Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3248

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
13-394306-24 (tussenuitspraak)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7 OLWArt. 6a OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over executie Europees aanhoudingsbevel en gelijkstellingsverweer

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd wegens een onherroepelijke vrijheidsstraf van twee jaar. De verdachte was op de hoogte van de hogerberoepsprocedure, maar verscheen niet persoonlijk; de rechtbank oordeelde dat dit geen schending van verdedigingsrechten oplevert en zag af van toepassing van de weigeringsgrond uit artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW).

De rechtbank beoordeelde de dubbele strafbaarheid van de feiten en stelde vast dat deze voldeden aan de Nederlandse strafrechtelijke criteria. Het gelijkstellingsverweer, waarbij de verdachte als Nederlander wordt gelijkgesteld vanwege langdurig rechtmatig verblijf en behoud van verblijfsrecht, werd gehonoreerd. Ondanks late indiening van aanvullende stukken besloot de rechtbank deze mee te wegen.

De rechtbank overwoog dat de tenuitvoerlegging van de straf kan worden overgenomen, mede gelet op de economische en familiale banden van de verdachte met Nederland. Naar aanleiding van recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) werd het onderzoek heropend om het vereiste certificaat en vonnis op te vragen. De beslistermijn werd met 60 dagen verlengd en de overleveringsdetentie geschorst. De zaak wordt opnieuw op zitting gebracht voor verdere behandeling.

Uitkomst: Rechtbank heropent onderzoek, verlengt beslistermijn en beveelt opvragen certificaat en vonnis voor overname tenuitvoerlegging straf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-394306-24
Datum uitspraak: 12 maart 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 september 2024 door
the Circuit Court in Łodź, 4th Criminal Division (Sąd Okręgowy w Łodźi, IV Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court for Łodź-Widzew in Łodź (Sąd Rejonowy dia Łodźi-Widzewa w Łodźi)van 16 oktober 2018, dat onherroepelijk is geworden op 4 april 2019 met kenmerk IV K 121/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
De rechtbank merkt op dat in het EAB, in onderdeel F, staat vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon namens hem hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB. In aanvulling hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 27 januari 2026 aanvullende informatie verstrekt waaruit blijkt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep en dat een arrest is gewezen door
the Circuit Court in Łodźop 4 april 2019 met kenmerk V Ka 194/19. Deze beslissing wordt door de uitvaardigende justitiële autoriteit aangeduid als “
final decision”.
4.2
Standpunten van partijen
Stanpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat onduidelijk is hoe de procedure in hoger beroep is verlopen en verzoekt de rechtbank kritisch naar het verloop van deze procedure te kijken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat, omdat de opgeëiste persoon voor de procedure in hoger beroep in persoon is gedagvaard en hij een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren.
4.3
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Dit betekent dat de rechtbank de beslissing van
the Circuit Court in Łodźvan 4 april 2019 met kenmerk V Ka 194/19 zal toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
Het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel F, is opgenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de datum van de zitting in hoger beroep, nu de
'notification was served on him in person’.De rechtbank kan hier echter niet uit afleiden dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW.
Verder staat in onderdeel F vermeld dat de advocaat van de opgeëiste persoon is verschenen bij de procedure in hoger beroep. Op de zitting van 26 februari 2026 heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij deze advocaat ook heeft gemachtigd en dat hij wist dat zijn advocaat namens hem hoger beroep heeft ingesteld, maar dat hij daarna geen contact heeft gehad met zijn advocaat. Uit de informatie uit het EAB blijkt echter niet of de advocaat ter zitting ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Daarnaast doen de in artikel 12, sub c, OLW genoemde omstandigheden zich niet voor en is evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet op het vorenstaande kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep, dat is ingesteld door zijn advocaat. Het had daarom op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat over de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
een eendaadse samenloop van:
diefstal uit een woning waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en diefstal vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
en
diefstal uit een woning waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1
Bewijstukken ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer
Standpunt raadsman
De raadsman heeft bepleit dat hij de stukken tijdig, te weten acht dagen, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank heeft overgelegd. De stukken zijn voorzien van een deugdelijke toelichting. Hij heeft vier à vijf dagen voor de zitting slechts aanvullende stukken verstrekt.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. De stukken zijn immers op 18 februari 2026 overgelegd waardoor niet is voldaan aan het vereiste dat de stukken uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting moeten zijn overgelegd. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank. [5]
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat. [6]
In het onderhavige geval zal de rechtbank, ondanks dat er vier dagen voor de zitting aanvullingen op de stukken zijn gekomen, de gelijkstellingsstukken wel bij haar beoordeling betrekken. De rechtbank acht daarvoor relevant dat het grootste gedeelte van de stukken al bij de voorgeleiding van de opgeëiste persoon op 30 december 2025 is overgelegd. Deze stukken zijn met enkele aanvullingen en voorzien van een toelichting acht dagen voor de zitting ingediend, waarin de inhoud van de stukken voldoende wordt geduid.

6.2Gelijkstelling

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
6.2.1
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
6.2.2
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. De rechtbank merkt op dat een advies van de IND (nog) ontbreekt in het procesdossier. De officier van justitie heeft op de zitting echter kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie beschikt over een IND-advies. Uit dit advies blijkt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen als gevolg van de veroordeling in Polen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Gelet op de hierna te nemen beslissing dient het IND-advies alsnog aan het dossier te worden toegevoegd.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.3
Beoordeling overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor, onder paragraaf 5, weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden heeft met Nederland. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [7] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
6.4
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak C.J. (C-305/22)
Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak C.J. [8] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Oftewel de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ EU – kort samengevat – volgt dat alvorens de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen, daarvoor toestemming van de beslissingsstaat vereist is. Het HvJ EU oordeelt dat de weigering op basis van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ veronderstelt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de voorwaarden
en procedurevan Kaderbesluit 2008/909/JBZ in acht neemt met betrekking tot de erkenning van de strafrechtelijke veroordeling tot die straf en de overname van de tenuitvoerlegging van die straf.
Deze procedure houdt – kort gezegd – in dat, voordat de tenuitvoerlegging van een straf kan worden overgenomen, het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van dat Kaderbesluit wordt ingevuld en samen met het vonnis wordt overgelegd door de beslissingsstaat. Met de toezending van het certificaat en het vonnis wordt de toestemming van de beslissingsstaat voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in die staat opgelegde straf uitgedrukt. [9] Een en ander wordt door het HvJ EU herhaald in zijn arrest van 11 september 2025. [10]
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen om in navolging van het arrest
C.J.van het HvJ EU de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het veroordelende vonnis op te vragen, zodat de rechtbank kan beslissen over de overname van de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde straf als bedoeld in artikel 6a OLW.
6.5
Verlenging van de beslistermijn
De beslistermijn die op de zitting van 26 februari 2026 is verlengd, verstrijkt op 27 maart 2026. Artikel 22, vierde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen kan verlengen. De rechtbank ziet momenteel de nieuwe lijn zoals uiteengezet in het arrest
C.J.van het HvJ EU als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW en daarom verlengt zij de beslistermijn met 60 dagen op grond van die bepaling, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het certificaat en het onderliggende vonnis op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (
eindigend op 26 mei 2026), onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak
binnen 30 dagen na 27 maart 2026opnieuw op zitting wordt aangebracht. Indien dat niet mogelijk is, dient de zaak uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus
uiterlijk op 12 mei 2026, opnieuw op zitting te worden aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.
6.Rb. Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560.
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (
10.Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2025, C-215/24, ECLI:EU:C:2025:695 (