Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3317

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
11834981
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:274 lid 1 sub c BWArt. 7:272 lid 1 en 2 BWArt. 6:119 BWArtikel 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik door verhuurder

De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst van een woning te Amsterdam. Verhuurder vordert primair dat de huurovereenkomst wordt beëindigd wegens dringend eigen gebruik, omdat hij de woning nodig heeft om met zijn minderjarige dochter te wonen. De huurder betwist dit en stelt dat verhuurder de woning wil verkopen en zelf over voldoende woonruimte beschikt.

De kantonrechter oordeelt dat verhuurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft. De dochter van verhuurder kan niet meer bij haar moeder wonen, de relatie tussen verhuurder en zijn partner is beëindigd, en verhuurder kan de gezamenlijke woning niet verkopen of uitkopen vanwege financiële beperkingen. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verhuurder zwaarder weegt dan dat van huurder, mede omdat huurder feitelijk niet in de woning woont en over andere passende woonruimte beschikt.

De kantonrechter wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toe en veroordeelt huurder tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening. Tevens wordt huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De vordering tot aanhouding van de zitting wegens ziekte van de gemachtigde van huurder wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt beëindigd wegens dringend eigen gebruik en huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11834981 \ CV EXPL 25-11056
Vonnis van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. Sehdou,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.A.J. Sturhoofd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 augustus 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het instructievonnis van 28 oktober 2025;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2025. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Hoewel behoorlijk opgeroepen, zijn [gedaagde] noch zijn gemachtigde verschenen op de zitting. De griffier heeft getracht telefonisch contact te krijgen met mr. Sturhoofd. De griffier heeft een medewerker van het kantoor van mr. Sturhoofd gesproken en die heeft te kennen gegeven contact met mr. Sturhoofd op te nemen. De kantonrechter heeft mr. Sehdou gevraagd of zij een mobiel nummer van mr. Sturhoofd heeft, maar die had zij niet. De kantonrechter heeft vervolgens de oproep gecheckt en geconstateerd dat die juist is verzonden. De kantonrechter is toen de mondelinge behandeling gestart. [eiser] heeft op de zitting zijn standpunt nader toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Deze zijn toegevoegd aan het dossier.
1.3.
Tijdens de zitting heeft mr. Stufhoofd contact opgenomen met de griffie van de rechtbank en te kennen gegeven dat hij een dubbele longontsteking heeft. De kantonrechter heeft ter zitting beslist om de behandeling van de zaak niet aan te houden. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat vaststaat dat mr. Sturhoofd de oproep voor de zitting heeft ontvangen, maar dat hij – of iemand namens hem – de rechtbank niet voorafgaand aan de zitting heeft laten weten dat hij vanwege ziekte niet bij de zitting aanwezig kan zijn. Evenmin heeft hij zijn cliënt of een vervanger naar de zitting gestuurd. Verder heeft mr. Sturhoofd in zijn bericht aan de griffie geen uitdrukkelijk verzoek tot aanhouding gedaan. Tot slot heeft mr. Sehdou gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen aanhouding van de behandeling van de zaak. De kantonrechter heeft vervolgens een datum voor vonnis bepaald.
1.4.
Na de zitting heeft mr. Sturhoofd per mail alsnog een verzoek tot aanhouding van de zaak gedaan, althans voor een voortzetting van de mondelinge behandeling. De kantonrechter ziet echter geen aanleiding op de ter zitting genomen beslissing terug te komen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is eigenaar van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning).
2.2.
[eiser] verhuurt met ingang van 1 december 2014 aan [gedaagde] de woning. De huur bedraagt € 1.100,00 per maand (inclusief nutsvoorzieningen en gemeentelijke belastingen) en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Onderverhuur van de woning is toegestaan na toestemming van [eiser] voor de voorgestelde onderhuurder.
2.3.
