ECLI:NL:RBAMS:2026:330

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
AMS 24/4033 T
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 SubsidieverordeningArt. 3:9 AwbArt. 3:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt over gebreken in subsidieaanvragen Joodse erfpachttegoeden en draagt herstel op

De rechtbank Amsterdam heeft op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de gedeeltelijke afwijzing van een subsidieaanvraag van Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden. De stichting had een subsidie van € 844.844,- aangevraagd voor diverse activiteiten, waaronder modernisering van het curriculum en renovatie van het gebouw. De gemeenteraad had aanvankelijk een lager bedrag toegekend en na bezwaar en beroep volgden meerdere besluiten en heroverwegingen.

De rechtbank constateerde dat de gemeenteraad de stichting niet opnieuw heeft gehoord over een nieuw advies, terwijl dit uit zorgvuldigheid noodzakelijk was. Ook was het advies van de adviescommissie onvoldoende gemotiveerd, met name over de afwijzing van subsidie voor renovatieactiviteiten en de berekening van het subsidiebedrag, waarbij een forse aftrek van eigen inkomsten werd toegepast zonder voldoende onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om uitstel van de hoorzitting redelijk was en dat de gemeenteraad onzorgvuldig heeft gehandeld door dit niet toe te staan.

De rechtbank stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om binnen acht weken de gebreken te herstellen door een nadere motivering of een nieuwe beslissing op bezwaar. De verdere procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak. De stichting heeft in beroep alsnog haar standpunten kunnen inbrengen, waardoor het gebrek in de hoorplicht wordt gepasseerd. De rechtbank benadrukt dat de berekeningsmethode van het subsidiebedrag consequent moet worden toegepast om een gelijk speelveld te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de gemeenteraad gebreken heeft gemaakt in de subsidieprocedure en draagt op deze binnen acht weken te herstellen, met aanhouding van verdere beslissingen tot de einduitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4033 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

Stichting Joodse Kindergemeenschap Cheider, te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: A.A. Loonstein ),
en

de gemeenteraad van Amsterdam

(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. R. Nomden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eiseres om subsidie op grond van de Subsidieverordening Joodse erfpachttegoeden (de Subsidieverordening). Eiseres vindt dat zij recht heeft op een hogere subsidie. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze tussenuitspraak [1] tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat. De rechtbank stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om die te herstellen binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. De gemeenteraad heeft besloten dat de in de Tweede Wereldoorlog ten onrechte opgelegde erfpachtgelden en nadien opgelegde boetes aan Joodse Amsterdammers collectief worden vergoed via Joodse instellingen. Dat heeft geleid tot het beschikbaar stellen van € 10,8 miljoen aan subsidie voor Joodse organisaties. De Subsidieverordening is van toepassing op dit beschikbaar gestelde budget. Het doel van deze verordening is om activiteiten ten behoeve van met name de Amsterdams Joodse gemeenschap te subsidiëren. [2]
2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een eenmalige subsidie ter hoogte van € 844.844,-. De aanvraag heeft betrekking op de modernisering en implementatie van het curriculum van Joodse vakken, het bijscholen van godsdienstleraren, de hervorming van het Joodse onderwijs, het aantrekken van een veranderingsmanager, een nieuwe website, renovatie en verduurzaming van het gebouw van eiseres en een anti-pestprogramma.
2.2.
De gemeenteraad heeft de subsidie met het besluit van 12 december 2019 verleend tot een bedrag van € 187.200,-, onder verwijzing naar een advies van de adviescommissie. Met een beslissing op bezwaar van 10 februari 2021 heeft de gemeenteraad het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres is hiertegen in beroep gegaan. De rechtbank heeft het beroep van eiseres met de uitspraak van 21 mei 2024 [3] gegrond verklaard, omdat de gevolgde adviesprocedure onvoldoende waarborgen bevatte om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden.
2.4.
Op 17 juli 2024 heeft eiseres een beroep niet-tijdig beslissen ingesteld. De rechtbank heeft buiten zitting op 14 oktober 2024 het beroep gegrond verklaard en de gemeenteraad opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, onder oplegging van een dwangsom voor elke dag dat de gemeenteraad die termijn overschrijdt. De gemeenteraad is hiertegen in verzet gegaan, omdat de gestelde termijn volgens de gemeenteraad niet haalbaar was. Dit verzet is op een zitting behandeld. De rechtbank heeft het verzet op 24 april 2025 gegrond verklaard [4] , waardoor de buiten zitting uitspraak is komen te vervallen.
2.5.
In de tussentijd heeft de gemeenteraad met een nieuwe beslissing op bezwaar van 11 december 2024 (het bestreden besluit I) het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en aan eiseres meer subsidie toegekend, namelijk € 277.987,-. De gemeenteraad heeft hierbij verwezen naar een advies van een nieuwe adviescommissie.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. De gemeenteraad heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
Op 25 juli 2025 heeft de gemeenteraad het bestreden besluit I gewijzigd met een nieuw besluit, hierna: het bestreden besluit II. Vanwege een vergissing was een te laag bedrag aan subsidie toegekend. Volgens de gemeenteraad heeft eiseres recht op € 282.987,-. Ook heeft de gemeenteraad een bedrag aan wettelijke rente van € 14.954,- toegekend en de kosten van de bezwaarfase vergoed. Het bestreden besluit II maakt van rechtswege ook onderdeel uit van deze procedure. [5]
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 gelijktijdig met het beroep met zaaknummer AMS 24/4032 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam bestuurder] (bestuurder van eiseres en Stichting Jeshive Amsterdam), R. Loonstein (voormalig bestuurder van Jeshive), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de gemeenteraad.

