Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3348

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/13/783392 / KG ZA 26-114
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.20 lid 2 sub a BVIEArt. 2.20 lid 2 sub b BVIEArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding licentieovereenkomst influencer en gebruiksverbod naam en beeltenis afgewezen in kort geding

In deze zaak vordert een influencer, handelend onder een bekende handelsnaam, dat een bedrijf dat voedingssupplementen op de markt brengt met zijn naam en beeltenis, dit gebruik staakt. De vordering is gebaseerd op de stelling dat de licentieovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden vanwege vermeende tekortkomingen van de gedaagde, zoals niet tijdige betalingen en het zonder toestemming verkopen van producten.

De gedaagde voert verweer en betwist de rechtsgeldige ontbinding, onder meer omdat partijen een periode van lagere licentievergoeding zijn overeengekomen en de vermeende wanbetalingen niet als materiële tekortkomingen kunnen worden aangemerkt. Ook wordt aangevoerd dat de brief van ontbinding niet voldoet aan de vereisten van een duidelijke schriftelijke aanmaning met een hersteltermijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de ontbinding zal bevestigen. Ook worden de vorderingen van de vennootschap die geen contractspartij is afgewezen. De vorderingen worden daarom in kort geding niet toegewezen en de eiser moet de proceskosten betalen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af omdat niet aannemelijk is dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/783392 / KG ZA 26-114 EAM/MV
Vonnis in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] , handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,

wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,
2. de rechtspersoon naar vreemd recht
[eiser 2],
gevestigd te [vestigingsplaats 1] , Verenigde Arabische Emiraten,
eisende partijen bij dagvaarding van 26 februari 2026,
advocaten: mr. B.J. Berghuis van Woortman en mr. M.R. Rijks,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. L.L.A.M. Thissen.

1.De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 24 maart 2026 hebben eisers de dagvaarding toegelicht. Gedaagde, hierna te noemen [gedaagde] , heeft mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
aan de zijde van eisers: mr. Berghuis van Woortman en mr. Rijks;
aan de zijde van [gedaagde] : [naam 1] en [naam 2] met mr. Thissen.
Na verder debat is vonnis bepaald op 7 april 2026.

2.De feiten

2.1.
Eiser sub 1 (hierna [eiser 1] ) is een powerlifter die onder de naam [handelsnaam 1] bekendheid geniet op sociale mediakanalen zoals Instagram, TikTok en YouTube. Hij maakt video’s met
fitness content.Hij heeft naar eigen zeggen 9,29 miljoen abonnees op YouTube en meer dan 24 miljoen volgers op zowel Instagram als TikTok. Eiseres sub 2 is de vennootschap van [handelsnaam 1] . [handelsnaam 1] wordt bijgestaan door een manager ( [naam 3] ).
2.2.
[gedaagde] handelt in voedingssupplementen en biedt haar producten aan via de webshop [website] .
2.3.
Op 5 november 2023 hebben [handelsnaam 1] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten (hierna de overeenkomst), die loopt vanaf 1 januari 2024 en automatisch eindigt op 31 december 2026. In de overeenkomst is onder meer bepaald dat [gedaagde] exclusief gerechtigd is [handelsnaam 1] ’s naam en “
image rights” te gebruiken voor de promotie van haar voedingssupplementen. [handelsnaam 1] ontvangt hiervoor een maandelijkse vergoeding (
license fee) van USD 35.000, een aandeel in de winst van [gedaagde] en een verkoopprovisie. In artikel 2.3 van de overeenkomst is – kort gezegd – bepaald dat [gedaagde] haar campagnes zal ontwikkelen in nauwe samenwerking met [handelsnaam 1] en dat [handelsnaam 1] die vooraf moet goedkeuren. In artikel 3.2 van de overeenkomst zijn de promotieverplichtingen van [handelsnaam 1] opgenomen, die onder meer bestaan uit het plaatsen van een minimaal aantal video’s en
postsop Instagram, TikTok en YouTube.