[eiser] heeft in 2023 met zijn toenmalige partner mevrouw [naam] (hierna: [naam] ) een woning gekocht in [woonplaats 1] . Omdat [eiser] zijn aandeel voor de aanschaf van deze woning niet kon inbrengen, heeft [naam] het aandeel aan [eiser] geleend en hebben zij afgesproken dat [naam] een vordering van € 133.500,00 heeft op [eiser] . Deze schuld is opeisbaar indien de woning in [woonplaats 1] wordt verkocht, de samenwoning eindigt of als een van de partijen zijn of haar eigendomsdeel over aan de ander overdraagt. [eiser] en [naam] hebben deze afspraken in een schuldbekentenis vastgelegd.
2.4.
[eiser] heeft een minderjarige dochter die sinds medio 2023 bij hem en [naam] inwoont. Wegens omstandigheden kan zijn dochter niet meer bij haar moeder wonen.
2.5.
In december 2024 is de relatie tussen [eiser] en [naam] geëindigd. Zij wonen tot op heden nog samen in de woning in [woonplaats 1] .
2.6.
[eiser] heeft per brief van 20 februari 2025 via zijn gemachtigde de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd wegens dringend eigen gebruik. [gedaagde] heeft hier niet mee ingestemd.
2.7.
[eiser] is een kortgedingprocedure bij de kantonrechter jegens [gedaagde] gestart waarin hij – kort gezegd – heeft gevorderd dat [gedaagde] de woning moet ontruimen. De kantonrechter heeft bij vonnis van 3 juni 2025 (zaaknummer 11651480 \ KK EXPL 25-235) de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat en na eisvermindering op zitting – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I. het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst is geëindigd wegens dringend eigen gebruik;
II. [gedaagde] veroordeelt de woning te ontruimen;
subsidiair:
III. het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst is geëindigd wegens slecht huurderschap;
IV. [gedaagde] veroordeelt de woning te ontruimen
meer subsidiair:
V. de huurovereenkomst ontbindt;
VI. [gedaagde] veroordeelt de woning te ontruimen;
primair en (meer) subsidiair:
VII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering die verband houdt met artikel 6:104 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) laten vallen.
3.3.
[eiser] legt primair aan zijn vordering ten grondslag dat hij de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft. Subsidiair legt [eiser] wanprestatie van [gedaagde] ten grondslag aan zijn vorderingen. Volgens [eiser] heeft hij geen toestemming gegeven voor het bedrijfsmatig exploiteren van de woning. Hierdoor heeft [gedaagde] zich niet gehouden aan de gemaakte afspraken voor de onderhuur en dient daarom de huurovereenkomst te worden beëindigd, aldus steeds [eiser] .
3.4.
[gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat [eiser] de woning dringend zelf nodig heeft en stelt dat [eiser] in werkelijkheid van plan is de woning te verkopen. Ook is [eiser] volgens [gedaagde] financieel in staat zelf een woning te huren en heeft [eiser] verder geen binding met [plaats 1] . [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zijn belang bij behoud van de woning zwaarder moet wegen, omdat hij, na het beëindigen van zijn relatie, de woning nodig heeft voor zichzelf en zijn kinderen. Tot slot betwist [gedaagde] dat hij in strijd met de huurovereenkomst heeft gehandeld.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] baseert zijn vorderingen primair op de grond dat hij de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft. De kantonrechter volgt hem daarin en overweegt daartoe het volgende.
Juridisch kader
4.2.
Artikel 7:274 lid 1 aanhef Pro en sub c BW bepaalt – kort weergegeven – dat een huurovereenkomst kan worden beëindigd indien een verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, dat van hem, de belangen van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder andere passende woonruimte kan verkrijgen. Voor een geslaagd beroep op dit artikel moet [eiser] dus in de eerste plaats aannemelijk maken dat hij het gehuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Nadat [eiser] dit aannemelijk heeft gemaakt, komt de kantonrechter toe aan de belangenafweging. De laatste stap is de vraag of [gedaagde] andere passende woonruimte kan verkrijgen.
Dringend eigen gebruik
4.3.
