Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3393

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
13-225893-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 38 SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid na poging tot doodslag en mishandeling

Op 21 augustus 2025 viel een 27-jarige man in Amsterdam twee personen aan met een afgebroken fietsstandaard, wat leidde tot poging tot doodslag en mishandeling. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte met opzet handelde en het slachtoffer ernstig verwondde. Verdachte werd aangehouden en onderzocht.

Tijdens de terechtzitting op 24 maart 2026 werd vastgesteld dat verdachte leed aan een ernstige psychotische stoornis en verslavingsproblematiek, waardoor hij ten tijde van het delict ontoerekeningsvatbaar was. De rechtbank verwierp het beroep op psychische overmacht, maar volgde het deskundigenadvies dat verdachte niet strafbaar is en ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging.

De rechtbank legde een tbs-maatregel met voorwaarden op, waaronder klinische behandeling in een forensische instelling, reclasseringstoezicht, verbod op middelengebruik en dagbesteding. Tevens werd een schadevergoeding van €3.667,10 aan de benadeelde partij toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden tot het vonnis onherroepelijk is.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en onder tbs-maatregel geplaatst met voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-225893-25
Datum uitspraak: 7 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in de [naam PI] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.J. Nijkerk en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.E. Brussen naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen W. Steinmeijer (medewerkster van Slachtofferhulp Nederland) namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren heeft gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting J.S.J.A. Pattikawa (reclasseringswerker bij Reclassering Inforsa) als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 augustus 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
feit 1
poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] ;
feit 2
mishandeling van [benadeelde partij] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) aan verdachte ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het aanvullend proces-verbaal van beschrijving van de camerabeelden vast dat verdachte met een afgebroken fietsstandaard ten minste achttien keer, snel achter elkaar en met kracht, insteekt op onder andere de nek en het hoofd van [slachtoffer] . Kort daarna steekt verdachte opnieuw drie keer met de fietstandaard op de nek van [slachtoffer] . Het hoofd en de nek zijn zeer kwetsbare lichaamsdelen. De gedragingen van verdachte dienen naar hun uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat de rechtbank op grond hiervan vast stelt dat verdachtes opzet hierop ten volle was gericht.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de poging tot doodslag van [slachtoffer] bewezen.
De rechtbank acht, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte, ook bewezen dat verdachte [benadeelde partij] heeft mishandeld.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
feit 1 primair
op 21 augustus 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven
- meermalen met een afgebroken fietsstandaard in/tegen de nek en hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en gestoken en gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op 21 augustus 2025 te Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld, door [benadeelde partij] (met kracht) tegen de rug te duwen, waardoor die [benadeelde partij] ten val kwam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis.
Ten aanzien van feit 2 volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Verdachte is daarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In de eerste plaats omdat verdachte een beroep kan doen op psychische overmacht. Volgens de raadsvrouw was er gelet op de persoonsgeschiedenis van verdachte en het eerdere gebrek aan hulverlening sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte, in zijn perceptie, redelijkerwijze geen weerstand kon bieden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is en verzocht om die reden verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Verwerping beroep op psychische overmacht
Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit de inhoud van het dossier of uit hetgeen de raadsvrouw heeft betoogd geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank verwerpt het verweer.
Ontoerekeningsvatbaarheid
De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van 29 december 2025, opgemaakt door deskundige M. Heus, psychiater, en deskundige S.J.D. Dijkstra, GZ-psycholoog.
De rapporteurs hebben vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis (matig ernstig) en een stoornis in het gebruik van amfetamine en cocaïne (matig).
De rapporteurs hebben verder vastgesteld dat bij verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze stoornissen. Het genoemde toestandsbeeld was bovendien in ernstige mate verslechterd, doordat verdachte toen al geruime tijd geen anti-psychotische medicatie gebruikte en hij onder invloed van cannabis verkeerde. Door de psychose was verdachte volgens de rapporteurs het contact met de werkelijkheid volledig kwijt. Zijn handelen werd ingegeven door paranoïde wanen en akoestische hallucinaties die hem zeer angstig maakten en volledig beperkten in zijn beoordelingsvermogen en zijn vermogen om zijn handelen bij te sturen en de gevolgen daarvan te kunnen overzien. De rapporteurs hebben geadviseerd het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze conclusies en adviezen van de deskundigen over. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte volledig door zijn psychose werd gedreven en dat de bewezen verklaarde feiten hem in het geheel niet zijn toe te rekenen. De verdachte is ten aanzien van het bewezenverklaarde niet strafbaar en wordt dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

