ECLI:NL:RBAMS:2026:3317
Rechtbank Amsterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik door verhuurder
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst van een woning te Amsterdam. Verhuurder vordert primair dat de huurovereenkomst wordt beëindigd wegens dringend eigen gebruik, omdat hij de woning nodig heeft om met zijn minderjarige dochter te wonen. De huurder betwist dit en stelt dat verhuurder de woning wil verkopen en zelf over voldoende woonruimte beschikt.
De kantonrechter oordeelt dat verhuurder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft. De dochter van verhuurder kan niet meer bij haar moeder wonen, de relatie tussen verhuurder en zijn partner is beëindigd, en verhuurder kan de gezamenlijke woning niet verkopen of uitkopen vanwege financiële beperkingen. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verhuurder zwaarder weegt dan dat van huurder, mede omdat huurder feitelijk niet in de woning woont en over andere passende woonruimte beschikt.
De kantonrechter wijst de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst toe en veroordeelt huurder tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening. Tevens wordt huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. De vordering tot aanhouding van de zitting wegens ziekte van de gemachtigde van huurder wordt afgewezen.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt beëindigd wegens dringend eigen gebruik en huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.