ECLI:NL:RBAMS:2026:3208
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering subrogatie verzekeraar na vaststellingsovereenkomst motorschade
VGH, verzekeraar van dealer Fricke, vorderde betaling van DAF voor motorschade aan een truck, stellende dat zij door subrogatie in de rechten van Fricke was getreden. De schade ontstond na reparaties aan de motor, waarbij DAF een vergoeding aan de klant had betaald en dit bedrag bij Fricke in rekening bracht.
DAF voerde verweer dat VGH niet procesbevoegd was en dat er geen bestaande vordering meer bestond omdat Fricke en DAF een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarbij DAF een vervangende motor leverde. De rechtbank oordeelde dat VGH voldoende kenbaar had gemaakt wie zij was en daarmee procesbevoegd was.
De rechtbank stelde vast dat de vaststellingsovereenkomst tussen Fricke en DAF het geschil definitief had geregeld, waardoor de vordering van Fricke op DAF was komen te vervallen. Omdat op het moment van uitkering door VGH geen bestaande vordering meer bestond, kon subrogatie niet plaatsvinden. De vordering van VGH werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de verzekeraar VGH wordt afgewezen omdat na een vaststellingsovereenkomst tussen Fricke en DAF geen bestaande vordering meer bestond voor subrogatie.