2.4.
In artikel 5.2 van de overeenkomst staat onder meer:
A party may terminate this Agreement, in whole or in part, by way of rescission (ontbinding) with immediate effect by giving written notice to the other Party, if the other Party has committed a material breach of the Agreement, and it has failed to remedy the breach within 30 (thirty) calendar days of receiving notice from the terminating Party to do so;Upon termination of the Agreement, [gedaagde] shall cease usage of the image rights en name rights of [handelsnaam 1] , and shall immediately cease marketing and sales of any products that were developed in association with [handelsnaam 1] , including without limitation the [handelsnaam 1] Products. (…)
2.5.
Bij brief van 29 oktober 2025 heeft [handelsnaam 1] de overeenkomst ontbonden en [gedaagde] gesommeerd het gebruik van zijn naam, beeltenis en merk met onmiddellijke ingang te staken. Redenen hiervoor waren – onder meer – het herhaaldelijk niet op tijd betalen van de maandelijkse vergoeding, het eenzijdig opschorten door [gedaagde] van haar verplichtingen en het op de markt brengen van producten onder het [handelsnaam 1] -merk zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [handelsnaam 1] , onder meer in Mexico.
2.6.
Bij brief van 12 november 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] [handelsnaam 1] onder meer geantwoord dat partijen omstreeks 7 oktober 2024 hebben besloten een “
re-branding” door te voeren en dat [handelsnaam 1] tijdens de
re-brandingperiode akkoord is gegaan met een verlaagde licentievergoeding, dat de
re-brandingop 1 november 2025 is afgerond, dat geen sprake is van niet-tijdige betalingen en evenmin van het eenzijdig opschorten van de overeenkomst door [gedaagde] . De ontbinding treft derhalve geen doel, aldus de brief van 12 november 2025.
2.7.
In de periode van 18 november 2025 tot en met 30 december 2025 is nader gecorrespondeerd tussen (de advocaten van) partijen (zie de producties 13 tot en met 18 van eisers). In die correspondentie herhaalt [handelsnaam 1] – kort gezegd – zijn sommatie aan het adres van [gedaagde] tot het staken van het gebruik van zijn naam en beeltenis etc. [gedaagde] herhaalt – kort gezegd – haar sommatie aan het adres van [handelsnaam 1] tot nakoming van de overeenkomst.
2.8.
Op 27 januari 2026 heeft [handelsnaam 1] het Benelux-woordmerk
Mr. [handelsnaam 1]geregistreerd voor onder meer voedingssupplementen.
2.9.
Bij brief van 29 januari 2026 heeft de advocaat van [handelsnaam 1] [gedaagde] (nogmaals) gesommeerd om het gebruik van de naam en beeltenis etc. van [handelsnaam 1] te staken omdat sprake is van een rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[handelsnaam 1] vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde] te bevelen iedere inbreuk op de merkenrechten van [handelsnaam 1] in de gehele Benelux te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder [gedaagde] te verbieden gebruik te maken van het teken ‘ Mr. [handelsnaam 1] ’ dan wel van andere tekens die overeenstemmen met het merk van [handelsnaam 1] ;
2. [gedaagde] te bevelen iedere inbreuk op de aan [handelsnaam 1] toekomende auteursrechten in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder te bevelen
de openbaarmaking en verveelvoudiging van de foto’s van [handelsnaam 1] te staken en gestaakt te houden;
3. [gedaagde] te bevelen iedere inbreuk op de aan [handelsnaam 1] toekomende portretrechten in de gehele Europese Unie te staken en gestaakt te houden;
4. [gedaagde] te bevelen om de misleidende handelspraktijken, zoals omschreven in de dagvaarding, te staken en gestaakt te houden;