[eiser] heeft aangevoerd dat hij de woning dringend nodig heeft zodat hij daar met zijn minderjarige dochter kan wonen. Zijn dochter verblijft sinds medio 2023 bij hem, omdat zij vanwege huiselijke problemen niet meer bij haar moeder kan verblijven. De woonsituatie met de dochter van [eiser] heeft bij [naam] tot psychische klachten geleid, waardoor zij zelfs opgenomen is geweest in een inrichting. Door spanningen is de relatie met [naam] in december 2024 geëindigd. [eiser] woont echter nog noodgedwongen samen met [naam] in de gezamenlijke woning in [woonplaats 1] . Dit komt omdat de schuld van [eiser] aan [naam] opeisbaar wordt als de samenwoning eindigt of de gezamenlijke woning wordt verkocht. [eiser] heeft echter niet de middelen om [naam] te kunnen uitkopen. Als [naam] hem zou uitkopen of als de gezamenlijke woning aan een derde zou worden verkocht, dan zou dit [eiser] vanwege verrekening met de schuld nauwelijks geld opleveren. [eiser] heeft dus niet de middelen om een andere woning te kopen. Een andere woning huren is volgens [eiser] evenmin realistisch, omdat hij in dat geval te maken zou krijgen met dubbele woonlasten, hetgeen niet financieel haalbaar is. Terugkeren naar de woning is daarom noodzakelijk om niet dakloos te raken, aldus steeds [eiser] .
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het bovenstaande [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft voor eigen gebruik. [eiser] heeft gemotiveerd toegelicht waarom zijn huidige woonsituatie niet meer houdbaar is en waarom hij moet terugkeren naar de woning. Uit de door [eiser] geschetste omstandigheden volgt immers dat hij zich op dit moment in een impasse bevindt. Hij zit in wezen gevangen in de gezamenlijke woning met [naam] , omdat verkoop van deze gezamenlijke woning alleen mogelijk is als [eiser] over andere woonruimte beschikt. [eiser] heeft – anders dan [gedaagde] stelt – voldoende onderbouwd dat hij echter niet de middelen heeft om een andere woning te financieren. Hij kan [naam] niet uitkopen en na verkoop aan [naam] of een derde blijft er voor hem vanwege de schuld te weinig geld over om een andere woning te kopen. Overigens is het vaste rechtspraak dat het feit dat een verhuurder ook andere mogelijkheden heeft om in zijn (huisvestigings)behoefte te voorzien, niet aan toewijzing van een vordering op grond van dringend eigen gebruik in de weg staat, tenzij de keuze voor die andere mogelijkheid aangewezen is. Dat dit laatste het geval is, is niet gesteld of gebleken. [1] Het voorgaande betekent dan ook dat de impasse waarin [eiser] zich bevindt enkel kan worden doorbroken als [eiser] terugkeert naar de woning, hetgeen dringend eigen gebruik oplevert. Dat – zoals [gedaagde] stelt – [eiser] in werkelijkheid van plan zou zijn de woning te verkopen, heeft [eiser] voldoende weersproken. [eiser] heeft immers toegelicht dat bij de aankoop van de woning in [woonplaats 1] in 2023 weliswaar plannen waren de woning te verkopen, maar dat de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd.
Belangenafweging en passende woonruimte
4.5.
Vervolgens dient er een belangenafweging plaats te vinden.
4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de hiervoor onder 4.4. genoemde omstandigheden tevens volgt dat het belang van [eiser] bij terugkeer naar de woning zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning. Verder weegt daarbij mee dat [eiser] de volledig verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van zijn minderjarige dochter heeft en – ook voor haar – op korte termijn stabiele en veilige huisvesting nodig heeft. Tevens weegt mee dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat de huidige woonsituatie een slechte invloed heeft op de medische toestand van [naam] . Anders dan [gedaagde] stelt, heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende toegelicht dat hij als geboren [plaats 1] voldoende binding heeft met [plaats 1] . Hoewel hij de woning al sinds 2014 een [gedaagde] verhuurt, is hij pas in 2023 naar [woonplaats 1] vertrokken. De jaren daarvoor heeft hij in en om [plaats 1] gewoond.
4.7.
