ECLI:NL:RBAMS:2026:3333

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
11804339
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • J.J.H. Evers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEGArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling vordering Q-Park wegens verlaten parkeergarage zonder geldig parkeerbewijs

Op 11 april 2025 heeft de gedaagde met zijn motorfiets de parkeergarage van Q-Park verlaten zonder geldig parkeerbewijs, een gedraging die bekend staat als 'treintje rijden'. Q-Park vordert betaling van het tarief voor een verloren kaart van €30,00, een aanvullende schadevergoeding van €382,41, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De kantonrechter stelt vast dat tussen Q-Park en de gedaagde een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen door het inrijden van de parkeergarage. De gedaagde voerde aan dat hij een abonnement had en eigenaar was van een parkeerplaats, maar kon dit niet voldoende onderbouwen, mede omdat het kenteken op het abonnement niet overeenkwam met dat van zijn motorfiets.

De rechter beoordeelde de toepasselijkheid en redelijkheid van de algemene voorwaarden van Q-Park, waaronder bepalingen over het tarief verloren kaart en aanvullende schadevergoeding bij het verlaten van de parkeergarage zonder geldig parkeerbewijs. Deze bedingen werden niet als oneerlijk beschouwd. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, inclusief wettelijke rente vanaf 11 april 2025, en buitengerechtelijke incassokosten met rente vanaf de dag van dagvaarding. Tevens werd hij veroordeeld in de proceskosten van €451,28. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van het verloren kaart tarief, aanvullende schadevergoeding, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten wegens het verlaten van de parkeergarage zonder geldig parkeerbewijs.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11804339 \ CV EXPL 25-9905
Vonnis van 26 maart 2026
in de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
hierna te noemen: Q-Park,
gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde]
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 juli 2025 met producties,
  • de conclusie van antwoord van 31 juli 2025 met producties,
  • het tussenvonnis van 14 augustus 2025 waarin is besloten dat de procedure schriftelijk wordt voorgezet,
  • de conclusie van repliek van 8 september 2025 met producties en daarbij gedeponeerde usb-stick met video-opname,
  • de conclusie van dupliek van 5 november 2025 met producties,
  • de rolmededeling van 18 december 2025,
  • de akte uitlating producties Q-Park van 15 januari 2026 met producties,
  • de akte uitlating producties [gedaagde] van 12 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[gedaagde] heeft met zijn motorfiets met kenteken [kenteken 1] (hierna: de motorfiets) op 11 april 2025 de parkeergarage [locatie] van Q-Park gelegen aan [adres] (hierna: de parkeergarage) verlaten door dicht achter een ander voertuig onder de slagboom door te rijden, zonder geldig parkeerbewijs. Dit wordt “
treintje rijden” genoemd.
2.2.
Q-Park vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] het tarief van een verloren kaart ter hoogte van € 30,00, een aanvullende schadevergoeding van € 382,41 vermeerderd met de wettelijke rente. Ook vordert Q-Park betaling van de kosten van deze procedure. De kantonrechter wijst de vorderingen toe. Die beslissing wordt hieronder besproken.
Overeenkomst
2.3.
Q-Park heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat tussen haar en [gedaagde] een parkeerovereenkomst met toepasselijke algemene voorwaarden tot stand is gekomen. [gedaagde] is met zijn motorfiets de parkeergarage ingereden waardoor tussen partijen een overeenkomst is gesloten.
2.4.
[gedaagde] erkent dat hij de motorfiets de parkeergarage is binnengereden, maar voert aan dat hij over een abonnement beschikt en eigenaar is van een parkeerplaats in de parkeergarage waardoor hij niet hoeft te betalen voor het stallen van zijn motorfiets. Q-Park heeft deze stellingen gemotiveerd betwist en zij kan dan ook ontvangen worden in haar vordering tot betaling van het tarief van een verloren kaart en de schadevergoeding. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij een abonnement heeft dat gekoppeld is aan het kenteken van de motorfiets. Het kenteken op het door hem overgelegde abonnement is [kenteken 2], wat geen kenteken is van een motorfiets. Het kenteken van zijn motorfiets is [kenteken 1]. Indien [gedaagde] gerechtigd is tot een “eigen” parkeerplaats is het gebruik hiervan ook gekoppeld aan het kenteken van een motorvoertuig, waardoor hij door kenteken herkenning de parkeergarage in en uit kan rijden. Hiervan is ook niet gebleken.
