3.3.1.Bewezenverklaring feit 1
De rechtbank stelt (in aanvulling op hetgeen in 3.3 is vastgesteld) de volgende feiten en omstandigheden vast ten aanzien van feit 1.
Uit het systeem van de Belastingdienst volgt dat [bedrijf 1] over de tijdvakken januari 2019 tot en met december 2019 aangifte omzetbelasting heeft gedaan.In 2019 werd in totaal een bedrag van € 860.433,97 aan omzet van hotels ontvangen.In 2019 was de omzetbelasting die [bedrijf 1] moest afdragen – na aftrek van de voorbelasting – € 146.420,-, Hiervan is € 10.000,- voldaan. Het overige deel is niet betaald.Naar aanleiding van het niet betalen van de omzetbelasting zijn door de Belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd, aanmaningen verstuurd en dwangbevelen uitgereikt.Hierop is namens [bedrijf 1] niet gereageerd.Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat bedragen omzetbelasting van 2019 openstonden en dat het klopt dat de omzetbelasting in 2019 niet volledig is betaald.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank is van oordeel dat het opzet op het niet of grotendeels niet afdragen van de omzetbelasting door [bedrijf 1] waardoor te weinig belasting werd betaald kan worden bewezen. Het afdragen van omzetbelasting is een wettelijke verplichting van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] is derhalve de geadresseerde van deze norm. [bedrijf 1] heeft echter niet, zoals hierboven is vastgesteld, volledig aan haar betalingsverplichting voldaan, terwijl [bedrijf 1] in 2019 omzet genereerde en over geld beschikte om de omzetbelasting af te dragen. [bedrijf 1] had in 2019 inkomsten en er stond geld op de G-rekening van het bedrijf. Voorgaande maakt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat de omzetbelasting steeds willens en wetens – en daarmee opzettelijk – niet door [bedrijf 1] is betaald. Nu [bedrijf 1] op 29 juni 2022 failliet is verklaard houdt de rechtbank dit aan als einddatum van het niet (volledig) afdragen van de omzetbelasting over 2019.
Rol verdachte
De rechtbank stelt vast dat verdachte de bestuurder en feitelijke leiddinggever was tot 5 maart 2020 van [bedrijf 1] . Ook na 5 maart 2020 was verdachte naar het oordeel van de rechtbank nog de feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] . De rechtbank verwijst hiertoe naar de overweging in punt 3.3.2. Uit deze overweging volgt dat verdachte ook na 5 maart 2020 bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen te treffen ter voorkoming dan wel beëindiging van de verboden gedraging en dat achterwege laat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich voordoet en overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij aan zijn boekhouder had gevraagd om met de Belastingdienst een regeling voor de betaling van de omzetbelasting te treffen. Uit het procesdossier blijkt echter niet dat verdachte iemand de opdracht heeft gegeven om de openstaande bedragen te betalen of zelf iets heeft gedaan om te betalen. Evenmin blijkt dat namens [bedrijf 1] verzoeken om een betalingsregeling of kwijtschelding zijn ingediend. Ook is geen melding van betalingsonmacht gedaan.Verdachte wordt geacht om als feitelijke leidinggever te weten wat er binnen het bedrijf gebeurt en is verantwoordelijk voor het betalen van de omzetbelasting. Dat verdachte dacht dat het geregeld zou worden neemt bovendien de opzet niet weg en de betalingsverplichting bleef onverminderd bestaan. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er niet volledig was betaald.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 1 februari 2019 tot 29 juni 2022 feitelijke leiding heeft gegeven aan het in vereniging opzettelijk niet en/of gedeeltelijk niet betalen van de omzetbelasting welke op aangifte moet worden voldaan door [bedrijf 1] over de tijdvakken januari tot en met december 2019.
3.3.2.Bewezenverklaring feit 2
De rechtbank stelt, naast hetgeen in 3.3 is vastgesteld, de volgende feiten en omstandigheden vast.
In de woning van medeverdachte [medeverdachte] is een Iphone 11 aangetroffen met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 1] . Dit telefoonnummer zou in gebruik zijn bij [medeverdachte] .
Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 2] van hem is.
Door [bedrijf 1] is op 6 juli 2020 een voorschot op grond van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (hierna: NOW) aangevraagd met dossiernummer 2000229. De NOW-regeling was een subsidieregeling waarbij het UWV een voorschot verleende aan werkgevers op basis van hun aangegeven verwachte omzetverlies tijdens de coronapandemie. Deze tegemoetkoming die door de overheid werd verstrekt was bedoeld zodat de werkgever de werknemers kon doorbetalen en in dienst kon houden.
