Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3264

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/13/751474 / HA ZA 24-588
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

ING niet aansprakelijk voor factuurfraude bij televisierechtendistributeur

International Media Distribution (IMD) vordert van ING betaling van ruim €418.000 wegens factuurfraude waarbij IMD een bedrag overmaakte naar een rekening van Fountainebleau Invest B.V. in plaats van de juiste partij ART. IMD stelt dat ING haar bijzondere zorgplicht schond door niet tijdig in te grijpen ondanks signalen van onregelmatigheden.

De rechtbank oordeelt dat ING pas op 31 oktober 2019, na melding door IMD, kennis kreeg van de fraude en toen passende maatregelen nam. IMD slaagt er niet in te bewijzen dat ING vóór of op 28 of 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden. Getuigenverklaringen en interne stukken tonen geen eerdere alerts of meldingen.

Daarmee is niet vastgesteld dat ING haar zorgplicht heeft geschonden. De vordering wordt afgewezen en IMD wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank handhaaft het tussenvonnis en wijst de bewijsopdracht van IMD af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van IMD tegen ING af wegens onvoldoende bewijs van subjectieve wetenschap van fraude vóór betaling.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/751474 / HA ZA 24-588
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
INTERNATIONAL MEDIA DISTRIBUTION (LUXEMBOURG),
te Luxemburg (Luxemburg),
eisende partij,
hierna te noemen: IMD,
advocaat: mr. L.C.L. Bults,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. M.E.G. Murris,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken;
- de akte uitlaten, overlegging producties, uitlating gesloten deuren en uitlating vervolg van 5 maart 2025 aan de zijde van IMD;
- de rolbeslissing van 12 maart 2025;
- de akte overlegging producties inclusief verzoek behandeling achter gesloten deuren met geheimhouding van 19 maart 2025 aan de zijde van ING;
- de akte uitlating aanvullende getuige tevens akte overlegging productie van 26 maart 2025 aan de zijde van IMD;
- de brief van 15 mei 2025 aan de zijde van IMD;
- het proces-verbaal van het op 22 mei 2025 gehouden getuigenverhoor aan de zijde van IMD;
- de brief van 6 juni 2025 aan de zijde van IMD;
- de brief van 10 juni 2025 aan de zijde van ING;
- de brief van 11 juli 2025 aan de zijde van IMD;
- de brief van 15 juli 2025 aan de zijde van ING;
- het proces-verbaal van het op 17 juli 2025 gehouden voortzetting van het getuigenverhoor aan de zijde van IMD;
- de conclusie na enquête van 1 oktober 2025 aan de zijde van IMD, met producties;
- de antwoordconclusie na enquête van 12 november 2025 aan de zijde van ING, met producties.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De verdere beoordeling