5. [gedaagde] te bevelen om de misleidende reclame-uitingen, zoals omschreven in de dagvaarding, te staken en gestaakt te houden;
6. [gedaagde] te bevelen om aan de advocaten van [handelsnaam 1] schriftelijk opgave te doen van:
a. de totale hoeveelheid inbreukmakende producten die [gedaagde] in eigendom of in voorraad heeft;
b. de totale hoeveelheid inbreukmakende producten die [gedaagde] heeft ingekocht dan wel heeft vervaardigd;
c. de door [gedaagde] intern gerekende kostprijs dan wel betaalde inkoopprijzen
alsmede de door haar gehanteerde verkoopprijzen voor de inbreukmakende producten;
d. de totale hoeveelheid inbreukmakende producten die [gedaagde] heeft verkocht;
e. het totale bedrag van de door [gedaagde] als gevolg van de verhandeling van de inbreukmakende producten genoten bruto- en nettowinst, alsmede de berekeningswijze daarvan;
f. de volledige namen en adressen van alle bij de verhandelingen en vervaardiging
van de inbreukmakende producten betrokken (rechts)personen;
7. [gedaagde] te bevelen aan alle professionele derde partijen aan wie zij inbreukmakende producten heeft verkocht (resellers) schriftelijk te verzoeken die producten aan haar terug te zenden, tegen vergoeding van de volledige aankoopprijs, met de mededeling dat de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft beslist dat de producten van [gedaagde] inbreuk maken op de intellectuele eigendomsrechten van [handelsnaam 1] ;
8. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 20.000,- per keer dat de bevelen genoemd onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en/of 7 niet worden nagekomen, te vermeerderen
met € 10.000,- voor iedere dag dat de overtreding dan wel niet-nakoming voortduurt, tot een maximum van € 2.000.000,- per veroordeling;
9. [gedaagde] ten aanzien van het merkenrechtelijke en auteursrechtelijke aspect van deze zaak
te veroordelen in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, en ten
aanzien van de overige aspecten van deze zaak in de proceskosten conform het geldende liquidatietarief, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.
3.2.
Eisers leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. [handelsnaam 1] heeft de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden per 29 oktober 2025. De tekortkomingen van [gedaagde] , die kunnen worden aangemerkt als een
material breachin de zin van artikel 5.2 van de overeenkomst, zijn de volgende:
- [gedaagde] heeft de licentievergoeding in juli en augustus 2024 te laat betaald;
- in november en december 2024 is die vergoeding slechts deels betaald;
- vanaf januari 2025 is de vergoeding in het geheel niet meer betaald;
- de winstaandelen en de verkoopprovisie zijn niet uitgekeerd;
- [gedaagde] heeft de financiële gegevens om die uitkeringen te berekenen niet verstrekt;
- [gedaagde] heeft zonder voorafgaande goedkeuring (zie artikel 2.3 van de overeenkomst) van [handelsnaam 1] -producten verkocht, onder meer in Mexico;
- tijdens de
re-brandingperiode is mondeling een lagere licentievergoeding afgesproken, terwijl het afwijken van de overeenkomst volgens artikel 6.3 van die overeenkomst schriftelijk dient te geschieden;
- die lagere licentievergoeding is evenmin betaald.
Daarnaast is voldaan aan de eisen die artikel 5.2 van de overeenkomst stelt aan de kennisgeving van de
material breachen aan de kennisgeving van de ontbinding. Hierbij is van belang dat een kennisgeving van een tekortkoming niet is vereist indien de nakoming blijvend onmogelijk is. Mocht overigens de brief van 29 oktober 2025 (zie 2.5) niet als kennisgeving in de zin van artikel 5.2 kunnen worden aangemerkt, dan hebben de brieven van 18 november 2025 en 29 januari 2026 van (de advocaat van) [handelsnaam 1] als zodanig te gelden.
