Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3226

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
26/759 en 26/1195
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:86 AwbArt. 3.21 MarktverordeningArt. 1.1 Marktverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking marktvergunning wegens vermeende verpachting onterecht verklaard

Eiser heeft sinds 1 augustus 2024 een marktvergunning voor een marktplaats in Amsterdam. Op 25 maart 2025 nam de politie handelswaar in beslag vanwege verdenking van namaakartikelen. Eiser verklaarde aanvankelijk dat hij de kraam aan een ander had weggegeven en dat de handel die dag niet van hem was, later gaf hij aan dat een deel van de handel voor eigen rekening was en een ander deel voor rekening van een derde. Verweerder trok op 25 juni 2025 de marktvergunning in wegens vermeende verpachting, een besluit dat na bezwaar op 29 januari 2026 werd gehandhaafd.

Eiser stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om verpachting aannemelijk te maken. De bewijslast lag bij verweerder, die deze niet kon dragen. De wisselende verklaringen van eiser werden niet als voldoende bewijs gezien, en de administratie van eiser, hoewel rommelig, bood geen sluitend bewijs van verpachting.

De voorzieningenrechter vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit tot intrekking van de marktvergunning. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan op 1 april 2026 door voorzieningenrechter L. Dolfing.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking van de marktvergunning wegens onvoldoende bewijs van verpachting en wijst het beroep van eiser toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/759 (beroep) en AMS 26/1195 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Keurentjes).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het intrekken van eisers marktvergunning vanwege verpachting. Eiser is het daar niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of verweerder de marktvergunning mocht intrekken.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de marktvergunning niet had mogen intrekken. Verweerder heeft aan de conclusie dat sprake was van verpachting onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Op 25 juni 2025 heeft verweerder de marktvergunning van eiser ingetrokken. Met het bestreden besluit van 29 januari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam 1] (teammanager Markttoezicht) en [naam 2] (handhavingsjurist).
2.3.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
Eiser heeft sinds 1 augustus 2024 een marktvergunning op de markt van [adres] in [plaats] . Op 25 maart 2025 heeft de politie handelswaar in beslag genomen vanwege de verdenking dat het namaakmerkartikelen betrof. Eiser heeft op 2 april 2025 aan toezichthouders van verweerder verklaard dat hij de kraam (de rechtbank begrijpt op
25 maart 2025) aan iemand anders had weggegeven, dat die persoon was weggerend en dat de handel die dag niet van hem was. Op 20 mei 2025 heeft eiser aan de toezichthouders verklaard dat een deel van de handel voor zijn eigen rekening was ingekocht en een ander deel door een derde voor diens rekening. Eiser heeft in de zienswijze van 10 juni 2025 verklaard dat er geen sprake is van feitelijke verpachting, maar dat hij dit heeft verklaard uit paniek. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan gevraagd naar bewijzen dat eiser voor eigen rekening en risico heeft gehandeld. Zo heeft verweerder alle administratie over 2023-2025 opgevraagd. Eiser heeft diverse documenten overgelegd uit zijn administratie.
3.2.
Verweerder heeft in het primaire besluit van 25 juni 2025 de marktvergunning ingetrokken omdat volgens hem sprake is van verpachting in de zin van de Marktverordening. Dat besluit is gehandhaafd in het bestreden besluit van 29 januari 2026. Verweerder heeft daarbij – kort gezegd – overwogen dat eiser zelf heeft verklaard andermans goederen te hebben verkocht. Daarnaast vindt verweerder dat eiser met de overgelegde bewijzen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wel voor eigen rekening en risico heeft gehandeld.
3.3.
Eiser heeft als beroepsgrond onder meer aangevoerd dat geen sprake is van verpachting. Eiser geeft toe dat zijn administratie niet op orde is, maar dat betekent niet dat geconcludeerd kan worden dat hij zijn marktplaats heeft verpacht.
3.4.
