Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3368

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
11960866 \ CV EXPL 25-15651
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling medische behandeling en proceskosten na niet-naleving betaalinstructies

De eiser, een stichting, heeft de gedaagde medisch behandeld tussen maart en juli 2024. De factuur van €9.466,00 werd via Infomedics aan de gedaagde gestuurd, met instructies om deze bij de zorgverzekeraar in te dienen. De zorgverzekeraar keerde €7.174,67 uit aan de gedaagde, die dit bedrag echter niet aan de eiser betaalde.

De gedaagde betwistte de vordering, stellende dat het door de zorgverzekeraar betaalde bedrag de volledige schuld dekt. De rechtbank oordeelde dat het prijsbeding niet transparant was, omdat vooraf geen duidelijke prijsinformatie werd gegeven, maar dat het beding niet oneerlijk is omdat de patiënt uiteindelijk nooit meer dan het eigen risico hoeft te betalen.

Omdat de gedaagde de betaalinstructies niet heeft opgevolgd en het bedrag niet heeft voldaan, is hij de volledige factuur verschuldigd. Daarnaast zijn buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegekend. De rechtbank veroordeelde de gedaagde tot betaling van de hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de medische factuur, rente, incassokosten en proceskosten wegens niet-naleving van betaalinstructies.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11960866 \ CV EXPL 25-15651
Vonnis van 26 maart 2026
in de zaak van
de stichting
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: TeRecht Deurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 november 2025, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 20 november 2025,
- de aanvullende productie van [gedaagde],
- het instructievonnis van 9 december 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2026. [eiser] is verschenen bij [naam 1] en [naam 2], vergezeld door mr. G.J.C. Rooijmans namens de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen, ondanks dat hij daartoe behoorlijk is opgeroepen. [eiser] heeft de vordering nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft [gedaagde] in de periode van 19 maart 2024 tot en met 4 juli 2024 medisch behandeld.
2.2.
[eiser] heeft de vordering gecedeerd aan Infomedics. Later is deze weer terug gecedeerd aan [eiser]. Voor de medische behandeling heeft Infomedics een factuur aan [gedaagde] gestuurd van € 9.466,00.
2.3.
Bij zowel de afspraakbevestiging als de factuur is een betaalinstructie bijgevoegd. Hierin staat, kort gezegd, dat de factuur bij de zorgverzekeraar moet worden ingediend. De door de zorgverzekeraar uitgekeerde vergoeding, vermeerderd met eventueel nog openstaand eigen risico, moet vervolgens aan [eiser] worden betaald. Het door de zorgverzekeraar niet vergoede deel wordt dan door [eiser] kwijtgescholden, zodat nooit méér hoeft te worden betaald dan het eigen risico.
2.4.
[gedaagde] was ten tijde van de medische behandelingen verzekerd bij Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Zilveren Kruis). [gedaagde] heeft de factuur van Infomedics bij Zilveren Kruis ingediend. Zilveren Kruis heeft vervolgens een bedrag van € 7.174,67 aan [gedaagde] uitgekeerd.
2.5.
[gedaagde] heeft geen betaling aan [eiser] (of Infomedics) gedaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 9.466,00 aan hoofdsom, vermeerderd met € 1.026,44 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw) en daarnaast met wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt dat [gedaagde] een medische behandeling heeft ondergaan, maar de daarvoor opgemaakte factuur niet heeft betaald. Zoals verplicht gesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft [eiser] haar tarieven – genaamd passantentarieven – op haar website gepubliceerd. Deze tarieven gelden niet bij een gecontracteerde zorgverzekeraar. Bij een niet-gecontracteerde zorgverzekeraar brengt [eiser] de passantentarieven in rekening. De rekening moet worden ingediend bij de zorgverzekeraar. Na uitkering van de zorgverzekeraar moet het bedrag worden doorbetaald aan [eiser]. Nadat [eiser] een specificatie van de zorgverzekeraar over de factuur heeft ontvangen, wordt het niet door de verzekeraar vergoede gedeelte van het passantentarief gecrediteerd. Gevolg hiervan is dat zowel bij gecontracteerde zorg als bij niet-gecontracteerde zorg niet méér verschuldigd is dan het bedrag dat de verzekeraar vergoedt. Als sprake is van een verschuldigd bedrag aan eigen risico, dan wordt dit bedrag bij gecontracteerde zorg door de zorgverzekeraar in rekening gebracht bij de patiënt. Bij niet-gecontracteerde zorg wordt het eigen risico verrekend met de uit te betalen vergoeding. In dat geval moet het eigen risico worden betaald aan [eiser].
