Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.Standpunten van partijen
3.De beoordeling
4.De beslissing
[verweerder]voornoemd in staat van faillissement;
en tot curator mr. W.P.Y. Overgoor, 1070 AD Amsterdam, postbus 75181;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 en 17 maart 2026 het verzoek van de Belastingdienst tot faillietverklaring van een besloten vennootschap. De Belastingdienst stelde dat er onbetaalde aanslagen loonheffing, omzetbelasting en vennootschapsbelasting waren van €439.668,00 en dat uit de jaarstukken van 2021 bleek dat de vennootschap ruim 11 miljoen euro aan schulden had. De vennootschap overhandigde een jaarrekening 2023 waarin zij stelde dat de schulden deels waren betaald, verrekend of verjaard.
De rechtbank oordeelde dat de door de vennootschap overgelegde jaarrekening onvoldoende onderbouwing bood voor het ontbreken van schulden, met name vanwege de ongebruikelijke verjaringstermijn van één jaar voor intercompany vorderingen en het ontbreken van betalingsbewijzen. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de langlopende schulden waren voldaan. De Belastingdienst had bovendien een opeisbare vordering en een ACM-boete, waarvan de boete niet als steunvordering werd aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat de vennootschap onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet meer in staat was haar schulden te voldoen en dat zij feitelijk was opgehouden te betalen. Gezien de omvang van de schulden en het ontbreken van voldoende actief, werd het faillissementsverzoek toegewezen. De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en curator en gaf de curator de bevoegdheid tot het openen van aan de gefailleerde gerichte post.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de vennootschap failliet wegens onbetaalde belastingschulden en onvoldoende bewijs dat schulden zijn voldaan of verjaard.