Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3294

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-223094-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 SvArt. 348 SvArt. 350 SvArt. 285d SrArt. 261 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op bezwaar tegen weigering horen getuige in doxing- en smaadschriftzaak

De verdachte wordt beschuldigd van doxing en smaadschrift door het verspreiden van persoonsgegevens en het aanranding van de goede naam van een advocaat via sociale media in de periode van december 2024 tot februari 2025.

De verdediging verzocht om het horen van twee getuigen die verklaringen zouden kunnen afleggen over de intentie en context van de verdachte bij het plaatsen van de berichten. De rechter-commissaris wees dit verzoek af omdat niet duidelijk was hoe deze verklaringen relevant zouden zijn voor de beoordeling van het oogmerk van de verdachte.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het afwijzen van het horen van de eerste getuige gegrond is, omdat diens verklaring kan bijdragen aan het vaststellen van de subjectieve bedoeling van de verdachte. Het bezwaar tegen het horen van de tweede getuige wordt ongegrond verklaard, omdat de feiten omtrent het versturen van een sommatiebrief als vaststaand worden aangenomen en de verklaring van deze getuige geen aanvullende relevante informatie kan bieden.

De rechtbank beveelt dat de rechter-commissaris het horen van de eerste getuige moet verrichten en stelt een termijn voor het aanleveren van diens adresgegevens vast.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het horen van de eerste getuige wordt gegrond verklaard en het verzoek tot het horen van de tweede getuige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 13-223094-25
raadkamernummer : 25-030675
datum : 3 maart 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering van:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1987 in [geboorteplaats 1] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. J. Vaneerdewegh,
Marconilaan 13, 5612 HM Eindhoven,
hierna te noemen: de verdachte.

1.Feiten en procesgang

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij 1. in de periode van 17 december 2024 tot en met 12 februari 2025 persoonsgegevens van de advocaat [naam advocaat] heeft verspreid en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan doxing (artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht) en 2. in diezelfde periode de goede naam van [naam advocaat] heeft aangerand door berichten over [naam advocaat] zoals genoemd in de concepttenlastelegging, op sociale-mediakanalen te plaatsen en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan smaadschrift (artikel 261, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht).
Namens de verdachte heeft zijn raadsvrouw op 6 oktober 2025 de rechter-commissaris verzocht een onderzoekshandeling te verrichten, te weten het horen als getuige van
  • [getuige 1] , geboren op [geboortedag 2] 1958 in [geboorteplaats 2] en
  • [getuige 2] , geboren op [geboortedag 3] 1973 in [geboorteplaats 3] .
Het Openbaar Ministerie heeft op 17 oktober 2025 schriftelijke gereageerd op het verzoek en zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 14 november 2025 het verzoek integraal afgewezen.
Het bezwaarschrift is op 28 november 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 17 februari 2026 de (gemachtigde) raadsvrouw van de verdachte en de officier van justitie mr. N. Bakkenes in besloten raadkamer gehoord. De verdachte is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2.Beslissing van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat het horen als getuige van [getuige 1] en [getuige 2] redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige in de zaak te nemen beslissing.
De beslissing houdt voor zover van belang het volgende in.
Niet in geschil is de inhoud van de berichten die de verdachte op 17 december 2024, 7 februari 2025 en 12 februari 2025 op sociale-mediakanalen heeft geplaatst. De verdachte ontkent de strafwaardigheid van de berichten.
De raadsvrouw heeft verzocht om het horen van twee getuigen die niet voorkomen in het dossier. Dit betekent dat het verzoek zodanig moet zijn onderbouwd dat daaruit kan worden geconcludeerd dat het horen van de getuigen redelijkerwijs van betekenis is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
[getuige 1]
Volgens de raadsvrouw kan [getuige 1] verklaren dat de verdachte geen strafbare intenties had bij het plaatsen van de in de (concept)tenlastelegging genoemde berichten. Daarbij merkt zij op dat [getuige 1] heeft geweigerd om op verzoek van de verdachte een verklaring af te leggen. Met de officier van justitie is de rechter-commissaris van oordeel dat het verzoek niet voldoende is onderbouwd. Niet blijkt hoe en wanneer [getuige 1] op de hoogte is geraakt van de intenties van de verdachte, noch welke betrokkenheid [getuige 1] heeft gehad bij het plaatsen van de berichten. De enkele stelling dat de verdachte zijn intentie destijds met [getuige 1] heeft besproken is onvoldoende om het gestelde verdedigingsbelang te kunnen aannemen.
[getuige 2]
Volgens de raadsvrouw is het nodig om [getuige 2] als getuige te horen om de feitelijke context van en aanleiding voor het plaatsen van de berichten door verdachte duidelijk te maken, omdat zij degene is die de sommatiebrief van 15 november 2025 naar het adres van verdachte heeft verstuurd. Daarmee kan de verdachte onderbouwen dat hij geen strafbare intentie had voor de berichten. De rechter-commissaris ziet niet in hoe het horen als getuige van [getuige 2] van belang kan zijn voor de beantwoording van een van de vragen van 348 en 350 Sv. Als [getuige 2] de sommatiebrief van 15 november 2024 heeft verstuurd, is dat een vaststaand gegeven. Wat het horen als getuige van [getuige 2] daarnaast nog redelijkerwijs kan bijdragen, heeft de raadsvrouw niet duidelijk gemaakt.

