de komende 6 maanden de samenwerking voortzetten. Om de doelen te behalen zullen we wel echt veel korter op de bal moeten zitten (…). Met het openstaande erbij komen we op 27.000 euro die we betaald hebben dit jaar. Wij zijn erg benieuwd (…) welke werkzaamheden daarvoor zijn uitgevoerd. Graag vragen wij nogmaals het dringende verzoek om de werkzaamheden te delen met ons.
2.29.
En op 10 oktober 2024 schreef [handelsnaam gedaagde] per e-mail aan NAIM: “
Ik wil graag een overzicht van de onderstaande werkzaamheden en wat de inspanning vanuit jullie is geweest op deze onderdelen incl. de behaalde resultaten. (…) De openstaande betalingen zullen wij voldoen als het overzicht van de afgelopen periode uiterlijk morgen (11 oktober 17u) bij ons binnen is.
2.30.
De overeenkomst is door [handelsnaam gedaagde] bij aangetekende brief van 11 oktober 2024 opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden. De brief is op 12 oktober 2024 door NAIM ontvangen.
2.31.
NAIM heeft [handelsnaam gedaagde] per brief van 1 november 2024 in gebreke gesteld. [handelsnaam gedaagde] heeft daarop dezelfde dag per e-mail gereageerd dat zij de betalingen zal hervatten als de gevraagde transparantie wordt geboden.
2.32.
Bij brief van 6 februari 2025 heeft de gemachtigde van [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
NAIM vordert, samengevat, dat [handelsnaam gedaagde] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld tot betaling van:
i. € 26.710,21 aan openstaande facturen, vermeerderd met de contractuele rente van 1% per maand of de wettelijke rente, vanaf de vervaldata van de facturen, en een verklaring voor recht tot betaling van toekomstige facturen tot einddatum contract,
ii. € 60.000,00 aan contractuele boetes, vermeerderd met de contractuele rente of de wettelijke rente, vanaf datum dagvaarding,
iii. € 32.850,65 aan klantenvergoeding, vermeerderd met de contractuele of de wettelijke rente, vanaf datum dagvaarding,
iv. € 11.126,62 aan misgelopen provisie, vermeerderd met de contractuele of de wettelijke rente, vanaf datum dagvaarding,
v. € 19.603,12 aan buitengerechtelijke incassokosten,
vi. de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
NAIM legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [handelsnaam gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. [handelsnaam gedaagde] heeft de openstaande facturen onbetaald gelaten, communiceerde niet open, heeft rechtstreeks contact gezocht met relaties van NAIM, heeft orders niet opgevolgd, geen rapportages verstuurd en de collectie [ordernummer 2] niet aangeleverd. [handelsnaam gedaagde] moet de openstaande facturen nog betalen en de toekomstige facturen tot einddatum contract (ten vroegste 1 mei 2025) en moet ook de contractuele boete betalen. Omdat [handelsnaam gedaagde] na het einde van de overeenkomst voordeel ondervindt van de klanten die NAIM heeft aangeleverd, moet zij een klantenvergoeding betalen. Daarnaast heeft [handelsnaam gedaagde] orders niet opgevolgd en moet zij de schade van NAIM, bestaande uit de misgelopen provisie, betalen.
3.3.
[handelsnaam gedaagde] voert verweer. [handelsnaam gedaagde] voert aan dat zij de betalingen heeft opgeschort omdat NAIM niet heeft voldaan aan haar verplichtingen om inlichtingen te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen. Verder heeft [handelsnaam gedaagde] gedwaald. Omdat NAIM is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst mocht [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst ontbinden, waardoor de betalingsverplichtingen zijn vervallen. Daarnaast hebben de relaties van NAIM zelf contact opgenomen met [handelsnaam gedaagde] en heeft NAIM het aanleveren van de collectie gedwarsboomd. Ook ziet de boetebepaling niet op elke mogelijke overtreding van de overeenkomst en staan de boetes niet in verhouding tot de vermeende overtredingen. Tot slot heeft [handelsnaam gedaagde] geen (aanzienlijk) voordeel genoten van de werkzaamheden van NAIM, waardoor zij geen vergoeding verschuldigd is.