8.Motivering van de maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, te weten de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Een zorgmachtiging heeft meer voordelen en is passender gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een mishandeling. Verdachte heeft op klaarlichte dag in het centrum van Amsterdam, uit het niets, in coffeeshop [naam coffeeshop] twee personen die daar aan het werk waren aangevallen met een afgebroken fietsstandaard. Gasten van de coffeeshop zijn in allerijl gevlucht en meerdere getuigen op straat hebben gezien hoe willekeurige slachtoffers werden aangevallen en achtervolgd. Verdachte heeft [slachtoffer] , een medewerker van de coffeeshop, met de fietsstandaard veelvuldig met kracht op zijn hoofd en in zijn nek gestoken en geslagen. Dat [slachtoffer] hierbij niet is komen te overlijden is een wonder te noemen. Daarna is verdachte achter [benadeelde partij] aangerend in de veronderstelling dat hij met [slachtoffer] van doen had. Verdachte heeft [benadeelde partij] hierbij mishandeld door hem in zijn rug te duwen, waardoor [benadeelde partij] ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen. Hierbij heeft [benadeelde partij] voor zijn leven gevreesd. Naast de impact op de direct betrokkenen, maken gebeurtenissen als deze een grote inbreuk op het veiligheidsgevoel in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit komt naar voren dat verdachte over een lange periode meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten. Bovendien is verdachte in 2021 veroordeeld tot tbs met voorwaarden.
Advies van de psycholoog en psychiater
Uit het onder 7 genoemde Pro Justitia rapport en het verhandelde ter terechtzitting maakt de rechtbank het volgende op.
De deskundigen stellen dat het recidiverisico voor gewelddadig gedrag hoog is wanneer verdachte zonder verdere behandeling en nazorg terug zou keren in de maatschappij. Ook het risico op acuut dreigend geweld wordt als hoog ingeschat, zeker wanneer verdachte middelen zou gebruiken, omdat de psychose daardoor wordt verergerd. Zonder verdere behandeling is verdachte vrijwel zeker niet in staat zijn om weerstand te bieden aan zijn verslaving.
Om het risico op recidive te beperken achten de deskundigen het nodig dat verdachte in eerste instantie klinisch behandeling krijgt voor de psychotische- en de verslavingsproblematiek binnen een forensische kliniek. Een forensische
behandelsetting wordt hierin noodzakelijk geacht door de rapporteurs om het risico op
recidive goed in het oog te houden en de interventies ook te richten op het verminderen van
recidive. Het advies is deze behandeling op te leggen binnen een tbs met voorwaarden. De
huidige zorgmachtiging die verdachte heeft voldoet niet volgens de deskundigen.
Advies van de reclassering
Uit het adviesrapport van reclassering Inforsa van 17 maart 2026, opgesteld door reclasseringswerker J.S.J.A. Pattikawa, en de door haar gegeven toelichting ter terechtzitting blijkt het volgende.
De reclassering sluit zich aan bij de conclusies van de psycholoog en psychiater. Het risico op recidive en letselschade blijft onverminderd hoog wanneer verdachte niet wordt behandeld. Het FACT team heeft aangegeven geen enkele indicatie te zien voor plaatsing in het kader van een zorgmachtiging. De zorgmachtiging kan niet dienen als alternatief voor een passende strafrechtelijke afdoening.
Bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten heeft de reclassering geadviseerd om een tbs-maatregel op te leggen met aanvullende voorwaarden. De voorwaarden die – naast de standaardvoorwaarden –worden geadviseerd zijn meewerken aan een reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, een verbod tot het reizen naar het buitenland, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, geen gebruik van verdovende middelen en alcohol en dagbesteding.
Geadviseerd wordt om de voorwaarden en het toezicht ook dadelijk uitvoerbaar te verklaren in combinatie met een schorsing van de voorlopige hechtenis, zodat de behandeling en begeleiding ook doorgang kan vinden in het geval dat een veroordelend vonnis niet onherroepelijk is.
Verdachte heeft zich bereid getoond om zich te houden aan deze voorwaarden en de reclassering kan het toezicht op deze voorwaarden uitoefenen. Verdachte is door de Divisie Individuele Zaken (DIZ) voorgedragen voor plaatsing bij de forensisch psychiatrische afdeling (FPA) Heiloo en is daar geaccepteerd. Verdachte kan worden opgenomen zodra het vonnis onherroepelijk is.
Motivering van de tbs-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen (artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht en verder):
- verdachte is onderzocht door een psychiater en psycholoog;
- de rechtbank heeft (mede op basis van het deskundigenrapport) vastgesteld dat tijdens het begaan van het bewezen verklaarde bij verdachte sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
- ( poging tot) doodslag is een misdrijf, zoals genoemd in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
- verder is gebleken dat verdachte onder invloed van de bij hem vastgestelde stoornissen een gevaar vormt voor anderen.
Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, acht de rechtbank het opleggen van een zorgmachtiging ontoereikend, te meer nu verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten al in een zorgmachtiging liep en deze niet heeft kunnen voorkomen dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Dat verdachte mogelijk niet alle zorg heeft gekregen die hij op dat moment nodig had, laat onverlet dat het kader van de zorgmachtiging op dat moment onvoldoende bescherming heeft geboden en verdachte, ondanks de zorgmachtiging, tot ernstige strafbare feiten is gekomen. Ook het noodzakelijk geachte langdurige toezicht na de klinische behandeling is via een zorgmachtiging niet (op voorhand dwingend) te realiseren. Aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de noodzaak tot langdurig toezicht draagt met name ook bij dat niet duidelijk is in hoeverre verdachte de zucht naar middelen onder controle heeft. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard te willen stoppen met het gebruik hiervan, heeft hij bij de reclassering aangegeven de wens te hebben onder andere cannabis te blijven gebruiken. Dat baart de rechtbank grote zorgen, temeer nu uit de aangehaalde rapporten blijkt dat middelengebruik een negatief versterkende werking kan hebben op zijn psychotische kwetsbaarheid en derhalve het recidiverisico verhoogt. De rechtbank acht het daarom van belang dat ook na de klinische behandeling verdachte onder een langdurig toezicht begeleid wordt. Bovendien richt een opname en behandeling binnen de reguliere ggz zich niet primair op het voorkomen van recidive en tijd nemen voor stapsgewijze resocialisatie. Daarnaast is verdachte al eerder veroordeeld tot tbs met voorwaarden. Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechtbank de bescherming van de maatschappij te prevaleren boven het persoonlijke belang van verdachte. Behandeling dient daarom plaats te vinden binnen een forensisch kader. Binnen een tbs-maatregel kan verdachte in een gesloten kliniek voldoende behandeld worden en kan het risico op recidive worden verminderd. De rechtbank is van oordeel dat kan worden volstaan met het stellen van de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Verdachte heeft zich bovendien bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden.
Omdat de tbs-maatregel zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot doodslag, kan de maatregel langer duren dan vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en het uit te oefenen toezicht, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.667,10 voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.167,10 voor vergoeding van materiële schade en € 500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. medische kosten: € 1.456,95;
2. herstelkosten ring: € 155,02;
3. jas: € 700,-;
4. bril: € 799,86;
5. reiskosten: € 55,27.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaalbedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair af te wijzen en meer subsidiair aanzienlijk te matigen, omdat er geen causaal verband bestaat tussen de ten laste gelegde feiten en een deel van de gevorderde schade, althans dat dit causaal verband onvoldoende is onderbouwd.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit 2, voor het gevorderde bedrag. Dat [benadeelde partij] bij het wegrennen nogmaals ten val is gekomen houdt rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit en doorbreekt de keten van causaliteit niet. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Op grond van de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding in samenhang bezien met de feiten en omstandigheden die uit het dossier volgen, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van immateriële schade daarom ook geheel toe.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van schadepost 1 (medische kosten) wordt vermeerderd met de wettelijke rente
  • over een bedrag van € 221,58 met ingang van 26 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 54,86 met ingang van 31 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 545,19 met ingang van 1 september 2025;
  • over een bedrag van € 635,32 met ingang van 9 september 2025,
omdat vast is komen te staan dat de kosten van de behandeling van de benadeelde partij op die data zijn betaald.
De vergoeding van schadeposten 2, 3, 4 en 5 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 (de pleegdatum), omdat [benadeelde partij] op die datum vermogensnadeel heeft ondervonden door het beschadigd raken van zijn eigendom en de reiskosten bijna uitsluitend op de pleegdatum zijn gefactureerd.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2025 (de pleegdatum), omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.667,10 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente zoals hiervoor is overwogen, tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Omdat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, vindt de rechtbank het niet passend om daarnaast gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