3.Bezwaar

Het bezwaarschrift richt zich tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 14 november 2025, inhoudende de weigering de door verdachte gewenste onderzoekshandeling (het horen als getuige van [getuige 1] en [getuige 2] ) te verrichten en houdt (samengevat) het volgende in.
De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij de door hem geplaatste sociale-mediaberichten nimmer heeft geplaatst met het doel/oogmerk om [naam advocaat] vrees aan te jagen, dan wel ernstige overlast te veroorzaken of hem ernstig te hinderen in de uitoefening van zijn beroep. Evenmin heeft hij de berichten geplaatst met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, noch met het opzet om de eer of goede naam [naam advocaat] aan te randen.
Juist omdat bij zowel doxing als smaadschrift het oogmerk respectievelijk het opzet en het kennelijk doel van ruchtbaarheid centrale bestanddelen zijn, is de subjectieve bedoeling van de verdachte en de feitelijke aanleiding en context van de berichten rechtstreeks relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Het is van belang getuigen te laten horen die kunnen verklaren over intentie, aanleiding of context. De vraag of de verdachte handelde vanuit een veiligheidsmotief (na het lekken van een geheim woonadres en een concrete bedreiging) dan wel met opzet om de aangever te intimideren en zijn reputatie aan te tasten, kan slechts worden beoordeeld met kennis van de feitelijke aanleiding en de subjectieve bedoeling van de verdachte ten tijde van het plaatsen van de berichten. Getuigenverklaringen van zowel [getuige 1] als [getuige 2] zijn daarvoor van belang. Het belang van de verdediging kan met het horen van beide getuigen gediend worden, omdat de verdachte de onderbouwing van zijn standpunt daarmee kan concretiseren.
De verdachte heeft alvorens de verweten sociale-mediaberichten te hebben geplaatst, zijn intenties en het doel daarvan telefonisch aan [getuige 1] kenbaar gemaakt. [getuige 1] heeft de intenties en het doel daarvan van klager uitsluitend aangehoord en heeft bij de inhoud van de geplaatste verweten sociale-mediaberichten geen enkele rol vervuld. Daarmee is [getuige 1] , op gepaste afstand, ook in staat om als getuige een zo objectief mogelijke verklaring te kunnen afleggen.
[getuige 2] heeft een sommatiebrief van 15 november 2024 aan de verdachte gestuurd met vermelding van zijn geheime woonadres (welk woonadres, ten aanzien van derden, bij de Basisregistratie Personen als geheim geregistreerd staat). Het woonadres is, middels een afschrift van de aangehaalde sommatiebrief van [getuige 2] aan de verdachte, in handen gekomen van een derde (genaamd [naam] ), die de verdachte al eerder een onveilig gevoel heeft bezorgd en die hem op 15 mei 2025 in de rechtbank Amsterdam met de dood heeft bedreigd. Aangezien de verweten sociale-mediaberichten over de aangever als collega van [getuige 2] gaan en het gevoel van onveiligheid bij de verdachte (mede door het lekken van zijn woonadres) de aanleiding vormde voor de verweten sociale-mediaberichten, wenst de verdachte [getuige 2] te ondervragen over het lekken van de sommatiebrief.
In raadkamer heeft de raadsvrouw in aanvulling op het bezwaarschrift betoogd dat de verdediging verzoekt om het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , omdat hun verklaringen kunnen bijdragen aan de beantwoording van de kernvraag met welk oogmerk de verdachte handelde. Zij heeft (samengevat) het volgende aangevoerd.
