Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3238

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
AMS 24/7048
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WrbArt. 34a WrbArt. 34d WrbArt. 35 WrbArtikel 1 Wrb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking toevoeging en inning advocaatkosten na inkomenscontrole

Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking van een toevoeging en de terugvordering van € 2.413,33 advocaatkosten door de Raad voor Rechtsbijstand na een inkomenscontrole. De Raad had het inkomen van eiser en zijn echtgenote over het peiljaar 2020 meegewogen en vastgesteld dat het inkomen boven de wettelijke grens lag, waardoor de toevoeging met terugwerkende kracht werd ingetrokken.

Eiser voerde procedurele bezwaren aan, zoals het niet vooraf geïnformeerd zijn over de aanwezigheid van een derdebelanghebbende bij de hoorzitting, onjuiste naamvermelding en het late besluit. De rechtbank oordeelde dat deze bezwaren onvoldoende waren om de intrekking onzorgvuldig te verklaren. Ook het standpunt dat het inkomen van de echtgenote niet mee mocht tellen, werd verworpen omdat zij op het moment van de aanvraag in 2022 gehuwd waren.

De rechtbank benadrukte dat de Raad conform de wet en jurisprudentie gehandeld heeft en dat er geen ruimte is voor afwijking van de door de Belastingdienst vastgestelde inkomensgegevens. Hoewel de besluitvorming lang duurde, was dit geen reden om het besluit onzorgvuldig te achten. Eiser kan met de Raad afspraken maken over matiging of betaling in termijnen van het teruggevorderde bedrag.

Het beroep werd ongegrond verklaard, de intrekking van de toevoeging blijft in stand en eiser moet de kosten zelf dragen. Er is geen vergoeding van proceskosten of griffierecht toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de toevoeging en terugvordering van advocaatkosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/7048

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de Raad

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).
Derdebelanghebbende:

[derdebelanghebbende] , uit [plaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van een toevoeging en de inning van advocaatkosten naar aanleiding van een inkomenscontrole.
1.1.
Bij besluit van 26 februari 2024 (het primaire besluit) heeft de Raad de toevoeging 4OX9617 ingetrokken en een bedrag van € 2.413,33 van eiser teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 23 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de Raad het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
De Raad heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van de Raad en [derdebelanghebbende] .
1.6.
Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank besloten het onderzoek te heropenen en een vraag aan de Raad gesteld. De rechtbank wilde van de Raad weten waarom ten aanzien van 2020 ook het inkomen van de partner van eiser is meegenomen, met name nu eiser heeft aangegeven dat toen geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De Raad heeft hier op 21 januari 2026 op gereageerd. Eiser heeft niet gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 12 februari 2026 gesloten en aangegeven dat binnen zes weken uitspraak gedaan zal worden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond en besluitvorming
4. Uit stukken blijkt dat eiser als verwerende partij betrokken was bij een procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Op 6 januari 2022 heeft de voormalige advocaat van eiser, mr. [naam] , verzocht om een toevoeging. Dit is bij besluit van 11 januari 2022 afgewezen omdat het vastgestelde inkomen van eiser de wettelijk vastgestelde financiële grenzen overschrijdt. Op 6 februari 2022 heeft de voormalige advocaat van eiser verzocht om een peiljaarverlegging, omdat eiser en zijn partner in 2022 een aanzienlijk lager inkomen zullen verdienen dan in 2020. Vervolgens heeft de Raad op 31 maart 2022 het verzoek om een peiljaarverlegging toegewezen en bepaald dat er alsnog gesubsidieerde rechtsbijstand toegekend zal worden onder oplegging van een eigen bijdrage. Op 23 mei 2022 heeft [derdebelanghebbende] , derde-partij in deze procedure, verzocht om de toevoeging over te nemen van mr. [naam] . Vervolgens is op 12 december 2022 de procedure die eiser had lopen bij de kantonrechter in Den Haag op verzoek van partijen doorgehaald. De gemachtigde van eiser heeft daarna een aanvraag voor vergoeding van zijn kosten gedaan en deze kosten zijn door de Raad op 27 januari 2023 vastgesteld op € 2.413,33 en vergoed aan [derdebelanghebbende] .
5. De Raad heeft vervolgens een hercontrole uitgevoerd van het verzamelinkomen, waaruit blijkt dat het definitief vastgestelde verzamelinkomen en/of vermogen van eiser door de Belastingdienst in 2020 en in 2022 boven de wettelijke grens ligt. Daarom heeft de Raad met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, vastgesteld dat eiser met terugwerkende kracht geen recht heeft op een tegemoetkoming in de kosten van zijn rechtsbijstandverlener. Dit betekent dat eiser de werkzaamheden van zijn rechtsbijstandverlener zelf moet betalen. Nu de Raad [derdebelanghebbende] al heeft uitbetaald, dient eiser € 2.413,33 aan de Raad te betalen.
Wat vindt eiser?
6. Eiser is het niet eens met de intrekking van de verleende toevoeging. Eiser voert hiertoe een aantal omstandigheden aan. Ten eerste stelt eiser dat de intrekking onzorgvuldig is, omdat de hoorzitting in bezwaar onzorgvuldig is gelopen. Voorafgaand aan de hoorzitting in bezwaar is eiser niet geïnformeerd dat [derdebelanghebbende] aan zou sluiten bij het gehoor, waardoor hij zich hier niet op kon voorbereiden, zich ongemakkelijk voelde en zich niet goed kon uitdrukken. Daarnaast noemde de voorzitter van de hoorzitting een aantal keer niet de juiste naam van eiser en zelfs in het inhoudelijke verslag is de naam van eiser verkeerd gespeld. Ten tweede vindt eiser het kwalijk dat hij niet is geïnformeerd dat na de peiljaarverlegging kon worden gecontroleerd of het inkomen over 2022 niet te hoog was. Ten derde heeft het lang geduurd voordat de beslissing op bezwaar werd genomen. Pas op het moment dat [derdebelanghebbende] besloot om na meer dan drie maanden het urenoverzicht te sturen, is een besluit genomen. Tot slot vindt eiser het onzorgvuldig dat zowel de Raad als [derdebelanghebbende] hem niet op de hoogte hebben gesteld dat het inkomen van zijn vrouw ook wordt meegenomen in de hercontrole. Eiser is hier tijdens de aanvraag en toekenning van de toevoeging niet op gewezen. Eiser is ook pas in december 2021 getrouwd en toch worden ook de gegevens van de echtgenote in het jaar 2020 meegenomen in het besluit. Eiser heeft dit gegeven destijds niet in overweging kunnen nemen.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
6.1.
De rechtbank zal eerst het juridisch kader schetsen. Op grond van rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [1] heeft de Raad bij de ambtshalve intrekking van een toevoeging op grond van artikel 34d van de Wrb [2] geen ruimte om af te wijken van de door de Belastingdienst verstrekte gegevens over het inkomen en vermogen over het peiljaar. [3] Onder peiljaar wordt verstaan: het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om een toevoeging wordt gedaan. [4] Daarnaast mag voor de vaststelling van het inkomen en vermogen ook het inkomen en vermogen van de echtgenoot of geregistreerd partner van de rechtszoekende meegenomen worden, tenzij deze op het moment van de aanvraag duurzaam van hem gescheiden is. [5] Ook voorziet de Wrb op dit punt niet in een hardheidsclausule of in een andere mogelijkheid om van de wettelijke inkomens- en vermogensgrens af te wijken. Wel bestaat op grond van artikel 34, onder g, van de Wrb een mogelijkheid dat de Raad afziet van terugvordering als zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten.
6.2.