In reconventie
3.4.
[handelsnaam gedaagde] vordert, samengevat, dat NAIM, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld tot betaling van:
i. € 58.048,16, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2025,
ii. de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.5.
[handelsnaam gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat de overeenkomst is ontbonden en dat [handelsnaam gedaagde] heeft gedwaald, zodat de al betaalde facturen met een totaal bedrag van
€ 31.753,72 terugbetaald moeten worden en onbetaald gelaten facturen niet betaald hoeven te worden. NAIM heeft de order van BOOZT van € 14.536,00 niet doorgestort, moet de daarover door [handelsnaam gedaagde] betaalde commissie van € 1.444,14 terugbetalen en moet de kosten van de BDI-tool van in totaal € 4.824,53 aan [handelsnaam gedaagde] vergoeden. Tot slot houdt NAIM een collectie van [handelsnaam gedaagde] ter waarde van € 5.489,77 onder zich.
3.6.
NAIM voert verweer. NAIM voert aan dat zij daadwerkelijk een tegenprestatie heeft geleverd en heeft gepoogd om verkooporders binnen te halen. NAIM heeft in januari 2024 een overzicht verstrekt van alle werkzaamheden, maar [handelsnaam gedaagde] heeft desondanks niet betaald en verkeerde daarom in schuldeisersverzuim. [handelsnaam gedaagde] kon dus niet opschorten. Aan de omzetprognose kunnen geen rechten ontleend worden en de houding van [handelsnaam gedaagde] omtrent de voortzetting van de overeenkomst geeft geen blijkt van dwaling.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.
Bevoegdheid
4.2.
In artikel 11.1 van de overeenkomst en 9.1 van de algemene voorwaarden is een exclusieve forumkeuze gemaakt – zoals bedoeld in artikel 108 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – voor de bevoegde rechter in Amsterdam. Op grond van artikel 93 sub c Rv Pro is de kantonrechter bevoegd, omdat sprake is van een agentuurovereenkomst.
Duur van de overeenkomst
4.3.
De kantonrechter zal er van uitgaan dat de overeenkomst in elk geval niet langer doorloopt dan 1 mei 2025. Het staat immers vast staat dat de overeenkomst op 11 oktober 2024 door [handelsnaam gedaagde] is opgezegd. Rekening houdend met de opzegtermijn van zes maanden is de overeenkomst daarom – anders dan [handelsnaam gedaagde] stelt – in elk geval op 1 mei 2025 geëindigd. Uit artikel 7:437 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt namelijk dat opzegging behoort plaats te vinden tegen het einde van de kalendermaand. Of de overeenkomst door buitengerechtelijke ontbinding eerder geëindigd is of wegens dwaling na vernietiging geacht wordt nooit te hebben bestaan, wordt hierna besproken.
Dwaling
4.4.
Het meest verstrekkende verweer van [handelsnaam gedaagde] is dat zij gedwaald heeft. Artikel 6:228 BW Pro bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij of indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten de dwalende had behoren in te lichten.
4.5.
[handelsnaam gedaagde] stelt dat zij op basis van de door NAIM (als realistisch) geschetste omzetverwachting heeft besloten om te contracteren, terwijl zij niet met NAIM in zee zou zijn gegaan als zij had geweten dat de beloofde omzet niet waargemaakt zou worden. Daarom kan de overeenkomst – voor het geval wordt geoordeeld dat deze niet is ontbonden – worden vernietigd, zo stelt [handelsnaam gedaagde] . Een en ander is door NAIM gemotiveerd weersproken. Volgens NAIM is de omzetprognose onder voorbehoud gegeven en kan [handelsnaam gedaagde] daaraan geen rechten ontlenen.
4.6.