2.5.
De kantonrechter concludeert dat tussen Q-Park en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen met betrekking tot het parkeren van de motorfiets door het inrijden van de parkeergarage.
Ambtshalve toetsen
2.6.
Omdat de overeenkomst waar Q-Park zich op beroept is gesloten met een consument moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of Q-Park de informatieplichten ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft nageleefd. De overeenkomst is tot stand gekomen binnen de verkoopruimte en Q-Park heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij voldaan heeft aan de informatieplichten die zij heeft op grond van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.7.
De kantonrechter moet ook uit eigen beweging beoordelen of de bedingen in de overeenkomst en de algemene voorwaarden oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG (de richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: de richtlijn). Bij die beoordeling gaat het erom of een beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met alle andere bedingen van die overeenkomst.
2.8.
In artikelen 5.5, 6.6 en 7.5 van de in deze zaak overgelegde versie van de algemene voorwaarden versie 2.2025 (hierna: de algemene voorwaarden) zijn bepalingen opgenomen over de door de consument te vergoeden schade:
‘5. Gebruikersvoorschriften(…)
5.5
Het met een Motorvoertuig of enig onder voertuig verlaten van de Parkeerfaciliteit zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd Parkeerbewijs (bijvoorbeeld door langs de slagboom te rijden of door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, waarbij de Klant direct achter zijn voorganger onder de slagboom doorrijdt,) is onder geen beding toegestaan. Indien Q-Park gebruik van de Parkeerfaciliteit in strijd met het bepaalde in dit artikel constateert, is de Klant het voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd, alsmede een bedrag aan aanvullende schadevergoeding ad € 382,41 (prijspeil 2025).
(…)
6Parkeergeld en betaling
(…)
Kortparkeren
(…)
6.6
In geval van verlies of ontbreken van het Parkeerbewijs is de Parkeerder het door Q-Park voor de betreffende Parkeerfaciliteit vastgestelde tarief “verloren kaart” (zoals vermeld bij de inrit van de Parkeerfaciliteit) verschuldigd. De Parkeerder dient dit bedrag vóór het verlaten van de Parkeerfaciliteit te voldoen. Indien de Klant achteraf door middel van de klachtenprocedure aan kan tonen wat de daadwerkelijke parkeertijd was, zal eventuele restitutie op basis daarvan plaats vinden. De bewijslast met betrekking tot de daadwerkelijke parkeertijd berust bij de Klant.
(…)
7Aansprakelijkheid
(…)
7.5
De Klant is aansprakelijk voor alle schade die door hem is veroorzaakt aan de Parkeerfaciliteit of de daarbij behorende apparatuur en installaties.’
2.9.
Op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden kan Q-Park het tarief verloren kaart en een schadevergoeding vorderen. Uit de tekst van het beding volgt dat deze vergoedingen zien op verschillende schadeposten, zodat dit beding niet tot dubbele vergoedingen zal leiden. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing van Q-Park van de hoogte van de schadevergoeding wordt deze als niet oneerlijk beoordeeld. Het forfaitaire bedrag van € 382,41 dient volgens Q-Park namelijk als prikkel tot nakoming (uitrijden nadat er is betaald) en mag in dat opzicht voldoende afschrikwekkend zijn om te ontmoedigen dat langs de slagboom wordt gereden of direct achter de voorganger onder de slagboom door wordt gereden. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang van Q-Park en dient het voor vergoeding van algemenere schade, zoals de inzet van personeel en apparatuur met betrekking tot het voorkomen van en klachten over treintje rijden. Verder kan treintje rijden leiden tot kopieergedrag, schade aan de slagboom bij het uitrijden en een onveilig gevoel in de parkeergarage. Van een buitensporige boete is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake.
