AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tot verwijdering naam en adres uit online notulen wegens gebrek aan belang
In deze civiele zaak vordert eiser primair een voorlopige voorziening tot verwijdering van zijn naam en adres uit online gepubliceerde notulen van een dorpsraadvergadering. Eiser stelt dat de publicatie van zijn persoonsgegevens onrechtmatig is op grond van de AVG.
De verweerders hebben na kennisname van de vordering de gevraagde aanpassing in de notulen doorgevoerd en de persoonsgegevens verwijderd. Hierdoor is het belang van eiser bij de voorlopige voorziening komen te vervallen.
De rechtbank oordeelt dat eiser op grond van artikel 3:303 BWPro geen rechtsvordering meer toekomt wegens het ontbreken van belang en wijst de gevorderde voorlopige voorziening af. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling in de hoofdzaak, waar ook de inhoudelijke vraag over de rechtmatigheid van de publicatie zal worden behandeld.
De zaak wordt op 8 april 2026 opnieuw op de rol gezet voor beraad over een mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.P. Pompe en griffier N.T. Weessies.
Uitkomst: De rechtbank wijst de gevorderde voorlopige voorziening tot verwijdering van naam en adres uit de online notulen af wegens gebrek aan belang.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781366 / HA ZA 26-11
Vonnis in incident van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. B.M.E. Drykoningen,
tegen
1.[verweerder in het inc. 1] ,
te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de [verweerder in het inc. 1] , 2. [verweerder in het inc. 2],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder in het inc. 2] ,
1. en 2: verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: de [verweerder in het inc. 1] en [verweerder in het inc. 2] , 3. [gedaagde in de hfdzk 3],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde in de hfdzk 3] , 4. [gedaagde in de hfdzk 4],
te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde in de hfdzk 4] ,
1. t/m 4: gedaagde partijen in de hoofdzaak,
hierna allen samen te noemen: de [verweerders en gedaagden] ,
advocaat: mr. H.B.P. van Weverwijk.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord van 18 februari 2026, met producties,
- de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 18 februari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord in het incident van 4 maart 2026, met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er vonnis wordt gewezen in het incident.
2.De feiten voor zover van belang in het incident
2.1.
[eiser] heeft in 2020 een bouwkavel aan de [locatie] toegewezen gekregen. Vanaf eind 2022 is een aannemer in opdracht van [eiser] met de bouw van een woning op deze bouwkavel begonnen. In 2025 is de bouw voltooid.
2.2.
Volgens de statuten van de [verweerder in het inc. 1] is één van haar doelstellingen het beschermen van het landelijk en cultuurhistorisch karakter binnen het gehele Dorpsraadgebied. De woning van [eiser] is in dit gebied gelegen. [verweerder in het inc. 2] is voorzitter van het bestuur van de [verweerder in het inc. 1] . [gedaagde in de hfdzk 3] is bestuurslid van de [verweerder in het inc. 1] . [gedaagde in de hfdzk 4] is een vrijwilliger die de nieuwsbrief van de [verweerder in het inc. 1] in elkaar zet.
2.3.
De [verweerder in het inc. 1] heeft de bouw van de woning van [eiser] kritisch gevolgd. Zij heeft daarover gecorrespondeerd met de gemeente Amsterdam en zich ook op haar website over de verbouwing uitgelaten.
2.4.
In de hoofdzaak heeft [eiser] (samengevat) gevorderd dat de [verweerders en gedaagden] worden veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie op de website van de [verweerder in het inc. 1] . Verder heeft [eiser] gevorderd de [verweerders en gedaagden] te veroordelen tot verwijdering van het adres van [eiser] uit al haar online publicaties, net als iedere vermelding van “illegaal” of “illegale” in verband met de woning van [eiser] , en betaling van immateriële schadevergoeding.
2.5.
Op 12 januari 2026 heeft een vergadering van de [verweerder in het inc. 1] plaatsgevonden. In de notulen van deze vergadering, die op de website van de [verweerder in het inc. 1] zijn gepubliceerd (hierna: de Notulen), wordt verwezen naar de dagvaarding in de hoofdzaak en wordt de naam en het adres van [eiser] vermeld. De Notulen zijn ondertekend met ‘ [verweerder in het inc. 2] ’.
2.6.
Op 16 februari 2026 heeft [eiser] de hierna te noemen incidentele vordering strekkend tot het verwijderen door de [verweerder in het inc. 1] en [verweerder in het inc. 2] van de naam en het adres van [eiser] uit de Notulen ingediend voor de rolzitting van 18 februari 2026 en aan [eiser] verzonden.
3.Het geschil in het incident
3.1.
[eiser] vordert primair – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en op straffe van een dwangsom, een voorlopige voorziening treft inhoudende dat de [verweerder in het inc. 1] en [verweerder in het inc. 2] worden veroordeeld de naam en het adres van [eiser] uit de Notulen te verwijderen, en subsidiair enkel de naam van [eiser] . Volgens [eiser] voldoet de publicatie van de persoonsgegevens van [eiser] in de Notulen niet aan de voorwaarden die artikel 6 vanPro de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) daaraan stelt, waardoor de verwerking onrechtmatig is. [verweerder in het inc. 2] kan naast de [verweerder in het inc. 1] verantwoordelijk worden gehouden, omdat hij de Notulen heeft ondertekend en deze dus van hem afkomstig zijn en hij weet dat alle notulen op internet worden gepubliceerd, aldus [eiser] .
3.2.
De [verweerders en gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering. De [verweerders en gedaagden] hebben de dag nadat zij op de hoogte waren gesteld van de incidentele vordering de gevraagde aanpassing in de NAW-gegevens gerealiseerd. Dit hebben zij gedaan om nodeloze uitbreiding van de procedure te voorkomen, maar zonder daarmee te erkennen dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. [verweerder in het inc. 2] heeft op 17 februari 2026 ook aan de advocaat van [eiser] bevestigd dat alle notulen van de website zijn verwijderd. [eiser] heeft geen belang (meer) bij haar vordering in incident, omdat de gewenste aanpassing in de Notulen al is gerealiseerd, aldus De [verweerders en gedaagden]
3.3.
Op de stellingen van partijen in het incident wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
De rechtbank gaat er – op basis van de uitlatingen van de [verweerders en gedaagden] en bij gebrek aan andersluidend bericht van de zijde van [eiser] – vanuit dat de aanpassing zoals door [eiser] is gevorderd op 17 februari 2026 is gerealiseerd. [eiser] heeft daarom geen belang meer bij haar incidentele vorderingen. Op grond van artikel 3:303 BWPro komt haar zonder belang geen rechtsvordering toe. Daarom wijst de rechtbank de gevorderde voorlopige voorziening af.
Proceskosten
4.2.
Omdat de vraag of de [verweerder in het inc. 1] en [verweerder in het inc. 2] gehouden waren de persoonsgegevens uit de op internet gepubliceerde Notulen te verwijderen een inhoudelijke reactie van de [verweerders en gedaagden] behoeft, die nog niet is gegeven, zal de rechtbank de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat – na een mondelinge behandeling – in de hoofdzaak zal worden beslist. Ook kan [eiser] op de mondelinge behandeling nog reageren op het standpunt van de [verweerders en gedaagden] dat [eiser] in de kosten van het incident moet worden veroordeeld, omdat zij in redelijkheid de gevraagde incidentele vordering had kunnen en moeten intrekken, omdat de gevraagde aanpassing al de dag na het aankondigen daarvan was doorgevoerd.
5.De beslissing
De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 april 2026voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.P. Pompe, rechter, bijgestaan door mr. N.T. Weessies, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.