Uit de Marktverordening volgt dat het voor de vergunninghouder verboden is om zijn marktplaats te verpachten. [2] Uit het handhavingsbeleid [3] blijkt dat bij verpachting wordt opgetreden door de vergunning voor onbepaalde tijd in te trekken. Verpachten is het afstaan van de marktplaats aan een ander door een vergunninghouder waardoor de vergunninghouder niet meer voor eigen rekening en risico handelt op zijn marktplaats. [4]
3.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bewijslast of sprake is van verpachting, bij verweerder berust. Het gaat om een belastend besluit waarbij een marktvergunning wordt ingetrokken. Het is dan aan verweerder om de relevante feiten en omstandigheden aannemelijk te maken en vervolgens te onderbouwen waarom sprake is van verpachting.
3.6.
Uit de melding over 25 maart 2025 volgt slechts dat de politie ter plekke de handel van de kraam van eiser in beslag heeft genomen wegens de verdenking dat het namaakmerkartikelen betrof. Verder blijkt uit een notitie dat eiser op 2 april 2025 heeft gezegd dat hij de kraam aan iemand had weggegeven en dat deze persoon was weggerend toen de politie kwam. Ook heeft eiser verklaard dat de handel deze dag niet van hem was. Uit een notitie volgt verder dat eiser op 20 mei 2025 in een gesprek met handhavingsmedewerkers opnieuw zou hebben bevestigd dat hij op 25 maart 2025 niet alleen zijn eigen handel verkocht, maar ook handel van een derde. Eiser zou hebben verklaard dat hij een deel van de handel op eigen rekening had ingekocht, en dat het andere deel van de handel was ingekocht door de derde en voor diens eigen rekening. Na verkoop zou de winst onderling verdeeld worden. Eiser heeft op 10 juni 2025 in zijn zienswijze aangegeven dat zijn antwoorden op 2 april 2025 en 20 mei 2025 niet juridisch onderbouwd of doordacht waren, maar ingegeven door paniek en de neiging om zichzelf te ontlasten in een onveilige situatie. Hij had toen beter moeten weten en juridisch advies moeten vragen, maar dat was hem ontgaan. Eiser heeft dit ook op de zitting toegelicht.
3.7.
De voorzieningenrechter acht de verklaringen van eiser onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van verpachting in de zin van de Marktverordening, juist omdat eiser later heeft verklaard dat hij na de vondst van nepartikelen in paniek was en daarom heeft verklaard dat deze goederen van iemand anders waren. Dat eiser wisselend heeft verklaard roept bij verweerder terecht vragen op, maar het onderbouwt onvoldoende dat op
25 maart 2025 sprake was van verpachting. Ook omdat uit de stukken slechts zeer summier blijkt wat er nu precies door de handhavers is waargenomen op 25 maart 2025.
3.8.
Verweerder heeft vervolgens eisers administratie opgevraagd over de periode 2023-2025, waarbij het volgens verweerder aan eiser was om aannemelijk te maken dat hij voor eigen rekening en risico handelde. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder daarmee de bewijslast ten onrechte heeft omgedraaid. Het is aan verweerder om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat sprake is van verpachting. Eiser erkent dat zijn administratie een puinhoop is. Hieruit is echter niet zonder meer op te maken dat hij zijn marktplaats heeft afgestaan
aan een anderen niet meer voor eigen rekening en risico handelt. De rechtbank betrekt daarbij dat feitelijke informatie over de gang van zaken op de markt ontbreekt, zoals op welke momenten eiser niet achter zijn kraam stond, of er andere personen achter zijn kraam zijn aangetroffen, etc. Wellicht heeft eiser door het voeren van een gebrekkige boekhouding andere voorschriften overtreden, maar daar gaat dit beroep niet over. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond.

Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat verweerder de marktvergunning niet had mogen intrekken. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven daarom ook geen bespreking meer.
4.2.
De voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat ook het primaire besluit wordt herroepen. De voorzieningenrechter ziet namelijk niet hoe het geconstateerde gebrek hersteld zou kunnen worden, nu de grondslag van de intrekking (de constateringen op 25 maart 2025 en de overgelegde administratie) deze intrekking niet kan dragen.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
4.4.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van tweemaal € 200,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 3.21 aanhef en onder a van de Marktverordening.
3.Uniform handhavingsbeleid warenmarkten en bijbehorend stappenplan.
4.Artikel 1.1. aanhef en onder bb van de Marktverordening.