Artikel 5.2 van de overeenkomst bevat voorts de bepaling dat [gedaagde] na ontbinding van de overeenkomst verplicht is het gebruik van [handelsnaam 1] ’s naam en beeltenis etc. onmiddellijk te staken. [gedaagde] houdt zich niet aan deze verplichting. Op haar website en op de producten die zij aanbiedt is nog immer het merk
Mr. [handelsnaam 1]afgebeeld alsmede foto’s en tekeningen van (het portret van) [handelsnaam 1] . [gedaagde] pleegt hierdoor merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub a, althans sub b BVIE. Tevens is sprake van auteursrechtinbreuk en een inbreuk op de portretrechten van [handelsnaam 1] . Tot slot maakt [gedaagde] zich hierdoor schuldig aan oneerlijke handelspraktijken en misleidende reclame. [handelsnaam 1] lijdt door dit alles schade (gederfde licentievergoeding, reputatieschade etc.). Geen enkele andere partij zal een licentie van [handelsnaam 1] willen afnemen voor het op de markt brengen van concurrerende producten, zolang [gedaagde] nog onterecht gebruik maakt van die licentie. Omdat die schade steeds verder oploopt, heeft [handelsnaam 1] een spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen.
3.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Dit verweer komt er – kort gezegd – op neer dat [handelsnaam 1] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden. [handelsnaam 1] heeft een verborgen agenda omdat hij op 19 december 2025 een samenwerking is aangegaan met [bedrijf] . De overeenkomst met [gedaagde] , die een exclusiviteitsbeding kent, moest dus van de baan, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In artikel 6.2 van de overeenkomst is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam exclusief bevoegd is.
4.2.
[gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat eiseres sub 2 ( [eiser 2] ) geen contractspartij is bij de overeenkomst, geen merkhouder en in de dagvaarding niet is aangemerkt als auteursrechthebbende of portretgerechtigde. Haar naam komt evenmin voor in de correspondentie die [handelsnaam 1] en zijn advocaten voorafgaand aan dit kort geding hebben gevoerd. De vorderingen zullen, voor zover die zijn ingesteld door [eiser 2] , dan ook worden afgewezen. Dit heeft geen gevolgen voor een uit te spreken proceskosten-veroordeling, zoals [gedaagde] heeft betoogd, omdat niet aannemelijk is dat [gedaagde] extra kosten van enige omvang heeft moeten maken doordat [eiser 2] mede als eiseres is opgetreden.
4.3.
De vraag die in dit kort geding centraal staat is of [handelsnaam 1] de overeenkomst rechtsgeldig (met inachtneming van de in artikel 5.2 van de overeenkomst gestelde vereisten) heeft ontbonden, omdat het [gedaagde] alleen dan kan worden verboden nog langer gebruik te maken van de naam en beeltenis etc. van [handelsnaam 1] . De vorderingen van [handelsnaam 1] zijn in dit kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter deze vraag bevestigend zal beantwoorden. De voorzieningenrechter acht dit echter gezien het door [gedaagde] gevoerde verweer niet voldoende aannemelijk. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.4.