Hoewel door NAIM geen garanties zijn afgegeven voor een bepaalde omzet, heeft NAIM gesteld dat de gegeven omzetprognoses realistisch waren. [handelsnaam gedaagde] mocht er dan ook op vertrouwen dat de samenwerking met NAIM een hogere omzet zou opleveren dan in werkelijkheid is gegenereerd. [handelsnaam gedaagde] heeft echter ondanks de tegenvallende omzetcijfers (zie hierboven onder 2.19), aanvankelijk aangegeven de overeenkomst voort te willen zetten waardoor niet voldoende aannemelijk is dat [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst niet zou hebben gesloten als zij had geweten dat de voorgehouden te verwachten omzet in het eerste jaar niet zou worden behaald. Dat [handelsnaam gedaagde] bij het sluiten van de overeenkomst heeft gedwaald, kan dan ook niet worden vastgesteld. De overeenkomst wordt dus niet vernietigd.
Ontbinding
4.7.
[handelsnaam gedaagde] stelt verder dat de overeenkomst op 6 februari 2025 buitengerechtelijk is ontbonden. In artikel 7:440 lid 1 BW Pro is dwingendrechtelijk bepaald dat in het geval van een dringende reden of van een verandering die van dien aard is dat de billijkheid meebrengt dat de overeenkomst dadelijk of na korte tijd eindigt, de rechter verzocht kan worden om de agentuurovereenkomst te ontbinden. Naast de ontbindingsregeling van artikel 7:440 BW Pro is ook de algemene regeling voor ontbinding zoals neergelegd in artikel 6:265 BW Pro op de agentuurovereenkomst van toepassing. Op grond van artikel 6:265 BW Pro geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Dat betekent dat partijen de overeenkomst in beginsel ook zonder een verzoek aan de rechter kunnen ontbinden.
4.8.
Voor de toepassing van de gewone ontbindingsregeling van artikel 6:265 BW Pro gelden, vanuit het oogpunt van bescherming van de agent, echter wel dezelfde eisen als voor ontbinding op grond van artikel 7:440 BW Pro. Niet iedere tekortkoming geeft een partij dus de bevoegdheid de agentuurovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden. Zouden de eisen van artikel 7:440 BW Pro niet in acht genomen worden, dan zou een beroep op artikel 6:265 BW Pro namelijk afbreuk kunnen doen aan de bijzondere bescherming die de wetgever met de agentuurregeling heeft willen bieden. [1]
4.9.
De kantonrechter dient dus te beoordelen of NAIM tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen zodat [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro kon ontbinden én of het beroep op ontbinding de toets van artikel 7:440 BW Pro kan doorstaan in de zin dat sprake is van a) omstandigheden die een dringende reden opleveren in de zin van artikel 7:439 lid 2 BW Pro of b) verandering in de omstandigheden die van dien aard is dat de billijkheid eist dat aan de overeenkomst dadelijk of na korte tijd een einde wordt gemaakt.
Zorg- en informatieplicht
4.10.
[handelsnaam gedaagde] stelt dat zij de overeenkomst kon ontbinden omdat NAIM tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst doordat zij geen inzicht heeft verschaft in de verrichte werkzaamheden, terwijl zij daartoe op grond van de zorg- en informatieplicht (van artikel 7:401 en Pro 7:403 BW) wel toe verplicht was. NAIM betwist dat zij niet aan haar verplichtingen heeft voldaan.
4.11.
Uit de artikelen 7:401 en 7:403 BW volgt dat NAIM (als opdrachtnemer) aan [handelsnaam gedaagde] (als opdrachtgever) informatie moest verschaffen over de uitvoering en voltooiing van de opdracht. Ook had NAIM het hoe en waarom van haar handelen aan moeten geven en (financiële) rekenschap af moeten leggen. Die verplichting acht de kantonrechter gezien de aard van de opdracht redelijk. NAIM had [handelsnaam gedaagde] dus tussentijds moeten informeren en had verantwoording af moeten leggen over de door haar gemaakte keuzes. Dat in de overeenkomst geen omschrijving is opgenomen op welke manier NAIM haar marketing- en pr-werkzaamheden dient te verrichten en partijen nergens targets hebben gesteld, zoals NAIM stelt, maakt dat niet anders. Uit artikel 7:445 lid 1 BW Pro volgt namelijk dat partijen bij een agentuurovereenkomst niet van de zorg- en informatieplicht kunnen afwijken (dwingend recht).
4.12.