[getuige 1]
Het gaat hier om een verzoek ex artikel 182 Sv Pro. De maatstaf is het verdedigingsbelang. De vraag is niet of het Openbaar Ministerie de verklaring overtuigend acht, maar of redelijkerwijs valt in te zien dat de verklaring kan bijdragen aan de beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 Sv. De kern van de zaak is het oogmerk. Niet of er berichten zijn geplaatst, maar met welk doel. De verdachte heeft voorafgaand aan elke post, op dezelfde dag of één dag daarvoor, zijn intentie met [getuige 1] besproken. [getuige 1] kan verklaren over wat de verdachte voorafgaand aan het plaatsen van de berichten als doel formuleerde, de context waarin de verdachte zijn voornemen besprak en de vraag of de verdachte destijds sprak in termen van het aanjagen van vrees of hinder, dan wel in termen van zelfbescherming of reactie op een concrete aanleiding. Dat raakt rechtstreeks aan de innerlijke bedoeling van de verdachte ten tijde van het handelen. Of die verklaring uiteindelijk doorslaggevend is, is aan de zittingsrechter. Maar zij is evident relevant voor de beoordeling van het oogmerk. Het Openbaar Ministerie stelt dat beslissend is of de verdachte ten tijde van de gedraging het vereiste oogmerk had. Dat is juist. Maar juist daarom is relevant wat de verdachte in diezelfde periode tegenover derden over zijn bedoeling heeft verklaard. Als het standpunt van het Openbaar Ministerie zou worden gevolgd, zou het horen van een getuige over de intentie van een verdachte in feite nooit mogelijk zijn. Juist bij een langere pleegperiode is het relevant om vast te stellen wat de overkoepelende intentie was. Het Openbaar Ministerie suggereert dat meerdere momenten automatisch op oogmerk wijzen. Dat is een bewijswaardering en geen afwijzingsgrond. Voor het noodzakelijkheidsbewustzijn moet ook worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust was van het vrijwel onvermijdelijke gevolg. Zijn intentie en motief zijn daarbij niet irrelevant, maar essentieel.
[getuige 2]
De verdediging stelt dat de berichten zijn geplaatst als gevolg van het door [getuige 2] delen van het geheime BRP-adres van de verdachte in civiele correspondentie, waarbij dit adres bij een derde terechtgekomen is. Op 15 mei 2025 heeft die derde in de gang van de rechtbank Amsterdam een doodsbedreiging jegens de verdachte geuit. Deze bedreiging is door twee derden waargenomen en door hen onder ede bij notariële verklaring vastgelegd. Het Openbaar Ministerie heeft in zijn schriftelijke reactie van 17 oktober 2025 erkend dat het geheime adres bij een derde is terechtgekomen. De aanleiding en context van gedragingen zijn rechtstreeks relevant voor de beoordeling van het oogmerk. Als de verdachte handelde vanuit een ervaren veiligheidsrisico of als reactie op het delen van zijn geheime woonadres met een derde, kan dat van betekenis zijn voor de vraag of sprake was van het specifieke oogmerk om vrees aan te jagen, dan wel van een andere intentie of motief, en daarmee voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De verdediging vraagt niet naar het door [getuige 2] gegeven juridisch advies of inhoud van haar cliëntbesprekingen, maar uitsluitend naar de feitelijke gang van zaken rond het delen van het geheime BRP-adres van de verdachte, de wijze waarop dat adres is verkregen en verstrekt aan een derde, en de context waarin dit is gebeurd. Dat betreffen feitelijke omstandigheden. Of de getuige zich op enig moment op verschoningsrecht beroept, is aan haar. Dat kan geen grond zijn om het verhoor bij voorbaat te weigeren. Het Openbaar Ministerie betoogt feitelijk dat de verklaringen het oogmerk niet uitsluiten. Maar dat is geen criterium onder artikel 182 Sv Pro. De vraag is of de verklaringen relevant kunnen zijn. Dat zijn zij, nu zij rechtstreeks raken aan de intentie en context: de kern van de tenlastelegging.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ongegrond is. Zij heeft daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd.