Volgens [gedaagde] zijn partijen in oktober 2024 op verzoek van [handelsnaam 1] een
re-brandingovereengekomen. In de twee maanden dat die
re-brandingzou duren (voorzien was de periode november en december 2024) zou [handelsnaam 1] een lagere licentievergoeding van UDS 10.000 per maand, door partijen ook aangeduid als
waiting fee, ontvangen en zou [handelsnaam 1] niet hoeven voldoen aan zijn promotieverplichtingen. [gedaagde] heeft verwezen naar de WhatsAppcorrespondentie die in oktober/november 2024 tussen de manager van [handelsnaam 1] en [gedaagde] is gevoerd en waaruit kan worden afgeleid dat de
waiting fee(2 x USD 10.000) alsmede de maanden juli en augustus 2024 die nog openstonden met cryptomunten is betaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidt dit dus niet op een
material breach.Dat de maanden juli en augustus 2024 te laat zijn betaald, duidt evenmin op een
material breach, nu dit naar alle waarschijnlijkheid het gevolg is van het feit dat [handelsnaam 1] pas op 14 oktober 2024 de betaalgegevens van zijn
cryptowalletheeft doorgegeven. Verder kan niet worden uitgesloten dat – zoals [gedaagde] heeft aangevoerd – de
re-brandingperiode langer heeft geduurd dan voorzien door toedoen en/of nalaten van [handelsnaam 1] . Uit WhatsAppberichten van de manager van [handelsnaam 1] volgt dat het door [handelsnaam 1] ingeschakelde marketingbureau, tot frustratie van [handelsnaam 1] , steeds voor vertragingen zorgde. [gedaagde] heeft (aan de hand van in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie) aannemelijk gemaakt dat de
re-brandingpas in de tweede helft van oktober 2025 volledig kon worden afgerond. Bij e-mail van 26 oktober 2025 heeft [gedaagde] [handelsnaam 1] verzocht om voor de maand november 2025 een factuur voor de
license feevan USD 35.000 te sturen. Een verplichting om tijdens de gehele
re-brandingperiode (dus tot en met oktober 2025) de gehele
license feedoor te betalen (welk standpunt [handelsnaam 1] overigens pas innam in de brief van 29 januari 2026, zie 2.9) kan niet worden aangenomen gezien de (voorshands) andersluidende via WhatsApp gemaakte afspraken Op grond van dit alles kan de beweerde ‘wanbetaling’ door [gedaagde] voorshands niet als een
material breachworden aangemerkt.
4.5. De verkopen door [gedaagde] in Mexico kunnen voorshands evenmin als een
material breachworden aangemerkt omdat uit de in het geding gebrachte WhatsAppcorrespondentie kan worden afgeleid dat de manager van [handelsnaam 1] hiermee heeft ingestemd. Pas veel later is [handelsnaam 1] hier een probleem van gaan maken.
4.6.
Daarnaast kan [gedaagde] voorshands gevolgd worden in haar standpunt dat de
noticebedoeld in artikel 5.2 van de overeenkomst een duidelijke schriftelijke aanmaning moet betreffen om een specifieke verbintenis binnen 30 dagen na te komen. Gezien het verweer van [gedaagde] is het nog maar de vraag of de brief van 29 oktober 2025 (zie 2.5) of latere door of namens [handelsnaam 1] verzonden brieven voldoen aan deze definitie van
notice, met name omdat [gedaagde] niet in de gelegenheid is gesteld alsnog binnen 30 dagen haar verplichtingen na te komen
.Dit heeft mede betrekking op de overige door [handelsnaam 1] gestelde tekortkomingen, zoals het niet delen in de winst, het niet betalen van de verkoopprovisie en het niet doen van een financiële opgave ter berekening van het winstaandeel. Overigens wist [handelsnaam 1] – aldus [gedaagde] – heel goed dat [gedaagde] verlieslatend was en amper, behalve in Mexico, [handelsnaam 1] -producten heeft verkocht.
4.7.
De conclusie is dat niet alleen de vorderingen van [eiser 2] worden afgewezen (zie 4.2 van dit vonnis) maar ook de vorderingen van [handelsnaam 1] . Omdat eisers in het ongelijk zijn gesteld moeten zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft verzocht de advocaatkosten gedeeltelijk te begroten aan de hand van artikel 1019h Rv. De voorzieningenrechter ziet hiertoe onvoldoende aanleiding. Het debat tussen partijen heeft zich voor het overgrote deel geconcentreerd op de vraag of de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden. De stellingen en het verweer ten aanzien van mogelijke inbreuk op auteurs- en merkenrechten door [gedaagde] (ervan uitgaande dat de overeenkomst zou zijn ontbonden) waren zeer summier. De advocaatkosten van [gedaagde] worden dan ook vastgesteld op grond van het gebruikelijke liquidatietarief. Dit betekent dat de proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als eisers niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.
Coll: EB