Volgens [handelsnaam gedaagde] heeft NAIM haar verzoeken tot inzicht steeds genegeerd of legde NAIM rapporten over met een zeer algemene en aantoonbaar onjuiste inhoud. Zo staan in de rapporten partijen (Breuninger, Bijenkorf en Printemps) genoemd die al relaties van [handelsnaam gedaagde] waren, die rechtstreeks met [handelsnaam gedaagde] zaken doen en die desgevraagd hebben bevestigd dat er geen contact met NAIM is geweest, aldus [handelsnaam gedaagde] . Naar het oordeel van de kantonrechter bevatten de door NAIM overgelegde rapporten slechts generieke voornemens en doelstellingen. Zo bevatte het sales report in mei 2023 dezelfde – volstrekt onrealistisch gebleken – jaarprognose als de ruim een half jaar eerder door NAIM in de offerte gegeven prognose. Daarnaast heeft NAIM onvoldoende betwist dat – zoals door [handelsnaam gedaagde] gemotiveerd en onderbouwd met stukken is aangevoerd – in de rapporten ondernemingen genoemd worden waarmee NAIM geen contact heeft gehad. [handelsnaam gedaagde] heeft NAIM meerdere malen gesommeerd om inlichtingen te verschaffen en heeft NAIM daartoe voldoende gelegenheid geboden. Daarnaast is het voor NAIM niet mogelijk om de wanprestatie over de achterliggende periode te herstellen, zodat NAIM in verzuim is geraakt. Dat NAIM in deze procedure (bij antwoord in reconventie) honderden pagina’s e-mailcorrespondentie wilde overleggen ter onderbouwing van de door haar verrichte werkzaamheden, maakt dat niet anders. Dat had immers al veel eerder – namelijk na verzoeken van [handelsnaam gedaagde] en vóór deze procedure – van NAIM verwacht mogen worden, nog los van de vraag of het overleggen van deze e-mailcorrespondentie voldoende zou zijn geweest om inzicht aan [handelsnaam gedaagde] te verschaffen. Daarbij komt dat [handelsnaam gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat op de website van NAIM staat dat elk kwartaal een sales overview wordt verstrekt en over de voortgang wordt gerapporteerd, hetgeen nooit gebeurd is. In dit kader voert [handelsnaam gedaagde] – onderbouwd met stukken – aan dat pas in november 2024 door [handelsnaam gedaagde] rapportages zijn ontvangen gedateerd december 2022, april 2023, augustus 2023 en januari 2024, waarvan uit de metadata blijkt dat deze documenten allemaal op 19 november 2024 zijn aangemaakt. De conclusie is dan ook dat NAIM tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en die tekortkoming rechtvaardigt ontbinding, zodat [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW Pro buitengerechtelijk zou kunnen ontbinden.
Dringende reden of veranderde omstandigheden
4.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan het beroep op ontbinding ook de toets van artikel 7:440 BW Pro doorstaan. NAIM heeft immers niet betwist dat zij de volledige inkomsten van BOOZT onder zich heeft gehouden en die handelwijze is gelijk te stellen met de voorbeelden van een dringende reden die in de wetsgeschiedenis worden genoemd (namelijk onder meer dat de agent steekpenningen aanneemt of inbreuk maakt op bepalingen van het contract die de agent verbieden om voor eigen rekening zaken te doen dan wel op te treden als vertegenwoordiger van concurrerende ondernemingen). [handelsnaam gedaagde] heeft – anders dan NAIM beweert – door toe te zeggen dat NAIM het bedrag mocht houden (zoals weergeven onder 2.26.) geen afstand gedaan van haar aanspraak op betaling van het bedrag. De toezegging is namelijk gedaan in het kader van onderhandelingen tussen partijen over een eventuele beëindiging van de overeenkomst en partijen hebben daarover uiteindelijk geen overeenstemming bereikt. Verder wordt meegewogen de omstandigheid dat, terwijl NAIM voor het eerste jaar (de periode 16 oktober 2022 tot 16 oktober 2023) een ‘realistische’ omzetprognose van € 579.700,00 en voor het tweede jaar een ‘bijgestelde’ omzetprognose van € 495.000,00 had afgegeven en door [handelsnaam gedaagde] al meer dan € 30.000,00 aan fees betaald waren (en nog meer door NAIM aan fees gefactureerd was), op 6 februari 2025 de samenwerking slechts drie orders had opgeleverd met een gezamenlijke waarde van ongeveer € 25.000,00, waarvan één order onder de kostprijs en één order waarvan de opbrengst door NAIM was achtergehouden.