Samenvatting van de zaak
2.1.
IMD distribueert televisierechten en heeft een vaste handelsrelatie met de Arab Radio and Television-groep (hierna: ART). In oktober 2019 ontving IMD per e-mail een factuur die ogenschijnlijk van ART afkomstig was, gevolgd door een herziene factuur waarin een ING-rekening werd vermeld. Na enige correspondentie maakte IMD op 28 oktober 2019 het factuurbedrag van € 418.553 over naar deze rekening. Later bleek dat de rekening niet van ART was, maar toebehoorde aan Fountainebleau Invest B.V. (hierna: Fountainebleau). Kort na ontvangst werd het geld in meerdere transacties doorgestort naar diverse buitenlandse rekeningen. Het ging hier om factuurfraude. IMD meldde de fraude op 31 oktober 2019 bij ING. Bij vonnis van 3 november 2021 zijn Fountainebleau en aan haar gelieerde partijen veroordeeld tot betaling van het fraudebedrag aan IMD.
2.2.
IMD vordert in deze procedure veroordeling van ING tot betaling van € 418.553 aan haar, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Volgens IMD heeft ING haar bijzondere zorgplicht geschonden doordat zij, ondanks signalen van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, niet tijdig heeft ingegrepen. ING betwist de vordering en voert onder meer aan dat zij geen subjectieve wetenschap van fraude had en dat IMD haar schade op Fountainebleau en aan haar gelieerde personen kan verhalen.
(Tussen)vonnis met bewijsopdracht
2.3.
Verwezen wordt naar het tussenvonnis. In het tussenvonnis is IMD toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap heeft gehad van onregelmatigheden op de bij haar aangehouden bankrekening van Fountainebleau. Ook is IMD toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat incassohandelingen tegen Fountainebleau en daaraan gelieerde personen vruchteloos zijn geweest en dus dat zij haar schade nog niet heeft kunnen verhalen.
2.4.
Daarnaast heeft de rechtbank in het tussenvonnis ING op grond van artikel 22 Rv Pro bevolen om het onderzoeksdossier van haar interne recherche met betrekking tot Fountainebleau, met de daarbij behorende stukken waarnaar daarin wordt verwezen, alsmede een afschrift van de ING-rekening met daarop alle transacties in de twee jaren voorafgaand aan de fraude over te leggen, met uitzondering van de gegevens die verband houden met een eventuele FIU-melding en de door de bank gehanteerde transactiemonitoring-methoden
2.5.
Ter zitting van 22 mei 2025 heeft ING verklaard dat zij niet langer betwist dat de incassohandelingen tegen Fountainebleau en daaraan gelieerde personen vruchteloos zijn geweest. Dit kan daarmee als tussen partijen vaststaand worden aangenomen zodat op dit punt bewijslevering door IMD niet nodig is.
2.6.
Beoordeeld dient dan nog worden of IMD in de bewijsopdracht dat ING subjectieve wetenschap had is geslaagd. IMD heeft in dit kader tijdens de zitting van 22 mei 2025 twee getuigen doen horen en tijdens de zitting van 17 juli 2025 één getuige doen horen. IMD heeft daartoe getuige [naam getuige 1] (senior bedrijfsjurist bij ING), getuige [naam getuige 2] (fraudeonderzoeker bij ING) en getuige [naam getuige 3] (Global Head Fraud Investigations) gehoord.
Standpunt IMD tijdens en na enquête
2.7.
IMD heeft in haar berichten van 6 juni 2025 en 11 juli 2025 aan de rechtbank en in haar conclusie na enquête uitvoerig betoogd dat de rechtbank in het tussenvonnis volgens haar (kortgezegd) van een onjuist juridisch uitgangspunt is uitgegaan.
2.8.
In de eerste plaats voert IMD aan dat de rechtbank weliswaar heeft geoordeeld dat de zogenoemde domeinleer van toepassing is, maar dat dit volgens haar onvoldoende effect heeft gehad. Volgens IMD bevinden de relevante gegevens over de werking van de transactiemonitoringssystemen, waaronder de destijds gehanteerde
business rulesen andere indicatoren, zich uitsluitend in het domein van ING en heeft ING hierover onvoldoende inzicht gegeven. IMD voert verder aan dat tijdens de getuigenverhoren specifieke vragen hierover werden geweigerd. Daarnaast stelt IMD dat de door de rechtbank gehanteerde term ‘subjectieve wetenschap’ geen steun vindt in de rechtspraak van de Hoge Raad. Volgens IMD volgt uit het arrest van de Hoge Raad [1] dat bepalend is of de bank wist van ongebruikelijk betalingsverkeer op de betreffende rekening. Die wetenschap moet volgens IMD in het huidige bancaire systeem anno 2019 en later mede worden afgeleid uit de werking van geautomatiseerde transactiemonitoringssystemen, die transacties automatisch analyseren en classificeren.
2.9.
Volgens IMD volgt desondanks uit de verklaringen van de gehoorde getuigen, in combinatie met de omstandigheden van het geval (waaronder de omvang van de bijschrijving van € 418.553, de buitenlandse herkomst daarvan en de daaropvolgende snelle doorboekingen naar buitenlandse rekeningen) dat ING bewustzijn had van de ongebruikelijke activiteiten vanwege de door haar geautomatiseerde transactiemonitoringssystemen en daarom meteen had moeten ingrijpen.
2.10.
De rechtbank begrijpt deze stellingen aldus dat IMD betoogt dat de rechtbank in het tussenvonnis op onderdelen een onjuist juridisch uitgangspunt heeft gehanteerd en dat zij in zoverre op die beslissingen zou moeten terugkomen. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding en blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.
IMD is niet geslaagd in de bewijsopdracht
2.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is IMD niet geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
2.12.