Beoordeling door de rechtbank van de bestreden besluiten

Heeft eiseres voldoende gelegenheid gehad om haar standpunt naar voren te brengen?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar procesrechten zijn geschonden. Zij is namelijk onvoldoende in staat gesteld om op het nieuw uitgebrachte conceptadvies te reageren. Tussen het toesturen van het conceptadvies op vrijdag 22 november 2024 om 16:17 uur en de hoorzitting die gepland stond op 28 november 2024 om 09:30 uur zaten slechts zes dagen, waarvan er twee in het weekend vielen. De gemachtigde van eiseres heeft vanwege zijn afwezigheid in december 2024 om uitstel tot januari 2025 verzocht, maar dit wilde de gemeenteraad alleen toestaan als eiseres afzag van dwangsommen die verbeurd zouden worden door de vertraging. Eiseres is hier niet mee akkoord gegaan en zij merkt deze handelswijze aan als juridische chantage.
3.1.
De gemeenteraad wijst erop dat de gemachtigde van eiseres bij het verzoek om uitstel heeft aangegeven dat hij pas in januari 2025 beschikbaar zou zijn voor een gesprek. Dat zou betekenen dat de eerstvolgende mogelijkheid voor besluitvorming in de gemeenteraad op zijn vroegst in februari 2025 zou zijn. De gemeenteraad vond het daarom niet gepast dat over de verzochte uitstelperiode dwangsommen worden gevorderd en heeft daarom – nu eiseres niet wilde afzien van haar aanspraak op dwangsommen – besloten niet akkoord te gaan met het door eiseres verzochte uitstel van de hoorzitting.
3.2.
Uit vaste jurisprudentie [6] blijkt dat in artikel 7:2 van Pro de Awb geen algemene verplichting is opgenomen voor een bestuursorgaan om een belanghebbende opnieuw te horen bij het nogmaals nemen van een besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van de bestuursrechter. Dit neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om een belanghebbende vóór het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen. Opnieuw horen kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn bij nieuwe feiten en omstandigheden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, zoals ook bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Awb.
3.2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het in deze situatie noodzakelijk was om eiseres opnieuw te horen. De nieuwe beslissing op bezwaar zou immers gebaseerd worden op een geheel nieuw advies van andere adviseurs. Dit nieuwe advies was voor de nieuwe beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang.
3.2.2.
De rechtbank overweegt verder dat een redelijk verzoek van een belanghebbende om uitstel van een hoorzitting in de regel moet worden ingewilligd. Het bestuursorgaan wijst een dergelijk verzoek alleen af als zwaarder wegende, bij de behandeling van de zaak betrokken belangen daaraan in de weg staan. [7]
3.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek om uitstel redelijk was en dat dit verzoek ingewilligd had moeten worden. Eiseres heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat een voorbereidingstijd van drie volledige werkdagen te kort was. Dat het advies, zoals de gemeenteraad stelt, met drie pagina’s een beperkte omvang heeft, laat onverlet dat het advies moet worden gezien in de context van een omvangrijk dossier. Daarnaast weegt het belang van de gemeenteraad om het verbeuren van rechterlijke dwangsommen te voorkomen, ook niet op tegen het belang voor eiseres om te worden gehoord. Het doel van rechterlijke dwangsommen is om een bestuursorgaan te bewegen tijdig te beslissen. Sinds de uitspraak van de rechtbank op 21 mei 2024 waren op het moment van het verzoek om uitstel van de hoorzitting al zes maanden verstreken. Dat dwangsommen zouden worden verbeurd, was dus voornamelijk aan de gemeenteraad zelf te wijten. Daarbij zou de langere behandelduur na inwilliging van het verzoek om uitstel mede het gevolg zijn van de beperkte vergaderdata van de gemeenteraad. In het licht van al deze omstandigheden is het niet redelijk dat de gemeenteraad het verzoek om uitstel slechts wilde inwilligen als eiseres zou afzien van de rechterlijke dwangsommen. Dat de gemachtigde van eiseres indertijd heeft aangegeven dat hij pas weer in januari 2025 beschikbaar zou zijn, maakt het voorgaande niet anders nu er geen grond is om te oordelen dat het verzoek van de gemachtigde van eiseres om de hoorzitting vanwege zijn afwezigheid in december 2024 uit te stellen tot in januari 2025 onredelijk is.