Geen schuldeisersverzuim
4.14.
Dat [handelsnaam gedaagde] de facturen vanaf januari 2024 niet betaalde, doet niets af aan die ontbindingsbevoegdheid. [handelsnaam gedaagde] heeft immers voldoende duidelijk gemaakt dat zij niet betaalde omdat zij nakoming (inzicht in NAIM’s werkzaamheden) verlangde en dat zij weer over zou gaan tot betaling als dat inzicht verschaft zouden worden. NAIM had daaruit kunnen begrijpen dat [handelsnaam gedaagde] haar betalingsverplichtingen heeft opgeschort. En die opschorting is in lijn met de daaraan in artikel 6:262 BW Pro gestelde eisen. NAIM beroept zich erop dat [handelsnaam gedaagde] haar betalingsverplichtingen eerst had moeten nakomen, maar voor een dergelijk beroep moet NAIM aantonen dat zij haar verplichting om de opdrachtgever te informeren is nagekomen en dat heeft zij onvoldoende gedaan. De omstandigheid dat [handelsnaam gedaagde] in eerste instantie heeft aangegeven de overeenkomst voort te willen zetten verandert dat niet, aangezien [handelsnaam gedaagde] aan de voortzetting de voorwaarde heeft verbonden dat NAIM haar verplichtingen zou nakomen en het is niet gebleken dat NAIM haar verplichtingen vóór het inroepen van de ontbinding is nagekomen. Van schuldeisersverzuim aan de zijde van [handelsnaam gedaagde] is dan ook geen sprake.
Maandelijkse vergoedingen en provisie
4.15.
[handelsnaam gedaagde] mocht de overeenkomst dus buitengerechtelijk ontbinden en heeft dat bij brief van 6 februari 2025 gedaan. Uit artikel 6:271 BW Pro volgt dat een ontbinding partijen bevrijdt van de getroffen verbintenissen. Dat betekent dat na de ontbinding geen nakoming meer gevorderd kan worden, ook niet van verbintenissen die al vóór de ontbinding nagekomen moesten worden. [2] Door de ontbinding vervalt dus de betalingsverplichting van de niet-betaalde facturen en ook de informatieplicht hoeft vanaf dat moment niet meer nagekomen te worden.
4.16.
[handelsnaam gedaagde] stelt dat de ontbinding verder tot gevolg heeft dat de reeds betaalde facturen terugbetaald moeten worden. De kantonrechter volgt [handelsnaam gedaagde] daar echter niet in. Ontbinding heeft op grond van artikel 6:269 BW Pro namelijk geen terugwerkende kracht en artikel 6:271 BW Pro bepaalt in dat verband dat prestaties die vóór de ontbinding verricht zijn hun rechtsgrond behouden, waardoor die prestaties niet op grond van onverschuldigde betaling kunnen worden teruggevorderd. Er ontstaat wel een ongedaanmakingsverplichting van de ontvangen prestaties, maar de aard van de door NAIM geleverde prestaties verzet zich ertegen dat die prestaties ongedaan gemaakt worden. De door [handelsnaam gedaagde] verrichte betalingen moeten daarom als vergoeding voor de door NAIM verrichte prestaties (zoals bedoeld in artikel 6:272 lid 1 en Pro 2 BW) worden beschouwd. Omdat NAIM wel een aantal orders voor [handelsnaam gedaagde] heeft bewerkstelligd, [handelsnaam gedaagde] op 30 oktober 2023 nog tevredenheid uitsprak over een door NAIM verstrekt marketing report (zie hierboven onder 2.13) en omdat onvoldoende duidelijk is wat de economische waarde is van de door NAIM voor de maandelijkse vergoeding verrichte prestaties (marketing), ziet de kantonrechter aanleiding om de vergoeding voor de in de volledige periode tot aan de ontbinding verrichte werkzaamheden (van oktober 2022 tot datum ontbinding) gelijk te stellen aan de door [handelsnaam gedaagde] daarvoor reeds betaalde vergoedingen. Daarnaast is hiervoor geoordeeld dat geen sprake is van dwaling, zodat de rechtsgrond voor betaling ook niet op grond daarvan is vervallen. De vordering van [handelsnaam gedaagde] dat NAIM de reeds betaalde maandelijkse facturen terug moet betalen wordt daarom afgewezen.