Het gaat niet om het op één moment plaatsen van een bericht over [naam advocaat] . Het gaat om het over een periode van maanden veelvuldig plaatsen van berichten over [naam advocaat] . Niet op één (sociale media) kanaal, maar op een veelheid van (sociale media) kanalen. De verdediging heeft niet onderbouwd hoe de opgegeven getuigen kunnen bijdragen aan enig in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vraag. Zij heeft niet aangegeven over welke post van de verdachte, van welke datum en via welk sociale-mediakanaal de respectievelijke getuigen iets kunnen verklaren en hoe dit relevant is. De genoemde getuigen kunnen geen relevante verklaring afleggen over de gradatie van opzet bij de verdachte ten tijde van het concipiëren en posten over [naam advocaat] . Het is immers niet bij één enkele post gebleven, met daarop een golf aan negatieve/beledigende/bedreigende reacties, maar ook nadien is keer op keer door de verdachte over [naam advocaat] gepost. De verdediging noemt in haar bezwaarschrift zelf al dat het onder andere gaat om de subjectieve bedoeling van de verdachte ten tijde van het plaatsen van de berichten. De getuigen kunnen niet in het hoofd van verdachte kijken en er wordt geenszins gesteld dat de genoemde getuigen aanwezig zijn geweest bij de verdachte op de (cruciale) momenten waarop verdachte de posts concipieerde en publiceerde. De getuigen kunnen enkel verklaren over hetgeen de verdachte tegen hen zou hebben gezegd over zijn intentie of motieven. Iets wat de verdachte zelf ook kan verklaren. Zo stelt ook de verdediging dat getuige [getuige 1] enkel kan verklaren over wat de verdachte telefonisch aan hem heeft medegedeeld over zijn intentie of motief. Niet valt in te zien hoe dit bijdraagt aan het bewijs nu alles bij dezelfde bron, te weten de verdachte, vandaan komt en hij daarover dus zelf kan verklaren.
Met betrekking tot het verzoek om [getuige 2] te horen als getuige wordt herhaald dat de feitelijke gang van zaken in de civiele procedure waarover zij zou kunnen verklaren (voor zover die al relevant zou zijn voor deze strafzaak) geenszins wordt betwist. Niet wordt onderbouwd hoe het ‘lekken van de sommatiebrief’ door [getuige 2] relevant is in deze strafzaak, laat staan dat de wijze waarop dit is gegaan relevant is. Zoals gezegd, het Openbaar Ministerie betwist niet dat het adres van de verdachte in het kader van een civiele procedure in handen van derden (die niets van doen hebben met onderhavige strafzaak en hierbij ook geen partij zijn) terechtgekomen is. Nog altijd is niet onderbouwd hoe de verklaring van [getuige 2] zou kunnen bijdragen aan enige in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Wat betreft de verwijzing naar een incident van 15 mei 2025, merkt het Openbaar Ministerie op dat dit een incident betreft dat heeft plaatsgevonden na de ten laste gelegde periode en dus ook geenszins relevant is voor het vast te stellen opzet op de ten laste gelegde gedragingen.