10.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
1 STK Steekwapen (goednummer G6700215).
Nu met behulp van dit voorwerp het onder feit 1 bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

11.Voorlopige hechtenis

Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, beveelt de rechtbank dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte wordt opgenomen in de beoogde kliniek (of een plek voor overbruggingszorg). Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbindt de rechtbank dezelfde voorwaarden als die zij aan de tbs-maatregel verbindt.
De rechtbank bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729.
Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

13.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair
poging tot doodslag
feit 2
mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], voor het bewezene
niet strafbaaren
ontslaat hem van alle rechtsvervolgingter zake daarvan.
Gelast dat verdachte
ter beschikking zal worden gestelden stelt daarbij de volgende
voorwaarden:
1.
Geen strafbaar feit plegen
Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
- Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
- Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4.
Niet naar het buitenland
Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5.
Opname in een zorginstelling
Verdachte laat zich opnemen in een forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start wanneer een plaatsingsdatum overeen is gekomen. Mocht er onverhoopt niet direct een plek voor verdachte zijn in de klinieken waar hij is geaccepteerd, dan dient verdachte mee te werken aan plaatsing in een andere kliniek in het kader van een
overbruggingsplaatsing. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6.
Ambulante behandeling
Verdachte laat zich behandelen door een door de reclassering nader te bepalen forensisch ambulante zorginstelling. De behandeling start wanneer een plaatsingsdatum overeen is gekomen. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Verdachte verblijft in een door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing dan wel de reclassering nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start na overleg met de instelling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8.
Verbod verdovende middelen
Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I en lijst II en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
9.
Alcoholverbod
Verdachte gebruikt geen alcohol. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek of ademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10.
Dagbesteding
Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft opdracht aan Reclassering Inforsa de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te voeren reclasseringstoezicht
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Beslag
Onttrekt aan het verkeer:

1 STK Steekwapen (goednummer G6700215)

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 3.667,10 (drieduizend zeshonderdzevenenzestig euro en tien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente
  • over een bedrag van € 2.210,15 met ingang van 21 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 221,58 met ingang van 26 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 54,86 met ingang van 31 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 545,19 met ingang van 1 september 2025;
  • over een bedrag van € 635,32 met ingang van 9 september 2025,
tot aan de dag van de algehele voldoening.
Voormeld bedrag bestaat uit € 3.167,10 aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan vergoeding van immateriële schade.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat
€ 3.667,10 (drieduizend zeshonderdzevenenzestig euro en tien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente
  • over een bedrag van € 2.210,15 met ingang van 21 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 221,58 met ingang van 26 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 54,86 met ingang van 31 augustus 2025;
  • over een bedrag van € 545,19 met ingang van 1 september 2025;
  • over een bedrag van € 635,32 met ingang van 9 september 2025,
tot aan de dag van de algehele voldoening. Indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 0 dagen gijzeling.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Voorlopige hechtenis
Schorst de voorlopige hechtenisvan verdachte met ingang van het moment dat verdachte in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 5 zal worden opgenomen in de kliniek, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 10 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
  • verdachte, indien de opheffing der schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;
  • verdachte, in het geval hij wegens een feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken.
De beslissing is ook afzonderlijk vastgelegd.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. B. van Galen en G.J.M. Kruizinga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2026.