4.17.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van NAIM tot betaling van de maandelijkse vergoeding van € 2.420,00 over de maanden januari 2024 tot en met maart 2025 wordt afgewezen, evenals de gevraagde verklaring voor recht tot betaling van latere facturen tot aan einddatum contract.
Provisie/ schadevergoeding
4.18.
NAIM stelt dat [handelsnaam gedaagde] , ondanks dat zij daar meermaals op is gewezen, meerdere orders niet heeft opgevolgd waardoor NAIM de commissie is misgelopen die daarover voldaan had moeten worden. [handelsnaam gedaagde] betwist dat. NAIM noemt in de dagvaarding drie orders namelijk i) een BOOZT re-order [ordernummer 1] van € 4.598,00, ii) een BOOZT order [ordernummer 2] van
€ 60.000,00 en iii) een [naam 4] order [ordernummer 2] van € 2.534,44, maar heeft niet met stukken onderbouwd dat die orders daadwerkelijk geplaatst zijn. Daarnaast heeft NAIM niet gesteld welk handelen (of nalaten) van [handelsnaam gedaagde] ertoe heeft geleid dat de orders niet zijn opgevolgd. Daarom wordt ook de door NAIM gevorderde schadevergoeding afgewezen.
Klantenvergoeding
4.19.
Artikel 7:442 BW Pro bepaalt dat de handelsagent – in dit geval NAIM – bij het einde van de agentuurovereenkomst recht heeft op een klantenvergoeding als hij de principaal – in dit geval [handelsnaam gedaagde] – nieuwe klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met de bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid én de overeenkomsten met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren. Tussen partijen is niet in geschil dat NAIM een nieuwe klant heeft aangebracht, namelijk BOOZT, en dat [handelsnaam gedaagde] ook na het eindigen van de overeenkomst met NAIM nog met die klant samenwerkt.
4.20.
Volgens [handelsnaam gedaagde] is een klantenvergoeding niet verschuldigd als de overeenkomst tussentijds ontbonden is en is bovendien geen sprake van aanzienlijk voordeel. Of dat zo is kan in dit geval in het midden blijven. Uit artikel 7:442 lid 4 onder Pro a BW volgt namelijk dat de vergoeding niet verschuldigd is als de overeenkomst is beëindigd door de principaal onder omstandigheden die de handelsagent ingevolge artikel 7:439 lid 3 BW Pro schadeplichtig maken. Oftewel als [handelsnaam gedaagde] de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een dringende reden die gegrond is op omstandigheden waarvoor de NAIM een verwijt treft, is [handelsnaam gedaagde] geen klantenvergoeding verschuldigd. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter het geval. Onder 4.21. is immers overwogen dat de omstandigheden die [handelsnaam gedaagde] aan de ontbinding ten grondslag heeft gelegd als een dringende reden moeten worden beschouwd en de niet-nakoming (achterhouden bedragen) kan NAIM verweten worden. NAIM heeft dan ook geen recht op een klantenvergoeding, zodat ook die vordering wordt afgewezen.
Boetes
4.22.
NAIM stelt verder dat [handelsnaam gedaagde] meerdere verplichtingen uit de overeenkomst heeft geschonden en daarom boetes verschuldigd is. Zo heeft er volgens NAIM geen klantopvolging plaatsgevonden, heeft [handelsnaam gedaagde] niet aan haar betalingsverplichtingen voldaan, zou [handelsnaam gedaagde] niet hebben voldaan aan open en regelmatige communicatie, heeft [handelsnaam gedaagde] rechtstreeks contact gezocht met relaties van NAIM, heeft [handelsnaam gedaagde] de collectie van [ordernummer 2] niet aangeleverd, heeft NAIM geen commissierapportages ontvangen en wenst [handelsnaam gedaagde] continu eenzijdig de overeenkomst te wijzigen.