3.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij het niet eens is met de vordering, omdat het niet vergoede gedeelte door Zilveren Kruis in mindering zou komen op de rekening. Het door Zilveren Kruis uitgekeerde bedrag (zie overweging 2.4) is het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] heeft dat ook aangeboden aan de deurwaarder, zodat daarmee de zaak zou zijn afgedaan. De deurwaarder heeft dat geweigerd en vertelde dat [gedaagde] de beslissing van de rechtbank maar moest afwachten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vooropgesteld wordt dat niet in geschil is dat [gedaagde] door [eiser] geneeskundig is behandeld.
4.2.
De geneeskundige behandelovereenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. In dat geval moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld, worden getoetst aan het consumentenrecht.
4.3.
Getoetst moet worden of het beding over de prijs, zijnde een kernbeding, transparant is (artikel 4 lid 2 van Pro Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, hierna te noemen: de richtlijn).
4.4.
[eiser] heeft in de dagvaarding haar werkwijze toegelicht. Deze werkwijze blijkt ook uit de bij de afspraakbevestiging en de factuur gegeven uitleg over het declareren en betalen, met daarbij een verwijzing naar de website van [eiser]. Een beschrijving van deze werkwijze staat in 2.3 van de feiten.
4.5.
[eiser] heeft voorafgaand aan de medische behandeling geen informatie gegeven over de daadwerkelijke prijs van de behandeling. Weliswaar heeft zij passantentarieven gepubliceerd op haar website, maar gesteld noch gebleken is dat [eiser] vóór de behandeling naar die tarieven verwijst. Bovendien informeert [eiser] de patiënt niet over de NZa-code(s) van zijn behandeling, waardoor het voor de patiënt ondoenlijk is om het toepasselijke tarief in die lijst te vinden. Daarbij geldt dat vaak pas gedurende of na de behandeling precies wordt vastgesteld welke NZa-codes in rekening worden gebracht. Dat maakt dat het prijsbeding niet transparant is en daarom moet worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn.
4.6.
[eiser] heeft voldoende gesteld dat zij bij niet-gecontracteerde zorg de prijs van de behandeling achteraf aanpast aan de vergoeding die de verzekeraar voor de behandeling aan de patiënt betaalt, door creditering van het meerdere. Voorwaarde daarvoor is wel dat de patiënt zijn factuur indient bij de verzekeraar en de specificatie daarvan aan [eiser] stuurt. In dat geval dient de patiënt alleen de van de verzekeraar ontvangen vergoeding aan [eiser] te voldoen, eventueel nog vermeerderd met het eigen risico.
4.7.
Nu de patiënt, als hij de van tevoren gecommuniceerde instructies ten aanzien van het declareren en betalen van de factuur opvolgt, uiteindelijk alleen de vergoeding van de verzekeraar en het eventueel verrekende eigen risico hoeft te betalen aan [eiser], wordt geoordeeld dat het prijsbeding niet oneerlijk is. Het evenwicht tussen partijen is namelijk door de intransparantie van de uiteindelijke prijs niet in strijd met de goede trouw aanzienlijk verstoord. Zowel bij contractuele als bij niet-contractuele zorg brengt [eiser] bij de patiënt (uiteindelijk) immers alleen de prijs in rekening die door de zorgverzekeraar aan de patiënt wordt vergoed, zodat de patiënt zelf ten hoogste het eigen risico moet betalen. Dat bij niet-gecontracteerde zorg het bedrag aan eigen risico betaald moet worden aan [eiser] in plaats van aan de zorgverzekeraar, maakt het voorstaande niet anders.