3.2.4.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de gemeenteraad ten onrechte eiseres niet heeft gehoord. Het bestreden besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en bevat een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb dit gebrek te passeren. Eiseres heeft in beroep alsnog haar standpunten over het nieuwe advies naar voren kunnen brengen en aannemelijk is dat zij niet is benadeeld, omdat zij ten onrechte niet opnieuw is gehoord.
Is het advies van de adviescommissie zorgvuldig?
4. Eiseres voert aan dat de gemeenteraad niet aan zijn vergewisplicht [8] heeft voldaan. Eiseres stelt dat het advies voor wat betreft de activiteit ‘renovatie en verbetering huisvesting’ geen stand kan houden. De adviescommissie gaat er namelijk ten onrechte van uit dat deze niet past onder de sector ‘educatie’ en daarom niet subsidiabel is. Eiseres stelt dat deze activiteit wel degelijk onder ‘educatie’ valt, aangezien eiseres een school is.
Verder voert eiseres aan dat de gemeenteraad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Eiseres verwijst naar negen andere aanvragers die wel een subsidie hebben gekregen voor vergelijkbare projecten. Van de subsidiepot is 30% naar dit soort projecten gegaan.
4.1.
De gemeenteraad mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Indien eiseres concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag de gemeenteraad niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [9]
4.1.1.
In het advies is vermeld dat de activiteit "renovatie en verbetering huisvesting" niet past onder de sector "Educatie" en daarmee niet voldoet aan het doel van de Subsidieverordening. De activiteiten zijn daarom niet subsidiabel. Naar het oordeel van de rechtbank had de adviescommissie deze conclusie nader moeten toelichten. Nu die toelichting achterwege is gelaten had de gemeenteraad het advies in zoverre niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. De gemeenteraad heeft dit niet onderkend.
4.1.2.
De gemeenteraad heeft pas in haar verweerschrift nader toegelicht dat in de Subsidieverordening is geregeld dat een aangevraagde subsidie niet mag dienen als vervanging van de reguliere inkomensstroom van de aanvrager. [10] De gemeente bekostigt de huisvesting van de scholen op grond van de Verordening onderwijshuisvesting. Volgens de gemeenteraad is er dus al een andere reguliere inkomensstroom die de huisvestingskosten dekt. De rechtbank ziet geen grond om deze toelichting onjuist te achten. Op grond van deze toelichting volgt de rechtbank alsnog het standpunt van de gemeenteraad dat de aangevraagde activiteit niet onder de Subsidieverordening valt. De rechtbank ziet daarom aanleiding het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres niet is benadeeld door dit gebrek.
4.1.3.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan eiseres niet baten. De gemeenteraad heeft erop gewezen dat de aanvragers waar eiseres op doelt geen onderwijsinstellingen zijn. De rechtbank ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld.
4.1.4.
De gemeenteraad mocht dit onderdeel van de aanvraag dan ook afwijzen.
Is het subsidiebedrag juist berekend?
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het subsidiebedrag verkeerd is berekend. De gemeenteraad heeft de eigen inkomsten van eiseres ter hoogte van € 440.000,- van het subsidiabele bedrag van € 722.987,- afgetrokken, maar daar biedt het advies geen grondslag voor. Als er al een eigen bijdrage afgetrokken had moeten worden, dan had dit pro rato moeten worden afgetrokken, aangezien de eigen bijdrage op alle projecten betrekking had en niet alleen op de projecten die nu subsidiabel zijn geacht. Tot slot betoogt eiseres dat deze rekenmethode niet bij de andere aanvragen is toegepast.