5.Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat de rechter-commissaris een verzoek tot het verrichten van een onderzoekshandeling, zoals in dit geval het horen van getuigen, kan weigeren als de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank moeten beoordelen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan kan standhouden.
[getuige 1]
De rechter-commissaris heeft het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen afgewezen omdat – kort gezegd – niet blijkt hoe en wanneer [getuige 1] op de hoogte is geraakt van de intenties van de verdachte, noch welke betrokkenheid [getuige 1] heeft gehad bij het plaatsen van de berichten.
De raadsvrouw heeft in raadkamer gesteld dat de verdachte voorafgaand aan elke post – op dezelfde dag of één dag daarvoor – zijn intentie met [getuige 1] heeft besproken en dat [getuige 1] tijdens die gesprekken heeft aangegeven dat de desbetreffende posts niet uit zijn naam mochten worden geplaatst. Hij kan – aldus de verdediging – verklaren over wat de verdachte voorafgaand aan het plaatsen van de berichten als doel formuleerde, over de context waarin de verdachte zijn voornemen besprak en over de vraag of de verdachte destijds sprak in termen van het aanjagen van vrees of hinder, dan wel in termen van zelfbescherming of reactie op een concrete aanleiding.
De rechtbank is, gelet op die stellingname, van oordeel dat de in raadkamer gegeven aanvullende onderbouwing van het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen voldoende is en inzicht geeft in welk opzicht inwilliging van het verzoek zou kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in de zaak tegen de verdachte. De verdachte heeft dan ook een belang om [getuige 1] als getuige te horen. Het bezwaar van de verdachte is in zoverre gegrond.
[getuige 2]
De rechter-commissaris heeft het verzoek om [getuige 2] als getuige te horen afgewezen omdat – kort gezegd – zij niet inziet hoe het horen als getuige van [getuige 2] van belang kan zijn voor de beantwoording van een van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Als [getuige 2] de sommatiebrief van 15 november 2024 heeft verstuurd, is dat een vaststaand gegeven. Wat het horen als getuige van [getuige 2] daarnaast nog redelijkerwijs kan bijdragen, heeft de raadsvrouw niet duidelijk gemaakt, aldus de rechter-commissaris.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat het Openbaar Ministerie de feitelijke gang van zaken in de civiele procedure waarover [getuige 2] zou kunnen verklaren en dat het adres van de verdachte in het kader van een civiele procedure in handen van derden terechtgekomen is, niet betwist.
De rechtbank is van oordeel dat de onderbouwing van het verzoek om [getuige 2] als getuige te horen onvoldoende is en geen inzicht geeft in welk opzicht inwilliging van het verzoek zou kunnen bijdragen aan de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv in de zaak tegen de verdachte aangezien het Openbaar Ministerie de feitelijke gang van zaken rond het versturen van de sommatiebrief van 15 november 2024 niet betwist en dus als vaststaand kan worden aangenomen. De verdachte wordt dan ook niet in zijn verdediging geschaad als het horen als getuige van [getuige 2] achterwege blijft. Het bezwaar van de verdachte is ongegrond.
De beslissing
De rechtbank
  • verklaart het bezwaar ten aanzien van de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot het horen als getuige van [getuige 1] gegrond,
  • bepaalt dat de rechter-commissaris de volgende onderzoekshandelingen moet verrichten: het horen als getuige van [getuige 1] , geboren op [geboortedag 2] 1958 in [geboorteplaats 2] ;
  • bepaalt dat de verdediging binnen twee weken na ontvangst van deze beslissing de adresgegevens van de getuige aan het kabinet van de rechter-commissaris doorgeeft;
  • verklaart het bezwaar voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is op 3 maart 2026 in raadkamer gegeven door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. J. Thomas, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.