4.8.
[gedaagde] lijkt zelf ook op de hoogte te zijn van de werkwijze van [eiser], gelet op zijn verweer en de omstandigheid dat hij de factuur bij zijn zorgverzekeraar Zilveren Kruis heeft ingediend en een bedrag van € 7.174,67 uitgekeerd heeft gekregen. [gedaagde] had dat bedrag, mogelijk te vermeerderen met eigen risico uit hoofde van zijn zorgverzekering (wat uit de specificatie van de zorgverzekeraar zou moeten blijken) aan Infomedics c.q. [eiser] moeten betalen, maar heeft dat niet gedaan.
4.9.
[eiser] heeft ter zitting bevestigd dat zodra [gedaagde] de van Zilveren Kruis ontvangen specificatie met betrekking tot de factuur overeenkomstig de instructies aan [eiser] toestuurt én het van Zilveren Kruis ontvangen bedrag (eventueel vermeerderd met eigen risico) aan [eiser] betaalt, [eiser] het meerdere van de factuur alsnog zal crediteren. Hieraan is geen vervaltermijn aan verbonden.
4.10.
Het overige verweer van [gedaagde] slaagt niet. [eiser] heeft ter zitting gemotiveerd betwist dat de deurwaarder een betaling heeft geweigerd. Mogelijk ziet het gedeelte van het verweer van [gedaagde] dat ‘na betaling van € 7.174,67 de zaak zou zijn afgedaan’ op weigering door de deurwaarder de bijkomende kosten te laten vervallen, maar de deurwaarder hoeft bijkomende kosten ook niet te laten vervallen. Deze kosten zijn immers ontstaan doordat [gedaagde] de betaalinstructies niet (tijdig en volledig) heeft opgevolgd door, ondanks een uitkering door zijn zorgverzekeraar, het ontvangen bedrag niet aan [eiser] te betalen. Daardoor werd [eiser] genoodzaakt [gedaagde] in rechte te betrekken. Daar zijn kosten aan verbonden, die voor rekening van [gedaagde] komen.
4.11.
Door de betaalinstructies van [eiser] niet op te volgen, is [gedaagde] dan ook vooralsnog (totdat hij de hiervoor beschreven instructies heeft opgevolgd) de passantentarieven en daarmee de onderhavige factuur volledig verschuldigd. De gevorderde hoofdsom wordt daarom toegewezen.
4.12.
Op de medische behandelovereenkomst zijn geen algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Die heeft [eiser] ook niet. Toetsing van bedingen op oneerlijkheid is daardoor niet aan de orde. [eiser] kan zich daarom rechtsgeldig beroepen op de wettelijke regelingen ten aanzien van rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.13.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, zoals in de beslissing vermeld.
4.14.
[eiser] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Nu [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Het gevorderde bedrag van € 848,30 is in overeenstemming met het tarief voortvloeiend uit het Besluit en wordt daarom toegewezen. Dat geldt ook voor het bedrag van € 178,14 aan btw, omdat niet is weersproken dat [eiser] de omzetbelasting niet kan verrekenen. In totaal zal daarom een bedrag van € 1.026,44 aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw) worden toegewezen.
4.15.
[gedaagde] is bij deze uitkomst in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.625,14
De daarover gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar, zoals hierna in de beslissing is vermeld.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
- € 9.466,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 4 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
- € 422,47 aan vervallen wettelijke rente tot 4 november 2025,
- € 1.026,44 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw),
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.625,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover en met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
991