De rechtbank zal eerst ingaan op de procedurele gronden van eiser, zoals de hoorzitting, het niet informeren en het late besluit. Daarna zal de rechtbank ingaan op de inhoudelijke grond over het meenemen van het inkomen van de echtgenote van eiser.
De hoorzitting, het niet informeren en het late besluit
6.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de procedurele gronden niet kunnen slagen. Dat eiser niet wist dat [derdebelanghebbende] aanwezig zou zijn bij de hoorzitting in bezwaar en dat zijn naam niet juist is gezegd of gespeld, maakt niet dat de Raad van de intrekking af moest zien. De Raad heeft op de zitting erkend dat in de brief over de uitnodiging van de hoorzitting duidelijker had kunnen staan wie de belanghebbenden zijn, en zal dit meenemen. Maar de Raad heeft ook aangegeven dat in de brief wel staat dat alle belanghebbenden gelijktijdig worden gehoord. De Raad heeft eiser hier dus wel over geïnformeerd. Verder is het slordig dat eiser bij de verkeerde naam is genoemd en dat zijn naam onjuist is gespeld, alleen dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek ten aanzien van de intrekking.
6.2.2.
Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het standpunt van eiser dat hij niet wist dat de vergoeding kon worden ingetrokken na de peiljaarverlegging, omdat hij hierover niet geïnformeerd was door zijn advocaten. Dit kan de rechtbank niet volgen. In de toewijzing peiljaarverlegging van de Raad van 31 maart 2022 stond namelijk:
‘Nadat de belastingdienst dit geschatte inkomen of vermogen definitief heeft vastgesteld, zal de Raad voor Rechtsbijstand een nieuw besluit nemen, dat in plaats komt van dit besluit. Dit laatste besluit kan zijn dat de toegekende rechtsbijstand met terugwerkende kracht wordt ingetrokken omdat de draagkracht in inkomen en vermogen te hoog is om voor gesubsidieerde rechtsbijstand in aanmerking te komen (art. 34 c/ art. 34 d lid 1 / art 35 Wet Pro op de rechtsbijstand).’Eiser kon dus op de hoogte zijn van de mogelijkheid tot intrekking na vaststelling van het inkomen door de Belastingdienst. Dit maakt de besluitvorming dus ook niet onzorgvuldig.
6.2.3.
Dat de besluitvorming lang op zich heeft laten wachten is niet wenselijk. Dit heeft ervoor gezorgd dat eiser langere tijd in onzekerheid heeft verkeerd. Maar dit maakt nog niet dat de intrekking van de toevoeging onzorgvuldig is geweest.
Meewegen inkomen echtgenote
6.2.4.
Vervolgens zal de rechtbank ingaan op de inhoudelijke grond van eiser, namelijk dat het inkomen van zijn echtgenote niet mag meewegen bij de vaststelling van zijn inkomen dat ten grondslag lag aan de intrekking van de toevoeging. De rechtbank heeft bij de heropening hierover vragen gesteld waarop de Raad heeft geantwoord. De rechtbank kan dit antwoord volgen. Op grond van artikel 34, derde lid onder a, van de Wrb wordt ook rekening gehouden met het inkomen en vermogen van de echtgenoot of geregistreerd partner van eiser. Vervolgens moet onder het inkomen het verzamelinkomen in het peiljaar worden verstaan en het peiljaar is het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om toevoeging wordt gedaan. De aanvraag om toevoeging is in 2022 gedaan, dat houdt in dat het peiljaar hier 2020 is. [6] Voor de bepaling of het inkomen en vermogen van een partner wordt meegenomen is de datum van de aanvraag van belang en dat is 2022. Toen waren eiser en zijn echtgenote al gehuwd. Daarom heeft de Raad ook het inkomen en vermogen van de echtgenote van eiser betrokken. Dat eiser in 2020 nog geen gezamenlijk huishouding voerde is hiervoor niet van belang. De rechtbank is van oordeel dat de Raad dus terecht het inkomen en vermogen van de echtgenote van eiser heeft meegenomen.
6.3
Conclusie is dat de Raad terecht de toevoeging heeft ingetrokken. Dit omdat het vastgestelde verzamelinkomen boven de wettelijke grens ligt. Eiser heeft met terugwerkende kracht geen recht op een tegemoetkoming in de kosten van zijn rechtsbijstandverlener. Dit betekent dat eiser de werkzaamheden van zijn rechtsbijstandverlener zelf moet betalen.
Matiging/niet vorderen
7. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij het onterecht vindt dat hij tot betaling moet overgaan van het (totale) bedrag. Eiser heeft er tijdens de zitting op gewezen dat sprake is van zwaarwegende omstandigheden die maken dat de Raad van de intrekking af moet zien of in ieder geval de vordering moet matigen. Die zwaarwegende omstandigheden zijn volgens eiser onder andere dat de vordering waarvoor hij de toevoeging heeft aangevraagd uiteindelijk heeft geleid tot een verplichte betaling van een paar duizend euro en dat dit hem zwaar viel. Tegelijkertijd moest hij in die tijd op zoek naar een geschikte huurwoning en is hij vader geworden.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de Raad in de besluitvorming nog geen rekening kon houden met deze zwaarwegende omstandigheden, nu eiser dit pas op de zitting heeft verduidelijkt. Daarom is het besluit in dit kader niet onzorgvuldig. De rechtbank wijst er nog wel op dat eiser in dit kader in contact kan treden met de Raad om afspraken te maken over matiging of het in termijnen betalen van het teruggevorderde bedrag. Eiser lijkt dit nog niet gedaan te hebben. De Raad heeft in het verweerschrift en op de zitting gewezen op deze mogelijkheid en aangegeven dat gekeken wordt naar de feiten en omstandigheden van eiser en zijn financiële situatie. Vervolgens wordt afhankelijk van de persoon een afweging gemaakt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing van de Raad in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Wet op de rechtsbijstand.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2885.
4.Artikel 1, aanhef en onder i, van de Wrb.
5.Artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de Wrb.
6.Artikel 34a, eerste lid, van de Wrb in samenhang met artikel 1, aanhef en onder i, van de Wrb.