In de aanvraag die op 6 juli 2020 door [bedrijf 1] is gedaan staat dat het verwachte omzetverlies van de onderneming 100 % bedraagt. Op de aanvraag is bij de contactgegevens van [bedrijf 1] het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer 3] vermeld.Dit telefoonnummer kan worden gelinkt aan medeverdachte [medeverdachte] .De aanvraag is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres] dat wordt gelinkt aan medeverdachte [medeverdachte] .In de eerder genoemde Iphone 11 van medeverdachte [medeverdachte] is een chatgesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin [medeverdachte] op 6 juli 2020 vraagt “om het wachtwoord.” [verdachte] geeft het wachtwoord en [medeverdachte] zegt dan “dat hij erin zit” en zegt [verdachte] om akkoord te geven. [verdachte] zegt dat hij dit heeft gedaan en om 8.28 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] dat de aanvraag eruit is.
Naar aanleiding van deze aanvraag krijgt [bedrijf 1] een tegemoetkoming NOW van
€ 195.623,-. Het UWV heeft een voorschot betaald van € 156.500,- voor een tegemoetkoming in de loonkosten, op basis van het verwachte omzetverlies over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020.Dit voorschot is (in twee deelbetalingen van € 78.250 op respectievelijk 9 juli 2020 en 10 september 2020) overgemaakt op het bankrekeningnummer van [bedrijf 1] .Op 9 juli 2020 stuurt verdachte dat het geld is gekomen.Op 11 september 2020 stuurt medeverdachte [medeverdachte] per WhatsApp aan verdachte een foto van een briefje waarop onder meer ‘78.250’ staat vermeld, alsmede de helft daarvan: ‘39.125’.Op 12 maart 2020 begon de coronalockdown in Nederland. Onder meer de hotels die de inkomsten voor [bedrijf 1] genereerden werden gesloten. Medio juni 2020 mochten de hotels weer open. Vanaf eind maart 2020 tot en met eind juni 2020 zijn door [bedrijf 1] geen schoonmaakwerkzaamheden verricht.
Op 23 juli 2020 is verdachte een nieuw bedrijf gestart, genaamd [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Bij [bedrijf 3] werkte personeel dat (eerder) ook in dienst was bij [bedrijf 1] . Uit het onderzoek van de controleambtenaar van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat vanaf juni 2020 facturen op naam van [bedrijf 3] werden gestuurd aan hotels voor schoonmaakwerkzaamheden in juni en juli 2020, terwijl [bedrijf 3] nog niet was opgericht. Uit de bankgegevens volgt dat er na maart 2020 geen omzet meer was in [bedrijf 1] .Uit bankgegevens van [bedrijf 1] blijkt dat in het tweede en derde kwartaal 2020 lonen zijn uitbetaald aan personeel voor werkzaamheden die zijn gefactureerd door [bedrijf 3] .
Managers van Hotel Hermitage en hotel ITC verklaren dat de schoonmaakwerkzaamheden in hun hotels tot en met maart 2020 zijn verricht door [bedrijf 1] en na de coronalockdown door [bedrijf 3] .Dit volgt ook uit de facturen die door de hotels zijn gestuurd, waaruit blijkt dat is gefactureerd voor werkzaamheden in juni en juli 2020 (Hermitage) en juli 2020 (ITC).
De manager van Hotel Titus BV heeft schriftelijk verklaard dat hij tot de coronalockdown in maart 2020 gebruik maakte van de diensten van [bedrijf 1] . Zijn aanspreekpunt was verdachte [verdachte] . De manager heeft geen contact gehad met [naam] en kent hem niet. Het aanspreekpunt van [bedrijf 3] was ook [verdachte] en de manager ontving van hem de facturen. De manager heeft verklaard dat hetzelfde personeel dat tot de eerste coronalockdown namens [bedrijf 1] de schoonmaakwerkzaamheden na de lockdown werkzaamheden verrichte namens [bedrijf 3] .De hotelmanager van Amadeus Hotel Amsterdam BV en IJburg Hotel BV heeft verklaard dat zijn aanspreekpunt voor zowel [bedrijf 1] als [bedrijf 3] verdachte [verdachte] was. Met [naam] heeft hij geen contact gehad. Er veranderde volgens de hotelmanager behalve de facturatie en het bankrekeningnummer eigenlijk helemaal niets. De prijsafspraken wijzigden niet en het personeel was grotendeels hetzelfde.
[naam] heeft verklaard dat hij [bedrijf 1] niet heeft overgekocht en nooit iets heeft getekend. In februari 2020 lag hij op de Intensive Care en daarna heeft [naam] 13 maanden gedetineerd heeft gezeten. Uit onderzoek naar de bankrekeningen van [bedrijf 1] volgt dat [verdachte] ook na 5 maart 2020 de gemachtigde is gebleven van deze bankrekeningen.
Vrijspraak NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849, DOC-021
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de oplichting met de NOW-aanvraag met dossiernummer 1279849. Deze aanvraag is gedaan op 6 april 2020 namens [bedrijf 1] . Uit de aanvraag volgt dat wordt verwacht dat vanaf 1 maart 2020, 100 % omzetverlies wordt geleden. Verdachte wordt verweten dat er in werkelijkheid wel omzet was. Op grond van het dossier kan dat echter niet worden vastgesteld. De hotels gingen pas weer in juni 2020 open en niet is gebleken dat [bedrijf 1] in de maanden maart, april en mei 2020 op een andere wijze omzet heeft gedraaid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er over deze maanden sprake was van een omzetverlies van 100%.