4.23.
Met betrekking tot het niet betalen van de facturen is hiervoor geoordeeld dat [handelsnaam gedaagde] de betalingen rechtsgeldig heeft opgeschort, zodat zij daarvoor geen boete kan hebben verbeurd. De overige gestelde overtredingen zijn door [handelsnaam gedaagde] gemotiveerd betwist en door NAIM niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat NAIM ter zitting heeft verklaard dat zij BOOZT zelf heeft benaderd met het verzoek om contact op te nemen met [handelsnaam gedaagde] , waarna zij [handelsnaam gedaagde] heeft ‘betrapt’ op het contact met BOOZT. Het opleggen van een boete zou dan ook niet billijk zijn.
4.24.
Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat toepassing van het in artikel 4 van Pro de algemene voorwaarden genoemde boetebeding, gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boetes, mede gelet op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van de contractuele bedingen en de omstandigheden waaronder deze zijn ingeroepen, zou leiden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. De gevorderde boetes worden dan ook afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.25.
Omdat de betaling van de door NAIM gevorderde bedragen worden afgewezen worden ook de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
BOOZT
4.26.
NAIM heeft niet betwist dat zij het bij BOOZT geïnde bedrag van € 14.536,00 niet aan [handelsnaam gedaagde] heeft doorbetaald. Daarom wordt de vordering van [handelsnaam gedaagde] tot betaling van dat bedrag toegewezen. De wettelijke rente wordt, zoals gevorderd, toegewezen vanaf 17 februari 2025 omdat NAIM vanaf dat moment in verzuim was.
4.27.
[handelsnaam gedaagde] heeft echter onvoldoende gesteld op grond waarvan zij de over de BOOZT-order verschuldigde commissie kan terugvorderen van NAIM. Ook heeft [handelsnaam gedaagde] onvoldoende gesteld dat NAIM gehouden was om de kosten voor de BDI-tool van BOOZT te dragen. Volgens NAIM zouden die kosten immers voor rekening voor [handelsnaam gedaagde] komen en dat heeft [handelsnaam gedaagde] niet gemotiveerd betwist. Bovendien heeft [handelsnaam gedaagde] gesteld dat, nadat NAIM niet meer communiceerde omdat de betaling van haar facturen door [handelsnaam gedaagde] was opgeschort, [handelsnaam gedaagde] rechtstreeks met BOOZT over orders communiceerde, voor welk doel – zo begrijpt de kantonrechter – de BDI-tool diende. Tot slot heeft [handelsnaam gedaagde] de door haar gestelde schade, ten aanzien van de collectie die NAIM volgens [handelsnaam gedaagde] onder zich houdt, niet onderbouwd. Die vorderingen worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.28.
NAIM is in conventie en in reconventie (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam gedaagde] worden in conventie begroot op € 1.967,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (2 punten x € 950,00) en de nakosten (€ 67,50). In reconventie worden de proceskosten van [handelsnaam gedaagde] begroot op € 406,00 bestaande uit het salaris van de gemachtigde (1x € 406,00).

5.De beslissing

De kantonrechter
In conventie
5.1.
wijst de vorderingen van NAIM af,
5.2.
veroordeelt NAIM in de proceskosten, aan de zijde van [handelsnaam gedaagde] begroot op € 1.967,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
In reconventie
5.3.
veroordeelt NAIM om aan [handelsnaam gedaagde] te betalen € 14.536,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 17 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt NAIM in de proceskosten, aan de zijde van [handelsnaam gedaagde] begroot op € 406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie en in reconventie
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 13 januari 2026.
64183

Voetnoten

1.Zie ook Hof Den Bosch 22 september 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:3687 en Hof Den Bosch 13 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1923.
2.Hoge Raad 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307 (