Vooropgesteld wordt dat op een bank een bijzondere zorgplicht rust, die onder omstandigheden ook jegens derden kan gelden. Deze zorgplicht brengt mee dat een bank, wanneer zij daadwerkelijk kennis krijgt van onregelmatigheden of fraude met betrekking tot een bij haar aangehouden bankrekening, maatregelen dient te nemen die in redelijkheid van haar kunnen worden gevergd om schade te voorkomen of te beperken. Tegelijkertijd geldt dat banken in beginsel het reguliere betalingsverkeer moeten faciliteren en dat zij grote aantallen transacties geautomatiseerd verwerken. Banken maken daarbij gebruik van verschillende systemen voor fraudedetectie en transactiemonitoring, waarin onder meer indicatoren en algoritmes zijn opgenomen die zijn gericht op het signaleren van mogelijke fraude, witwassen of andere onregelmatigheden.
2.13.
Voor aansprakelijkheid van ING in deze zaak is vereist dat komt vast te staan dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau. Met subjectieve wetenschap wordt bedoeld dat ING daadwerkelijk op de hoogte was van concrete signalen of meldingen van onregelmatigheden. Het enkele bestaan van omstandigheden die aanleiding hadden kunnen geven tot nader onderzoek is daarvoor onvoldoende.
2.14.
Uit de door ING overgelegde stukken en de afgelegde getuigenverklaringen volgt dat ING op 31 oktober 2019 voor het eerst (via de melding van IMD) van de fraude op de hoogte is geraakt van de betreffende transacties. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat de melding op 31 oktober 2019 bij het fraudeservicecentrum is geregistreerd en dat hij zelf op 1 november 2019 voor het eerst kennis heeft genomen van de e-mail waarin de fraude werd gemeld. Hij heeft verklaard dat het onderzoek door zijn team reactief van aard is en wordt gestart naar aanleiding van een binnengekomen melding. Volgens hem was op dat moment duidelijk dat een groot bedrag op de rekening van Fountainebleau was binnengekomen en vervolgens was doorgestort. Naar aanleiding van de melding zijn direct diezelfde dag acties ondernomen, waaronder het blokkeren van de rekening en het verzenden van Swift-berichten naar betrokken banken met het verzoek om de doorgestorte gelden terug te halen.
2.15.
De getuige [naam getuige 1] heeft in vergelijkbare zin verklaard dat zij pas op 12 november 2019 via een intern doorgestuurd bericht kennis heeft genomen van de kwestie. Zij heeft verklaard dat de fraudeafdeling op dat moment al een onderzoek had ingesteld naar aanleiding van een melding van IMD en dat preventieve maatregelen toen al waren genomen, waaronder het blokkeren van de rekening en het informeren van andere banken. [naam getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat zij zelf geen onderzoek heeft verricht naar de transactie, maar dat haar rol voornamelijk juridisch adviserend was, onder meer ten aanzien van de vraag welke klantgegevens met IMD konden worden gedeeld.
2.16.
De getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat hij zelf niet bij het onderzoek betrokken is geweest. Hij verklaarde daarnaast dat de bijschrijving van € 418.553 op de rekening van Fontainebleau niet perse passend is, maar dat volgens hem een grote transactie op een zakelijke rekening niet
an sicheen trigger is. Volgens [naam getuige 3] zijn er veel zakelijke rekeningen zijn waar maar één keer per jaar een groot bedrag wordt ontvangen. Hij verklaarde daarnaast dat het feit dat het ontvangen bedrag vrijwel meteen naar buitenlandse rekening werd overgemaakt, niet betekent dat er een alert zou moeten zijn gekomen.
2.17.
Voor zover IMD heeft betoogd dat de systemen van ING al vóór 31 oktober 2019 een alert moeten hebben gegenereerd, is dit niet komen vast te staan. De getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat hem niet bekend is dat in dit geval een dergelijke systeemmelding is afgegaan. Ook uit de door ING overgelegde stukken (waaronder de interne frauderapportage van de ING) blijkt niet dat vóór 31 oktober 2019 een alert of andere melding binnen de systemen van ING is gegenereerd die aanleiding had moeten geven tot ingrijpen. Dat binnen de systemen van ING in algemene zin risicoscores worden toegekend aan bepaalde handelingen of transacties, zoals [naam getuige 2] heeft verklaard, maakt nog niet dat in dit concrete geval een alert is gegenereerd of dat ING daadwerkelijk kennis heeft gehad van onregelmatigheden.
2.18.
De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde stukken en de afgelegde getuigenverklaringen in onderlinge samenhang bezien een consistent beeld opleveren. Daaruit volgt dat ING naar aanleiding van de melding van 31 oktober 2019 kennis heeft gekregen van de fraude met betrekking tot de rekening van Fountainebleau en vervolgens maatregelen heeft genomen. Niet is komen vast te staan dat ING vóór of op 28 of 29 oktober 2019 over dergelijke subjectieve wetenschap beschikte. Daarmee is IMD niet geslaagd in de aan haar opgedragen bewijslevering.
2.19.
Nu IMD niet is geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, kan niet worden vastgesteld dat ING haar bijzondere zorgplicht jegens IMD heeft geschonden. Daarom kan de vordering van IMD niet slagen en zal dus worden afgewezen.
Proceskosten
2.20.
IMD is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:
- griffierecht
6.617,00
- salaris advocaat
13.030,50
(3,5 punten × € 3.723,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
19.836,50
2.21.
De nakosten worden begroot en toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
2.22.
De over de proceskosten en de nakosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing vermeld.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van IMD af,
3.2.
veroordeelt IMD in de proceskosten van € 19.836,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als IMD niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt IMD tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts, rechter, bijgestaan door mr. S.D. Gerick, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.ECLI:NL:2015:3399 (