5.1.
De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het redelijk is om de eigen inkomsten in mindering te brengen op het subsidiebedrag. Het subsidiebedrag beoogt slechts het tekort dat er in het activiteitenplan is voor de subsidiabele activiteiten ‘op te lossen’. Het tekort voor het uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend is een optelsom van kosten van de subsidiabele activiteiten minus de inkomsten. De gemeenteraad wijst er ook op dat de eigen bijdragen niet afhankelijk gesteld zijn van voorwaarden of gerelateerd zijn aan bepaalde activiteiten. Ook als het juist is dat bij de andere aanvragen de eigen inkomsten niet van het subsidiabele bedrag zijn afgetrokken, dan geldt dat het redelijk is om dit nu wel te doen omdat dit de juiste manier is om naar subsidie te kijken. In dit geval is een nieuw besluit genomen en wat in eerdere subsidieaanvragen is beslist is daarbij niet relevant.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de berekening van het subsidiebedrag onvoldoende is gemotiveerd. In het advies staat dat voor de subsidiabele activiteiten het door eiseres begrote bedrag van € 277.987,- netto passend is. De rechtbank begrijpt, zoals de gemeenteraad heeft toegelicht, dat de adviescommissie is uitgegaan van een subsidiabel bedrag van € 717.987,- en daar € 440.000 heeft afgetrokken als eigen inkomsten. De rechtbank overweegt dat de adviescommissie heeft benoemd dat het belangrijk is om te streven naar continuïteit en te voorkomen dat er een breuk ontstaat. Volgens de adviescommissie zal, indien de aangevraagde subsidie zou worden geweigerd, de financiële kwetsbaarheid alleen maar verder toenemen en zullen gevolgen voor de continuïteit van de huidige activiteiten niet zijn uit te sluiten. De rechtbank overweegt dat het in mindering brengen van de eigen bijdrage van € 440.000,- een forse aftrek is en dat dit zonder nadere motivering over onder meer de term ‘netto’ en de vraag hoe dit in andere aanvragen is berekend, niet goed valt te rijmen met het standpunt van de adviescommissie dat het streven naar continuïteit en het voorkomen van een breuk belangrijk is. Weliswaar vindt de gemeenteraad dat het subsidiebedrag alleen bedoeld is om tekorten op te lossen, maar niet inzichtelijk is hoe een aftrek van € 440.000,- zich verhoudt tot dit standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank ook dat dit ook consequenties voor de andere activiteiten kan hebben die op de begroting van eiseres staan, maar niet subsidiabel zijn geacht.
5.3 Daar komt nog bij dat op de zitting geen duidelijkheid is gekomen of voor alle aanvragers dezelfde berekeningsmethode is gehanteerd. De gemeenteraad heeft gesteld dat, voor zover de eerdere methode voor alle aanvragers onjuist was, dit in het geval van eiseres in het kader van de volledige heroverweging hersteld moest worden. De rechtbank kan dit niet volgen. De berekeningsmethode moet om een gelijk speelveld te behouden consequent worden toegepast. De heroverweging kan alleen zien op de waardering van de aanvraag en kan niet leiden tot de toepassing van een andere methode van berekenen van het uiteindelijke subsidiebedrag. Immers is voor alle aanvragers dezelfde subsidieverordening van toepassing en is door de gemeenteraad niet naar voren gebracht dat uit de Subsidieverordening volgt dat de eigen inkomsten altijd moeten worden afgetrokken van het subsidiabel geachte bedrag. Nu de Subsidieverordening dus ook in deze heroverweging op eiseres van toepassing is, ziet de rechtbank niet waarom een andere berekenwijze zou moeten worden toegepast dan op grond van de Subsidieverordening bij andere aanvragers is gedaan. Voor zover in het geval van eiseres een andere methode is toegepast dan de eerdere methode voor het berekenen van het subsidiebedrag, bevatten de bestreden besluiten dus een gebrek.