[eiser] heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht vraagtekens gezet bij het belang van [gedaagde] om de woning te behouden. [gedaagde] stelt weliswaar dat hij de woning nodig heeft om er zelf te wonen, maar uit de door [eiser] overgelegde gegevens kan worden afgeleid dat [gedaagde] feitelijk niet in de woning woonachtig is. [eiser] heeft een energierekening overgelegd waaruit blijkt dat het energiegebruik opvallend laag is sinds de periode waarin [gedaagde] stelt dat hij in de woning woont. Tevens is gebleken dat er ongeopende post in de woning ligt en is de deurwaarder meerdere keren langs de woning gegaan maar heeft [gedaagde] daar geen enkele keer aangetroffen. Tot slot heeft de [gemeente] een adresonderzoek gedaan, waaruit is gebleken dat [gedaagde] feitelijk niet aanwezig is in de woning. De gemeente heeft [gedaagde] hierom met terugwerkende kracht uitgeschreven uit de BRP. Nu uit deze stukken kan worden geconcludeerd dat [gedaagde] niet in de woning woont, heeft hij naar het oordeel van de kantonrechter geen belang bij behoud van de woning.
4.8.
Bij de belangenafweging heeft de kantonrechter er ook rekening mee te houden dat [gedaagde] twee minderjarige kinderen heeft. Op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet bij een beslissing als de onderhavige, die betrekking heeft op de woonruimte van een minderjarige, het belang van het kind weliswaar een eerste overweging zijn, maar dit betekent niet dat de enkele aanwezigheid van een minderjarig kind zonder meer aan een vonnis strekkende tot ontruiming in de weg staat. In dit geval leidt de kantonrechter uit de omstandigheden af dat [gedaagde] niet in de woning woont. Dit betekent dat hij klaarblijkelijk over andere woonruimte beschikt waardoor een ontruiming niet tot het gevolg heeft dat zijn minderjarige kinderen op straat komen te staan. Tevens weegt mee dat ook de dochter van [eiser] minderjarig is en ook zij een zwaarwegend belang heeft over woonruimte te beschikken.
4.9.
Uit de omstandigheid dat [gedaagde] al maanden niet van de woning gebruik maakt volgt dat hij klaarblijkelijk over andere passende woonruimte beschikt. Gelet hierop is ook aan de laatste stap van artikel 7:274 lid 1 aanhef Pro en sub c BW voldaan (zie hiervoor onder 4.2.). Dat [gedaagde] over andere passende woonruimte beschikt, blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde stukken. Uit die stukken volgt immers dat de ex-partner van [gedaagde] inmiddels de woning van [gedaagde] in [plaats 2] heeft verlaten, waardoor [gedaagde] dus in zijn eigen woning in [plaats 2] kan wonen.
Conclusie
4.10.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan al de door artikel 7:274 lid 1 sub Pro c
BW gestelde voorwaarden is voldaan. De kantonrechter is van oordeel dat van [eiser] in de gegeven omstandigheden niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt voortgezet. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] tot vaststelling van een datum voor beëindiging van de huurovereenkomst daarom toewijzen. De datum van beëindiging van de huurovereenkomst zal worden vastgesteld op heden.
4.11.
Nu uit dit vonnis volgt dat de huurovereenkomst tussen partijen wordt geëindigd, bestaat er geen grond meer voor [gedaagde] om in de woning te verblijven. De vordering tot ontruiming wordt daarom eveneens toegewezen.
4.12.
Gelet op de leden 1 en 2 van artikel 7:272 BW Pro wordt de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad met betrekking tot de vaststelling van de datum voor het beëindigen van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning afgewezen.
4.13.
Nu de kantonrechter de vorderingen van [eiser] op de primair aangevoerde grondslag toewijst, behoeven de door [eiser] subsidiair aangevoerde gronden geen nadere bespreking meer.
De proceskosten
4.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.382,47
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
stelt vast dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] eindigt per heden,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.382,47, te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling (5.3. en 5.4.) betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289

Voetnoten

1.Hoge Raad 26 april 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5009.