2.10.
Artikel 6.6 gaat ook over het tarief verloren kaart, maar gelet op de formulering leidt dit niet tot cumulatie met artikel 5.5. Artikel 7.5 gaat over schade veroorzaakt aan de parkeerfaciliteit, wat gelet op de definitie van artikel 1 doelt Pro op (materiële) schade aan de parkeergarage of het parkeerterrein en niet op schade van Q-Park. Daarmee ziet dit artikel op andere schadeposten dan waarop artikel 5.5 ziet, zodat dit niet tot dubbele vergoedingen zal leiden.
2.11.
De kantonrechter beoordeelt de hierboven geciteerde bedingen dan ook als niet oneerlijk.
Tarief verloren kaart en schadevergoeding.
2.12.
Q-Park vordert het tarief verloren kaart ter hoogte van € 30,00 en een aanvullende schadevergoeding van € 382,41. Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de in artikel 5.5. van de algemene voorwaarden genoemde bedragen moet betalen omdat hij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de overeenkomst dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de parkeergarage te verlaten zonder geldig betaalbewijs. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de gevorderde bedragen moet betalen. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.13.
Uit artikel 5.5. van de algemene voorwaarden volgt, kort gezegd, dat het tarief verloren kaart en een aanvullende schadevergoeding verschuldigd is als de parkeerfaciliteit met een motorvoertuig wordt verlaten zonder te betalen, bijvoorbeeld door treintje te rijden. [gedaagde] erkent dat hij de parkeergarage heeft verlaten en is daarom in beginsel gehouden om de genoemde bedragen te betalen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het gevorderde tarief verloren kaart gelijk is aan het maximale dagtarief voor de parkeergarage en gelet op hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen is ook de aanvullende schadevergoeding toewijsbaar. Het betoog van [gedaagde] dat Q-Park geen schade of geen omzetderving heeft geleden doet hier niet aan af.
2.14.
Dat volgens [gedaagde] de Q-Park app niet bereikbaar was, maakt het oordeel niet anders. Q-Park heeft namelijk voldoende onderbouwd gesteld dat de klantenservice van Q-Park ten alle tijden bereikbaar is en dat in elke parkeeraccommodatie op meerdere plaatsen “help-knoppen” te vinden zijn waarmee de parkeerder direct contact kan krijgen met de klantenservice van Q-Park. Er is niet gebleken dat [gedaagde] daar gebruik van heeft gemaakt. Van [gedaagde] als (voormalig) abonnementhouder van de parkeergarage mag worden verwacht dat hij niet doormiddel van treintje rijden de parkeergarage verlaat. Over het inrijden heeft hij verklaard dat de slagboom door Q-Park is geopend, het had op zijn weg gelegen om dan alsnog zijn motorfiets aan te melden via de Q-Park app althans contact op te nemen met de klantenservice van Q-Park. Dat hij geen actie heeft ondernomen komt voor zijn rekening en risico.
Wettelijke rente
2.15.
Omdat [gedaagde] het tarief verloren kaart en de aanvullende schadevergoeding niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Deze zal worden toegewezen vanaf de datum van pleging, namelijk 11 april 2025.
Buitengerechtelijke kosten
2.16.
Q-Park vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [gedaagde] consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Daarom zal een bedrag van € 61,86 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. Aangezien Q-Park niet heeft gesteld dat de schade (de buitengerechtelijke incassokosten) al eerder dan op de datum van de dagvaarding is geleden, zal de gevorderde rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
Proceskosten
2.17.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De vordering van [gedaagde] tot betaling door Q-Park van de geleden schade van € 412,50 wegens verlies aan productieve uren wordt daarom afgewezen.
De proceskosten van Q-Park worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
174,00
(2 punten × € 87,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
451,28

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 412,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park te betalen een bedrag van € 61,86 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 17 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 451,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. Evers, kantonrechter, bijgestaan door mr. H. Heida, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
61291