Voor zover de officier van justitie heeft betoogd dat de oplichting bestaat uit het feit dat het bedrijf [bedrijf 1] op een andere naam zou zijn gezet om met het specifieke doel coronasteun aan te vragen en dat dit een constructie was om het UWV op te lichten, dan geldt dat zoals verdachte terecht heeft aangevoerd ten tijde van het opzetten van de constructie de gevolgen van corona nog niet bekend waren. [bedrijf 1] zou op 5 maart 2020 op naam van [naam] zijn gezet, terwijl de coronalockdown gold vanaf 12 maart 2020 en de vaststelling van de NOW-regeling op 31 maart 2020 plaatsvond.
De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat de NOW-uitkering niet is besteed aan waar het voor bedoeld is, namelijk het uitbetalen van de lonen, maar dat wordt verdachte niet verweten in het onder feit 2 tenlastegelegde.
Bewijsoverwegingen NOW-aanvraag met dossiernummer 2000229
De rechtbank is van oordeel dat de oplichting door middel van listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels met betrekking tot de NOW-aanvraag van 6 juli 2020 met dossiernummer 2000229 kan worden bewezen. Namens [bedrijf 1] is een NOW-aanvraag gedaan waarbij in strijd met waarheid is voorgedaan dat zij recht had op een geldbedrag op grond van de NOW-regeling en dat een omzetverlies van 100 % werd verwacht voor de periode van juni tot en met september 2020. Uit de bewijsmiddelen volgt dat in ieder geval in juni en juli de werkzaamheden werden verricht door personeel dat in dienst was van [bedrijf 1] waardoor de loonkosten ook in [bedrijf 1] vielen, terwijl de omzet terecht kwam in [bedrijf 3] . Daardoor leek het dat [bedrijf 1] geen omzet had.
Hierdoor is het UWV bewogen tot afgifte van een uitkering. Dat het oogmerk van de aanvraag was gericht op bevoordeling volgt uit onder meer de WhatsApp-gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , direct rondom de uitkeringen.
Feitelijk leidinggeven door verdachte na 5 maart 2020
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een schijnconstructie waarbij [bedrijf 1] alleen op papier (in de register van de Kamer van Koophandel) op naam is gezet van katvanger [naam] . Uit het procesdossier volgt niet dat de onderneming daadwerkelijk is overgedragen. Nergens blijkt dat de aandelen daadwerkelijk zijn overgegaan. Er zijn geen bedragen door [naam] overgemaakt aan [verdachte] Holding dan wel verdachte en [naam] verklaart dat hij niets met [bedrijf 1] te maken heeft. Ook zat hij ten tijde van de zogenaamde overdracht in detentie. Verdachte was na 5 maart 2020 op dezelfde manier als daarvoor betrokken bij het bedrijf. Hij bleef de bankrekeningen van [bedrijf 1] beheren en was nog steeds contactpersoon voor de hotels. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte na 5 maart 2020 in ieder geval de feitelijke leidinggever van [bedrijf 1] was. Uit de bewijsmiddelen volgt dat na de coronalockdown dezelfde schoonmaakwerkzaamheden zijn verricht bij dezelfde hotels als voor de coronalockdown maar dat vanaf juni 2020 werd gefactureerd onder de naam van [bedrijf 3] . Ook de managers van de hotels verklaren dat zij contact bleven houden met verdachte en dat enkel de naam van het bedrijf veranderde. Het personeel en de werkwijze veranderden niet. De baten van deze werkzaamheden kwamen in het nieuwe bedrijf, [bedrijf 3] .
Oplichtingsmiddelen
Omdat werd voorgewend dat met het oude bedrijf, [bedrijf 1] , geen omzet meer werd gegenereerd, maar wel loon zou worden doorbetaald, ontving dat bedrijf de baten van de NOW-aanvraag, terwijl zij daar geen recht op had. Er was immers wel sprake van omzet, maar dat kwam terecht in [bedrijf 3] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een listige kunstgreep en/of van een samenweefsel van verdichtsels, door de omzet weg te laten vloeien in een nieuw opgerichte onderneming [bedrijf 3] waardoor het leek dat er geen omzet in [bedrijf 1] was terwijl die er in werkelijkheid wel was. Bovendien was de aanvraag NOW gedaan door [bedrijf 1] , die inmiddels op naam stond van een katvanger, maar in werkelijkheid nog steeds in handen was van verdachte en in de aanvraag bewust onjuiste informatie is opgenomen.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van medeplegen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte is ook na 5 maart 2020 feitelijke leiding blijven geven aan [bedrijf 1] . [medeverdachte] heeft met medeweten en instemming van verdachte de aanvraag NOW namens [bedrijf 1] ingediend vanaf zijn IP-adres. Verdachte en [medeverdachte] hadden contact over de accordering, de NOW-aanvraag zelf en ook over de uitkering die werd overgemaakt op de rekening van [bedrijf 1] . De rechtbank is van oordeel dat hier dan ook sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] .