Conclusie en gevolgen

6. Zoals hiervoor in 3.2.4, 4.1.1., 4.1.2 5.2 en 5.3 is overwogen bevatten de bestreden besluiten gebreken.
6.1.
Ten aanzien van de schending van de hoorplicht, oordeelt de rechtbank dat de gemeenteraad eiseres niet opnieuw hoeft te horen. Eiseres heeft immers in beroep alsnog haar standpunten naar voren kunnen brengen die zij anders bij de hoorzitting naar voren had kunnen brengen. Een nadere motivering vanwege het in 4.1.2 vastgestelde motiveringsgebrek kan, gelet op de toelichting van de gemeenteraad zoals weergegeven in 4.1.2, achterwege blijven.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad het gebrek in de motivering van de berekening van het subsidiebedrag wél moet herstellen. De rechtbank stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen. [11] Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van de nu bestreden besluiten I en II. Om het gebrek te herstellen moet van de adviescommissie een nadere motivering van de berekening worden gevraagd, waarbij ingegaan moet worden op de discussiepunten die in 5.2 en 5.3 zijn beschreven over de aftrek van de eigen inkomsten. Als in de nadere motivering nog steeds geconcludeerd wordt dat er wel een grondslag bestaat de eigen inkomsten op het subsidiebedrag in mindering te brengen, dient eveneens te worden ingegaan op de subsidiair door eiseres aangegeven opties, zoals een pro rata verrekening van de eigen inkomsten over de wel en niet subsidiabel geachte activiteiten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de gemeenteraad de gebreken kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
6.3.
De gemeenteraad moet [12] zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Na het toesturen van de herstelpoging, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken hierop te reageren. In beginsel, ook in de situatie dat de gemeenteraad de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
6.4.
Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.
6.5.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over het beroep niet-tijdig, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt de gemeenteraad op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt de gemeenteraad in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, voorzitter, en mr. J.C.S. van Limburg Stirum en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Volgens artikel 2, eerste lid, van de Subsidieverordening.
4.Zaaknummer AMS 24/4033 V.
5.Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2413.
7.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739.
8.Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor een andere adviseur.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.
10.Zie artikel 13, tweede lid, aanhef en onder b, van de Subsidieverordening.
11.Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.
12.Op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb.